Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 04 juli 2023

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij vonnis van 30 mei 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2023, heeft de Vrederechter van het kanton Merelbeke de volgende preju « - Schendt artikel 25 van het Onteigeningsdecreet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in sa(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2023043164
pub.
04/07/2023
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten Bij vonnis van 30 mei 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2023, heeft de Vrederechter van het kanton Merelbeke de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 25 van het Onteigeningsdecreet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het eerste aanvullend protocol van het EVRM, in zoverre dit artikel eigenaars van een onroerend goed of houders van een zakelijk recht die tijdens het openbaar onderzoek nog niet in de gelegenheid waren om een verzoek tot realisatie in te dienen of niet binnen de zeventig dagen na de einddatum van het openbaar onderzoek een gestaafd verzoek tot zelfrealisatie konden indienen, in elk geval en van rechtswege uitsluit van de mogelijkheid tot zelfrealisatie, terwijl volgens het Europeesrechtelijk en grondwettelijk principe van de onteigeningsnoodzaak slechts tot onteigening mag worden overgegaan wanneer er redelijkerwijze geen alternatief meer mogelijk is ? - Schendt artikel 25 van het Onteigeningsdecreet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in zoverre dit artikel eigenaars van een onroerend goed of houders van een zakelijk recht die tijdens het openbaar onderzoek nog niet in de gelegenheid waren om een verzoek tot realisatie in te dienen of niet binnen de zeventig dagen na de einddatum van het openbaar onderzoek een gestaafd verzoek tot zelfrealisatie konden indienen, in elk geval en van rechtswege uitsluit van de mogelijkheid tot zelfrealisatie, zelfs indien deze categorie van personen nadien wel een verzoek tot zelfrealisatie indient, terwijl dit artikel aan diezelfde categorie van personen wel de mogelijkheid tot zelfrealisatie biedt wanneer zij tijdig een verzoek daartoe bij de onteigenende instantie hebben ingediend, zonder dat er voor dit verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat en dit zelfs indien het verzoek tot zelfrealisatie in beide gevallen identiek of gelijkwaardig is ? ».

Die zaak is ingeschreven onder nummer 8001 van de rol van het Hof.

De griffier, F. Meersschaut

^