Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 21 september 2022

Uittreksel uit arrest nr. 8/2022 van 20 januari 2022 Rolnummer 7514 In zake: de prejudiciële vragen over artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » en a Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2022202386
pub.
21/09/2022
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 8/2022 van 20 januari 2022 Rolnummer 7514 In zake: de prejudiciële vragen over artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen » (in de versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007), gesteld door het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 5 februari 2021Relevante gevonden documenten type arrest prom. 05/02/2021 pub. 19/03/2021 numac 2021030528 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de leidend ambtenaar tot aanstelling van met het toezicht belaste personeelsleden bij Leefmilieu Brussel sluiten, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 februari 2021, heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en artikel 19 van koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen (in de respectievelijke versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007), nl. het in deze artikelen vervatte principe dat wanneer iemand een rustpensioen in het stelsel van de werknemers cumuleert met een rustpensioen in het stelsel voor de zelfstandigen en deze persoon in beide stelsels samen meer dan 45 loopbaanjaren telt, deze loopbaanjaren met toepassing van de regel van de eenheid van loopbaan dienen teruggebracht te worden tot 45 jaren en dit door de beroepsloopbaanjaren in het stelsel van de zelfstandigen te verminderen met zoveel loopbaanjaren als nodig is om het totaal aantal loopbaanjaren tot de eenheid te herleiden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? Wordt een sociaal verzekerde met een gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige van meer dan 45 jaar, wiens loopbaanjaren in het kader van het principe van de eenheid van loopbaan zullen verminderd worden met alleen de minst gunstige loopbaanjaren in het stelsel van de zelfstandigen om zijn totaal aantal loopbaanjaren tot de eenheid te reduceren, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet gediscrimineerd in vergelijking met een sociaal verzekerde met een homogene beroepsloopbaan als werknemer van meer dan 45 jaar wiens loopbaanjaren in het kader van het principe van de eenheid van loopbaan zullen verminderd worden met alleen de minst gunstige loopbaanjaren in het stelsel van de werknemers om zijn totaal aantal loopbaanjaren tot de eenheid te herleiden ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » (hierna : het koninklijk besluit nr. 50) en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 72), in de versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007.

Aldus heeft de prejudiciële vraag betrekking op artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, vóór de (niet in werking getreden) wijziging ervan bij de wet van 11 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/05/2003 pub. 24/06/2003 numac 2003022701 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan sluiten « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan ».

B.2. Artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, in de versie die van toepassing is op 1 januari 2007, bepaalt : « Wanneer de werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens dit besluit en op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens één of meer andere regelingen en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de beroepsloopbaan die voor de berekening van het rustpensioen als werknemer in aanmerking wordt genomen verminderd met zoveel jaren als nodig om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden.

De breuk waarvan sprake in vorig lid drukt de verhouding uit tussen de duur der tijdvakken, het percentage of iedere andere maatstaf met uitsluiting van het bedrag die voor de vaststelling van het toegekende pensioen in aanmerking werd genomen en het maximum van die duur, van dat percentage of van een andere maatstaf op grond waarvan een volledig pensioen kan worden toegekend.

Een gelijkaardige vermindering wordt toegepast wanneer de overlevende echtgenoot van een werknemer op een overlevingspensioen krachtens dit besluit en op een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens één of meer andere regelingen aanspraak kan maken en waarvan de globale belangrijkheid de in het eerste lid bedoelde normen overschrijdt.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ' andere regeling ' verstaan iedere andere Belgische regeling inzake rustpensioenen en overlevingspensioenen, uitgezonderd die voor de zelfstandigen en iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. [...] ».

B.3. Artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, in de versie die van toepassing is op 1 januari 2007, bepaalt : « Wanneer de zelfstandige aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens dit besluit en op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens een of meer andere regelingen en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de breuk die de beroepsloopbaan weergeeft welke voor de berekening van het rustpensioen als zelfstandige in aanmerking wordt genomen zodanig verminderd als nodig is om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden.

De breuk waarvan sprake is in het vorige lid drukt de verhouding uit tussen de duur der tijdvakken, het percentage of iedere andere maatstaf met uitsluiting van het bedrag dat voor de vaststelling van het toegekende pensioen in aanmerking werd genomen en het maximum van die duur, van dat percentage of van een andere maatstaf op basis waarvan een volledig pensioen kan worden toegekend.

Een soortgelijke vermindering wordt toegepast wanneer de langstlevende echtgenoot van een zelfstandige aanspraak kan maken op een overlevingspensioen krachtens dit besluit en op een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens één of meer andere regelingen en waarvan de totale omvang de in het eerste lid bedoelde normen overschrijdt.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ' andere regeling ' verstaan iedere andere Belgische regeling inzake rustpensioenen en overlevingspensioenen en iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. [...] ».

B.4. De in het geding zijnde bepalingen zijn een onderdeel van het wettelijk kader dat bij het einde van de loopbaan de pensioenrechten van respectievelijk werknemers en zelfstandigen inzake rust- en overlevingspensioenen vaststelt. Bij het bepalen van die pensioenrechten wordt een volledige loopbaan gelijkgesteld met maximaal 45 jaren en dient rekening te worden gehouden met het beginsel van de eenheid van de loopbaan.

Het beginsel van de eenheid van loopbaan (ingesteld bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 205 van 29 augustus 1983, bekrachtigd bij artikel 9, 1°, van de wet van 6 december 1984 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning ») houdt in dat voor een pensioengerechtigde, ongeacht het pensioenstelsel en ongeacht het feit of hij een homogene of gemengde loopbaan heeft doorlopen, nooit meer dan 45 loopbaanjaren in rekening kunnen worden gebracht voor het bepalen van zijn pensioenrechten. Dit betekent dat de effectief gepresteerde loopbaanjaren, ongeacht het pensioenstelsel, worden teruggebracht tot 45 jaren door de overtollige jaren in mindering te brengen.

B.5. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, in de versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6. De in het geding zijnde bepalingen zijn zo opgevat dat in het geval van een homogene loopbaan als werknemer de minst gunstige loopbaanjaren in mindering worden gebracht. Bij de vaststelling van de pensioenrechten in het kader van een gemengde loopbaan wordt steeds uitgegaan van een abstracte hiërarchie inzake gunstigheid van een loopbaanjaar voor een sociaal verzekerde (zie Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1095/3, p. 2). Zo worden de loopbaanjaren als ambtenaar steeds als voordeliger beschouwd dan de loopbaanjaren als werknemer, en worden de loopbaanjaren als werknemer als voordeliger dan de jaren als zelfstandige beschouwd. Zo wordt in de pensioenberekening voor zelfstandigen rekening gehouden met de « voordelige » loopbaanjaren als werknemer of ambtenaar. In het geval van een gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige worden, gelet op die abstracte hiërarchie, de loopbaanjaren als zelfstandige automatisch in mindering van het totaal gebracht, ongeacht of dit de minst gunstige loopbaanjaren zijn.

Het Hof wordt bijgevolg gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen een discriminerend verschil in behandeling instellen tussen sociaal verzekerden, wat de inkorting van de overtollige jaren tot 45 loopbaanjaren betreft.

B.7. Uit de voorgelegde prejudiciële vraag blijkt dat de situatie van een sociaal verzekerde die een homogene loopbaan als werknemer van meer dan 45 jaar heeft doorlopen, wordt vergeleken met de situatie van een sociaal verzekerde die een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige van meer dan 45 jaar heeft doorlopen.

De Ministerraad voert aan dat de voorgelegde vergelijking betrekking heeft op categorieën van personen die niet vergelijkbaar zijn.

B.8. Ten aanzien van het beginsel van de eenheid van loopbaan en de wijze van inkorting van overtollige loopbaanjaren om tot een loopbaan van maximaal 45 loopbaanjaren te komen, bevinden de sociaal verzekerden met een homogene of een gemengde loopbaan zich niet in dermate verschillende situaties dat ze niet nuttig met elkaar kunnen worden vergeleken.

Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen immers niet met elkaar worden verward. Het loutere feit dat er, wat de voorwaarden, de financiering en de bijdragen betreft, verschillen in de pensioenstelsels van werknemers en zelfstandigen bestaan, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar dat kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid van die categorieën van personen te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan.

B.9. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.10. Het door het verwijzende rechtscollege voorgelegde verschil in behandeling steunt in wezen op de samenstelling van de loopbaan. Dat criterium van onderscheid is objectief.

B.11. Het beginsel van de eenheid van loopbaan en de daarmee samenhangende inkorting van een loopbaan tot 45 jaren werden ingesteld teneinde de pensioenen betaalbaar te houden en erover te waken dat niemand meer pensioen kreeg dan voor een volledige loopbaan (Parl.

St., Senaat, 1982-1983, nr. 557/1, pp. 5-6). Met dat beginsel beoogde de wetgever de overtollige loopbaanjaren in te korten zonder extra nadeel voor de sociaal verzekerde.

B.12. In het licht van de in B.11 vermelde doelstellingen is het pertinent om de inkorting zo toe te passen dat de voor de pensioenberekening minst gunstige overtollige loopbaanjaren in mindering van de loopbaan worden gebracht.

Hoewel de automatische inkorting van loopbaanjaren als zelfstandige, in het bijzonder vóór de invoering van de proportionele pensioenberekening van zelfstandigen bij de wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/1984 pub. 21/02/2012 numac 2012201027 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen type wet prom. 15/05/1984 pub. 03/06/2010 numac 2010000322 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Officieuze coördinatie in het Duits sluiten « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen », veelal tot de meest gunstige vaststelling van de pensioenrechten in het kader van een gemengde loopbaan leidt, is dat sedert de invoering van de voormelde wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/1984 pub. 21/02/2012 numac 2012201027 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen type wet prom. 15/05/1984 pub. 03/06/2010 numac 2010000322 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Officieuze coördinatie in het Duits sluiten niet steeds het geval, hetgeen de categorie van sociaal verzekerden met een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige in bepaalde omstandigheden financieel benadeelt. Dit is onder meer het geval voor een sociaal verzekerde met een gemengde loopbaan wanneer hij als zelfstandige hoge bijdragen heeft betaald en dus meer pensioen heeft opgebouwd als zelfstandige dan tijdens de jaren waarin hij nog werknemer was, vaak in het begin van de loopbaan, met een relatief laag loon.

In zoverre bij de vaststelling van de pensioenrechten van een sociaal verzekerde met een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige de maatregel van de eenheid van loopbaan tot gevolg heeft dat zonder enig individueel, concreet onderzoek naar de effectief minst gunstige jaren, de loopbaanjaren in het stelsel van de zelfstandigen automatisch worden ingekort, is de maatregel noch pertinent, noch redelijk verantwoord in het licht van de voormelde doelstellingen.

B.13. Overigens heeft de wetgever in dezelfde zin geoordeeld dat dit verschil in behandeling, wat de wijze van inkorting van overtollige loopbaanjaren betreft, in bepaalde omstandigheden nadelige gevolgen met zich meebracht voor sociaal verzekerden met een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1095/1, pp. 2-4, en nr. 2-1095/3, pp. 2-3) en heeft hij beslist dat verschil in behandeling weg te werken, gelet op de beperkte budgettaire impact (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1095/3, p. 3).

Aldus hebben de artikelen 2 en 3 van de wet van 11 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/05/2003 pub. 24/06/2003 numac 2003022701 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan sluiten « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan » de in het geding zijnde bepalingen gewijzigd teneinde erin te voorzien dat, bij de berekening van de pensioenrechten, de minst gunstige loopbaanjaren worden weggelaten, ongeacht het stelsel waarin ze zijn gepresteerd.

Hoewel de artikelen 2 en 3 van de wet van 11 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/05/2003 pub. 24/06/2003 numac 2003022701 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan sluiten niet in werking zijn getreden, is het principe dat alleen de minst gunstige loopbaanjaren beoogt weg te laten, ongeacht het stelsel waarin ze zijn gepresteerd, overgenomen in paragraaf 2 van de in het geding zijnde bepalingen, zoals zij zijn vervangen bij respectievelijk artikel 2 van de wet van 19 april 2014 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het pensioenstelsel voor werknemers rekening houdend met het principe van de eenheid van loopbaan » en bij artikel 2 van de wet van 24 april 2014 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het pensioenstelsel voor zelfstandigen rekening houdend met het beginsel van eenheid van loopbaan », onder door de Koning te bepalen voorwaarden. Hoewel die bepalingen evenmin in werking zijn getreden, getuigen zij van de hernieuwde wil van de wetgever om een wijze van vermindering te verankeren die de sociaal verzekerden die een gemengde loopbaan hebben gepresteerd, niet benadeelt.

B.14. Artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, in de versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007, zijn derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij verhinderen dat bij de vaststelling van de individuele pensioenrechten van een sociaal verzekerde met een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige de minst gunstige loopbaanjaren, ongeacht het stelsel waarin ze zijn gepresteerd, in mindering worden gebracht van de loopbaan.

B.15.1. De Ministerraad verzoekt het Hof de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven teneinde grote administratieve en budgettaire gevolgen te verhinderen.

B.15.2. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen.

B.15.3. Aangezien de Ministerraad zelf erkent dat het aantal personen die geraakt worden door de vastgestelde ongrondwettigheid veeleer beperkt is, toont hij niet aan dat administratieve en budgettaire redenen nopen tot een handhaving van de gevolgen.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen », in de versies die van toepassing zijn op 1 januari 2007, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij verhinderen dat bij de vaststelling van de individuele pensioenrechten van een sociaal verzekerde met een gemengde loopbaan als werknemer-zelfstandige de minst gunstige loopbaanjaren, ongeacht het stelsel waarin ze zijn gepresteerd, in mindering worden gebracht van de loopbaan.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 20 januari 2022.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, L. Lavrysen

^