Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 22 februari 2001

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 21 november 2000 in zake M.-C. Labbe en anderen tegen de provincie Henegouwen en de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter gr « Schendt artikel 34, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 6 juni 1994 tot (...)

bron
arbitragehof
numac
2001021113
pub.
22/02/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 21 november 2000 in zake M.-C. Labbe en anderen tegen de provincie Henegouwen en de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 18 december 2000, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 34, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, doordat het onder de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, door de enkele toepassing van de berekeningsregels voor de dienstanciënniteit, het de leerkrachten die hun loopbaan hebben uitgebouwd binnen één en dezelfde inrichtende macht mogelijk maakt een prioriteit te genieten met name voor elke nieuwe definitieve affectatie die van die inrichtende macht afhangt, terwijl diegenen die hun loopbaan hebben uitgebouwd ten dienste van verscheidene inrichtende machten, een op basis van hun geldelijke anciënniteit berekende, totale `reële' loopbaananciënniteit zouden doen kunnen gelden, die groter zou zijn ? » Schendt artikel 34, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, doordat het de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, voor de berekening van hun anciënniteit die met name dienstig is voor de toekenning van een nieuwe definitieve affectatie, slechts toestaat de enkele diensten aan te voeren die zijn verricht en gesubsidieerd bij eenzelfde inrichtende macht, terwijl de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs en het onderwijs van de Franse Gemeenschap alle diensten die door de Franse Gemeenschap zijn bezoldigd en die zij als tijdelijke of vastbenoemde in het door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde onderwijs hebben verleend, kunnen doen gelden, alsmede de niet-bezoldigde periodes die met dienstactiviteit zijn gelijkgesteld ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2098 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

^