Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 18 juni 2020

Uittreksel uit arrest nr. 192/2019 van 28 november 2019 Rolnummer 7039 In zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Kapellen. Het Grondwettelijk Hof, s wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

bron
grondwettelijk hof
numac
2020201770
pub.
18/06/2020
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 192/2019 van 28 november 2019 Rolnummer 7039 In zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Kapellen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, de rechters L. Lavrysen, J.-P.-Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 november 2018, heeft de Vrederechter van het kanton Kapellen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1022 Ger. W. de artikelen 16 Grondwet juncto 1 EAP EVRM evenals de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de vergoeding voor de advocatenkosten (verdediging juridisch raadsman) - in tegenstelling tot de kosten voor een technische raadsman -, in de bijzondere procedure op grond van de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten voor de vrederechter, op een forfaitaire wijze/aan de hand van een begrensd maximum worden vergoed door middel van de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, terwijl artikel 16 Grondwet zich verzet tegen een forfaitaire vergoeding bij onteigening en de onteigenden aldus geenszins een juist/correcte (lees : billijke) onteigeningsvergoeding krijgen in de zin van artikel 16 Grondwet, in de veronderstelling dat de advocatenkosten in rechtstreeks en oorzakelijk verband staan met de onteigeningsbeslissing en de noodzaak van juridische bijstand reeds in het verleden werd erkend ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op de hangende zaak voor de verwijzende rechter, dat bepaalde : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.1.2. Die bepaling is, met ingang van 20 april 2019, gewijzigd bij artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 21 februari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/02/2010 pub. 11/03/2010 numac 2010009184 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties type wet prom. 21/02/2010 pub. 23/06/2010 numac 2010000374 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. - Duitse vertaling van uittreksels sluiten « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering », zelf gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht ».

Die wijzigingen hebben geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële vraag.

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de onteigende krachtens die bepaling in de procedure voor de vrederechter op grond van de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » (hierna : de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten) slechts aanspraak kan maken op een forfaitaire vergoeding van de kosten en erelonen van zijn advocaat, terwijl de kosten van een technisch raadgever volledig worden vergoed.

B.3.1. De wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten regelt de rechtspleging voor onteigeningen bij hoogdringende omstandigheden. Wat de onteigeningsvergoeding betreft, verloopt die rechtspleging in verschillende fasen.

In een eerste fase bepaalt de vrederechter, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal dient te storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen (artikel 8). In een tweede fase bepaalt de vrederechter, na de aanwezige partijen en de door hem aangestelde deskundige te hebben gehoord, voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is (artikel 14). De voorlopige vergoedingen die de rechter toekent, worden onherroepelijk, tenzij een van de partijen de herziening ervan aanvraagt bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 16). De vordering tot herziening wordt door de rechtbank behandeld « overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering » (artikel 16, tweede lid), wat inhoudt dat tegen het vonnis van de rechtbank de beroepen - hoger beroep en cassatieberoep - kunnen worden ingesteld waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet. De procedure in herziening dient te worden beschouwd als een op zichzelf staande procedure (Cass., 3 februari 2000, Arr. Cass., 2000, nr. 88).

B.3.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de fase betreffende de voorlopige onteigeningsvergoeding.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die fase.

B.4. Volgens het in het geding zijnde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Krachtens de artikelen 1017 en 1018 van hetzelfde Wetboek komt die rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.

In navolging van het arrest van het Hof nr. 186/2011 van 8 december 2011, interpreteert de verwijzende rechter die bepalingen in die zin dat de onteigende als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd wanneer de vrederechter een voorlopige onteigeningsvergoeding vaststelt. Bijgevolg heeft de onteigende recht op een rechtsplegingsvergoeding als tegemoetkoming in de kosten en erelonen van zijn advocaat.

B.5.1. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Ter waarborging van de rechten van de eigenaar bepaalt artikel 16 van de Grondwet evenwel dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

Om billijk te zijn, moet de schadeloosstelling in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen.

B.5.2. De in de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten geregelde procedure beoogt in hoofdzaak de eigenaars te beschermen tegen onrechtmatig optreden van de overheid, en dit in het kader van het grondrecht gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet. Meer in het bijzonder beoogt die procedure de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen.

B.5.3. Door de beslissing van de overheid om over te gaan tot de onteigening van een goed, wordt de eigenaar van dat goed noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure, die in essentie ertoe strekt het in artikel 16 van de Grondwet bedoelde grondrecht te waarborgen.

Door die beslissing wordt de eigenaar, tegen zijn wil, geplaatst in een situatie waarin hij dient te waken over de naleving van zijn grondrechten. Vanwege het juridische en het technische karakter van het onderwerp van de onteigeningsprocedure, is het daarbij niet onredelijk dat hij van oordeel is dat hij zijn rechten slechts ten volle kan laten gelden wanneer hij zich laat bijstaan door een advocaat. De kosten en de erelonen van die advocaat dienen aldus te worden beschouwd als een gevolg van de beslissing van de overheid om over te gaan tot een onteigening, en dienen, opdat het geleden nadeel integraal kan worden hersteld, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, door de onteigenende overheid te worden vergoed.

B.6.1. In de interpretatie van de verwijzende rechter dat de kosten en erelonen van de advocaat van de onteigende in de procedure waarbij een voorlopige onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld, op een forfaitaire wijze worden vergoed door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, kan het in het geding zijnde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe leiden dat die kosten en erelonen niet volledig worden vergoed.

B.6.2. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 en zijn arrest nr. 186/2011 van 8 december 2011 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, evenwel geen maatregel genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de orden van de balies worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de toekenning van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding op zich niet kan worden geacht te leiden tot een onbillijke onteigeningsvergoeding.

Uit artikel 1022, aangehaald in B.1.1, vloeit voort dat de rechter, op verzoek van een van de partijen, de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel verhogen, zonder evenwel de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter met name rekening met « het kennelijk onredelijk karakter van de situatie » (EHRM, 23 oktober 2018, Musa Tarhan t. Turkije, §§ 86-87).

Anders dan de verwerende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, leidt het feit dat de rechtsplegingsvergoeding niet werd verhoogd naar aanleiding van de onderwerping van de diensten van advocaten aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw), niet tot een ander resultaat. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie bij zijn arrest C-543/14 van 28 juli 2016 heeft geoordeeld, « kan er geen nauw verband, laat staan een dwingend verband, worden gelegd tussen de onderwerping van diensten van advocaten aan btw enerzijds en een stijging van de prijs van deze diensten anderzijds » (punt 35).

B.6.3. Voorts heeft het Hof bij zijn arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009 voor recht gezegd dat artikel 1022, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan een partij het recht ontzegt om haar werkelijke kosten van juridische bijstand volledig te recupereren, terwijl een partij van wie de schade bestaat uit andere elementen dan advocatenkosten, een volledige vergoeding kan verkrijgen van de door haar gemaakte kosten. Dat arrest berust op de volgende motieven : « B.10.1. De deskundigen en technisch raadgevers die een procespartij adviseren, bevinden zich, in het licht van de in het geding zijnde wetgeving, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten die de partijen bijstaan en in rechte vertegenwoordigen.

Terwijl het optreden van een advocaat vrijwel altijd vereist is in het kader van een gerechtelijke procedure, wordt minder frequent een beroep gedaan op een technisch raadgever. Evenzo treedt de advocaat doorgaans op gedurende de hele procedure, waardoor tussen hem en zijn cliënt een bijzondere verhouding ontstaat, terwijl het optreden van de technisch raadgever doorgaans zeer gericht is, wanneer hij advies moet uitbrengen over een welbepaald aspect van het geschil.

B.10.2. Aangezien de keuze van de wetgever om de aangelegenheid te regelen door de vaststelling van forfaitaire bedragen die ten laste kunnen worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, redelijk is verantwoord, rekening houdend met wat is vermeld in B.7.6.6 van het arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 betreffende de rechtzoekenden die de juridische tweedelijnsbijstand genieten, rechtvaardigen de verschillen die bestaan tussen de advocaten en de technisch raadgevers ten aanzien van hun plaats in het proces en de aard van hun optreden, dat de wetgever de specifieke reglementering die hij heeft aangenomen voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten, niet heeft uitgebreid tot alle andere raadgevers die mogelijk in een gerechtelijke procedure optreden ».

B.7. Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 28 november 2019.

De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen

^