Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 13 juli 2023

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij vonnis van 7 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 juni 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charl « - Schendt artikel 55, tweede lid, van afdeling 3 ` Regels betreffende de pacht in het bijzonder '(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2023043682
pub.
13/07/2023
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten Bij vonnis van 7 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 juni 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 55, tweede lid, van afdeling 3 ` Regels betreffende de pacht in het bijzonder ' van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 41 van het decreet van het Waals Parlement van 2 mei 2019 tot wijziging van verscheidene wetgevingen inzake pacht, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3, § 1, derde lid, van afdeling 3 ` Regels betreffende de pacht in het bijzonder ' van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 4 van het voormelde decreet van 2 mei 2019, evenals met artikel 52, eerste lid, van hetzelfde decreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het oud Burgerlijk Wetboek en het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, in de interpretatie volgens welke aan de pachters die houder zijn van een mondelinge pachtovereenkomst die vóór de inwerkingtreding van het decreet van 2 mei 2019, zijnde op 1 januari 2020, werd gesloten, en die het pachtgoed sinds meer dan één jaar in gebruik hebben, in geval van vervreemding van het voorwerp van de pachtovereenkomst een opzegging met een opzeggingstermijn van zes maanden kan worden betekend om reden dat die pacht geen vaste datum heeft, terwijl zij tegelijkertijd uitgesloten zijn van elke redelijke mogelijkheid om een vaste datum te verlenen aan hun mondelinge pachtovereenkomst, in zoverre de nieuwe regeling van het voormelde artikel 3, § 1, derde lid, niet uitdrukkelijk op hen van toepassing is, zodat zij onverhoeds geconfronteerd worden met een nieuw type van opzegging dat niet bestond vóór de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 2 mei 2019 en waartegen zij zich niet redelijkerwijs kunnen beschermen en terwijl de houders van mondelinge pachtovereenkomsten, zonder vaste datum, die gesloten werden na de inwerkingtreding van het decreet van 2 mei 2019, pachtovereenkomsten die nochtans van dezelfde aard zijn, onder de toepassing van het voormelde artikel 3 vallen en zich dus tegen de recent bij het voormelde artikel 55, tweede lid, ingevoerde opzegging kunnen beschermen ? - Schendt artikel 52, eerste lid, van het decreet van 2 mei 2019, in samenhang gelezen met artikel 55, tweede lid, van afdeling 3 ` Regels betreffende de pacht in het bijzonder ' van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 41 van het decreet van het Waals Parlement van 2 mei 2019 tot wijziging van verscheidene wetgevingen inzake pacht en in samenhang gelezen met artikel 3, § 1, derde lid, van de Pachtwet zoals gewijzigd bij artikel 4 van het voormelde decreet van 2 mei 2019, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het oud Burgerlijk Wetboek en het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, in de interpretatie volgens welke de pachters die houder zijn van een mondelinge pachtovereenkomst die vóór de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 2 mei 2019, zijnde op 1 januari 2020, werd gesloten, worden uitgesloten van de mogelijkheid gebruik te maken van het nieuwe artikel 3, § 1, derde lid, van afdeling 3 ` Regels betreffende de pacht in het bijzonder ' van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het oud Burgerlijk Wetboek, waarbij zij tegelijkertijd aan de nieuwe bij het voormelde artikel 55, tweede lid, geregelde opzegging zijn onderworpen, terwijl de pachters die houder zijn van een mondelinge pachtovereenkomst die na de inwerkingtreding van het decreet van 2 mei 2019 werd gesloten wel de bij het voormelde artikel 3, § 1, derde lid, voorziene mogelijkheid genieten om de eventuele toepassing van het voormelde artikel 55, tweede lid, te vermijden, waarbij die twee categorieën van pachters nochtans houder zijn van pachtovereenkomsten van dezelfde aard ? ».

Die zaak is ingeschreven onder nummer 8015 van de rol van het Hof.

De griffier, N. Dupont

^