Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 10 december 2003

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 24 januari 2000 in zake Z. Kurtulus tegen de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van « 1. Schenden artikel 580, 2 o , van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 9 van de wet van 20(...)

bron
arbitragehof
numac
2003202092
pub.
10/12/2003
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 24 januari 2000 in zake Z. Kurtulus tegen de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 oktober 2003, heeft de Arbeidsrechtbank te Verviers de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schenden artikel 580, 2o, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 9 van de wet van 20 juli 1991 [lees : wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag] en artikel 12ter, tweede lid, van de wet van 20 juli 1991 [lees : 1971], in die zin geïnterpreteerd dat elke bevoegdheid van het gerecht in verband met de volledige controle van de administratieve beslissingen waarbij wordt geweigerd te verzaken aan het terugvorderen van de onterecht betaalde sociale uitkeringen uitgesloten is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, omdat zij de eiseres een natuurlijke rechter ontzeggen die over een toereikende saisine beschikt om een daadwerkelijke soevereine toetsing van een dergelijke beslissing uit te oefenen ? 2. Schenden artikel 580, 2o, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 9 van de wet van 20 juli 1991 [lees : 1971] en artikel 12ter, tweede lid, van de wet van 20 juli 1991 [lees : 1971], in die zin geïnterpreteerd dat elke bevoegdheid van het gerecht in verband met de controle van de wettigheid en grondwettigheid van de administratieve beslissingen waarbij wordt geweigerd te verzaken aan het terugvorderen van de onterecht betaalde sociale uitkeringen uitgesloten is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, omdat zij de eiseres een natuurlijke rechter ontzeggen die over een toereikende saisine beschikt om een daadwerkelijke wettigheidstoetsing van een dergelijke administratieve beslissing uit te oefenen ? 3.Schendt artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de instellingen die sociale uitkeringen uitbetalen (te dezen gewaarborgde gezinsbijslagen) toestaat te beslissen of de begunstigde te goeder of te kwader trouw is en vervolgens, zonder voorafgaande beoordeling door de rechter, over te gaan tot de terugvordering door middel van gehele of gedeeltelijke inhoudingen van de maandelijkse afbetalingen tot de volledige teruggave, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, omdat het zonder toereikende verantwoording een categorie van rechtzoekenden benadeelt ten oprechte van de andere rechtzoekenden ? 4. Schendt artikel 12ter van de wet van 20 juli 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, Belgisch Staatsblad van 19 augustus 1955;erratum, Belgisch Staatsblad van 29 juni 1961) en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ondertekend te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, Belgisch Staatsblad van 6 juli 1983), omdat het de rechtzoekenden een rechtsmiddel ontzegt dat onmiddellijke werking heeft wat betreft de vervolgingen door tenuitvoerlegging, terwijl daarentegen, bij een willig administratief beroep, de instelling die de gewaarborgde gezinsbijslagen uitbetaalt de soevereine bevoegdheid behoudt om te beslissen tot de schorsing van diezelfde middelen van tenuitvoerlegging ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2809 van de rol van het Hof.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

^