Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 24 februari 2020

Uittreksel uit arrest nr. 9/2020 van 16 januari 2020 Rolnummers 6999 en 7055 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Demo Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2020200328
pub.
24/02/2020
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 9/2020 van 16 januari 2020 Rolnummers 6999 en 7055 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen », ingesteld door de nv « Integrale » en door de nv « Socofe ».

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 augustus 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 augustus 2018, heeft de nv « Integrale », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr.J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. J.-P. Lacomble en Mr.

S. Pâques, advocaten bij de balie te Luik, een beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen » en, in het bijzonder, van de artikelen 7 en 9, 31, 35, 38 tot 41, 44, 45, 47 tot 49, 51 en 52, 62, 67 tot 80 en 82 van dat decreet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2018).

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 170/2018 van 29 november 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 januari 2019, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 november 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2018, heeft de nv « Socofe », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr.X. Remy, Mr. P. De Bock en Mr. N. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 35, 44 en 45 van hetzelfde decreet.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6999 en 7055 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de afstand van de verzoekende partij in de zaak nr. 7055 B.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7055 verklaart afstand te doen van haar beroep tot vernietiging.

B.1.2. Niets verzet zich te dezen ertegen dat het Hof de afstand toewijst.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 6999 B.2.1. De verzoekende partij is een « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » in de zin van artikel L5111-1, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, dat is ingevoerd bij artikel 47 van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen » (hierna : het bestreden decreet). Alle bij het bestreden decreet ingevoegde bepalingen die betrekking hebben op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie zijn bijgevolg op haar van toepassing.

B.2.2. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering betoogt, kunnen de bepalingen die zij bestrijdt haar situatie rechtstreeks en ongunstig raken in zoverre die bepalingen extra controles instellen op de beslissingen die zij neemt en op de handelingen die zij stelt en in zoverre zij haar verplichtingen opleggen in haar relaties met de leden van haar raad van bestuur alsook op het vlak van aanwerving en beheer van haar leidinggevend personeel.

B.2.3. Hoewel de bestreden bepalingen tot doel of tot gevolg hebben de conformiteit van de akten en beslissingen van de verzoekende partij met de wettigheid, met het belang van de vennootschap en met het algemeen belang te verzekeren, zodat zij een gunstige invloed zouden kunnen hebben op haar situatie, leggen die bepalingen haar niettemin verplichtingen en extra controles op ten opzichte van die welke voordien bestonden. De verzoekende partij heeft dus een belang om de vernietiging ervan te vorderen.

B.2.4. Bij een brief van 6 januari 2020 heeft de Waalse Regering om de heropening van de debatten verzocht, daar het Waals Parlement op 19 december 2019 nieuwe decretale bepalingen heeft goedgekeurd en die nieuwe elementen volgens haar volstaan om « de ontstentenis van belang van de verzoekende partij aan te tonen ».

De nieuwe decretale bepalingen waarnaar in dat schrijven wordt verwezen, hebben, volgens de door het Waals Parlement op 19 december 2019 goedgekeurde tekst, uitwerking op diezelfde dag of, voor één daarvan, op 1 januari 2019. Daar de bestreden bepalingen rechtsgevolgen konden hebben vóór de wijziging ervan bij de inwerkingtreding van de bepalingen die het Waals Parlement op 19 december 2019 heeft goedgekeurd, heeft de verzoekende partij belang erbij de vernietiging ervan te vorderen.

Overigens, zoals de Waalse Regering erkent in haar brief van 6 januari 2020, zijn « die nieuwe elementen reeds in hoofdzaak ter sprake gebracht tijdens de pleitzitting », zodat de partijen in staat waren hieromtrent uitleg te geven.

Er dient niet te worden ingegaan op het verzoek om de debatten te heropenen.

B.2.5. Het beroep is ontvankelijk.

Ten aanzien van het verzoek om een juridisch advies over te leggen B.3.1. In haar verzoekschrift tot vernietiging vraagt de verzoekende partij het Hof de overlegging te bevelen, door de Waalse Regering, van een juridisch advies dat aan de Regering werd verstrekt en dat werd vermeld tijdens de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, 15 maart 2018, CRIC, nr. 112, pp. 13, 18 en 22).

B.3.2. Juridische adviezen die door een regering worden gevraagd bij de totstandkoming van een voorontwerp van decreet, zijn geen « regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten » (artikel 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Zij zijn dan ook niet van aard om het Hof, bij zijn toetsing van het bestreden decreet aan de bevoegdheidverdelende regels, op enigerlei wijze te kunnen binden.

Er dient niet te worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partij.

Ten aanzien van de definitie van het begrip « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » B.4.1. Het eerste middel beoogt het bestreden decreet in zoverre het « zijn toepassingsgebied uitbreidt tot elke maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie », zoals gedefinieerd bij artikel 47 van het bestreden decreet, dat artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie vervangt.

Artikel 47 van het bestreden decreet voegt in die bepaling een 10° in dat de « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » als volgt definieert : « Maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie : maatschappij die aan volgende criteria beantwoordt : a) een maatschappij naar Belgisch recht zijn of waarvan een bedrijfszetel in België is gevestigd;b) geen intercommunale zijn, noch een vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, een gemeente- of provinciebedrijf, een gemeentelijke of een provinciale vzw, een projectvereniging, een huisvestingsmaatschappij, een een organisme bedoeld in artikel 3 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder of in het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;c) en waarin één of meerdere gemeenten, provincies, OCMW's, intercommunales, zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven, projectverenigingen, verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, huisvestingsmaatschappijen, of rechtspersoon of feitelijke vereniging waarbij meerdere voornoemde overheden aangesloten zijn, alleen of samen met het Waalse Gewest, een organisme bedoeld in artikel 3, § 1 tot 7, lid 1, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder of in het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, een kapitaalparticipatie in handen hebben die meer bedraagt dan vijftig percent van het kapitaal;of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste bestuursorgaan aanwijzen. [...] ».

Er staat een soortgelijke definitie in artikel L1532-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervangen bij artikel 35 van het bestreden decreet, dat de raad van bestuur van de vennootschappen die het beoogt, namelijk filialen van intercommunales of vennootschappen waarin een intercommunale een rechtstreekse of onrechtstreekse participatie bezit, onderwerpt aan de verplichting om bepaalde beslissingen die hij overweegt te nemen, voor eensluidend advies aan de intercommunale over te maken.

B.4.2. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 4 en 5 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, van artikel 7 en van artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partij bekritiseert de definitie van een « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » in die zin dat zij niet in overeenstemming is met de voormelde bevoegdheidverdelende regels, zowel uit materieel als uit territoriaal oogpunt.

De Vlaamse Regering, tussenkomende partij, oordeelt op haar beurt dat de voormelde definitie de territoriale bevoegdheid van de Waalse decreetgever te buiten gaat.

B.4.3. De memorie van toelichting van het bestreden decreet geeft aan dat de decreetgever, door de invoering, in het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, van de definitie van de « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie », een vorm van vennootschap wilde identificeren waarin de Waalse lokale overheden vertegenwoordigd zijn maar die voordien ontsnapte aan de bepalingen van het Wetboek met betrekking tot de transparantie van de door de Waalse intercommunales verrichte operaties en van de binnen die intercommunales uitgeoefende mandaten (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1047/1, p. 12).

B.5. Bij artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt aan de gewesten de bevoegdheid toegewezen, wat de ondergeschikte besturen betreft, om de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen te regelen, alsook de bevoegdheid om de verenigingen van provincies, van bovengemeentelijke besturen en van gemeenten tot nut van het algemeen, met uitzondering van het door de wet georganiseerde specifiek toezicht inzake brandbestrijding, te regelen.

B.6.1. Vanuit de aanbevelingen die werden geformuleerd in het « Verslag van de parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoeken van de transparantie en de werking van de PUBLIFIN-Groep », dat werd goedgekeurd in voltallige zitting van het Waalse Parlement op 6 juli 2017 (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 861/1), heeft de decreetgever zich bevoegd geacht om, in het kader van zijn bevoegdheid inzake ondergeschikte besturen, « nieuwe regels [aan te nemen] inzake bestuur en transparantie binnen de lokale en bovenlokale structuren of binnen hun filialen » en om « de perimeter van de door de bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie beoogde instellingen en mandatarissen aanzienlijk [uit te breiden] » (Parl.

St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1047/1, p. 3).

B.6.2. Zoals werd opgemerkt door de afdeling wetgeving van de Raad van State, « kunnen privaatrechtelijke vennootschappen waaraan opdrachten van openbare dienst worden toevertrouwd aldus aan het toezicht van het Gewest worden onderworpen en kunnen zij verplichtingen opgelegd krijgen die gerechtvaardigd zijn door het overheidsbeleid » (ibid., p. 49).

B.6.3. Artikel L1512-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie machtigt de intercommunales om participaties te nemen in het kapitaal van eender welke vennootschap wanneer zij van die aard zijn dat zij tot de verwezenlijking van hun maatschappelijk doel bijdragen. Artikel L1512-6, § 1, van hetzelfde Wetboek preciseert overigens dat, ongeacht hun doel, de intercommunales opdrachten van openbare dienst uitoefenen. Men dient bijgevolg ervan uit te gaan dat de privaatrechtelijke vennootschappen waarin intercommunales participeren bijdragen, althans indirect, tot de verwezenlijking van een opdracht van openbare dienst. Hetzelfde geldt voor de privaatrechtelijke vennootschappen waarin gemeenten of provincies participeren, waarbij laatstgenoemden belast zijn met het regelen van hetgeen de gemeentelijke en provinciale belangen betreft, alsook voor de privaatrechtelijke vennootschappen in het kapitaal waarvan de andere door de bestreden bepaling beoogde lokale publiekrechtelijke rechtspersonen participeren. In die hoedanigheid kunnen zij verplichtingen opgelegd krijgen die verantwoord zijn door het overheidsbeleid.

B.6.4. Voor het overige komt het niet het Hof toe zich concreet uit te spreken over de medewerking van de verzoekende vennootschap aan het maatschappelijk doel van de intercommunale die participeert in haar financiering over de inhoud van de opdrachten van openbare dienst die door deze intercommunale worden vervuld. Het Hof onderzoekt de bestreden bepalingen vanuit de overweging dat de vennootschappen waarop zij van toepassing zijn bijdragen, in voorkomend geval indirect, tot de verwezenlijking van een opdracht van openbare dienst omdat die vennootschappen rechtstreeks of onrechtstreeks worden gecontroleerd door lokale publiekrechtelijke rechtspersonen die geen ander doel kunnen nastreven dan de verwezenlijking van een openbare dienst in overeenstemming met het algemeen belang.

B.7. Het criterium van de significante controle die wordt uitgeoefend op de vennootschappen die de decreetgever wil beogen, door de lokale publiekrechtelijke rechtspersonen waarvoor hij bevoegd is, criterium dat zich concreet vertaalt, hetzij door een meerderheidsparticipatie in het kapitaal van de vennootschap, hetzij door een meerderheidsdeelname aan het voornaamste beheersorgaan van de vennootschap, brengt niet op zich de decreetgever ertoe zijn bevoegdheid inzake ondergeschikte besturen te overschrijden. De decreetgever kon immers redelijkerwijs ervan uitgaan dat een rechtspersoon die de vorm van een private vennootschap heeft aangenomen maar waarvan het kapitaal voor meer dan 50% bestaat uit lokale overheidsgelden of waarvan de meerderheid van de leden van het voornaamste beheersorgaan wordt aangewezen door de lokale overheden, kan worden onderworpen aan bepalingen die een controle organiseren op de verrichtingen die met die overheidsgelden worden gedaan en op de uitoefening van de mandaten die door die lokale overheden worden toevertrouwd.

B.8.1. De artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met de artikelen 2, § 1, en 7 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, hebben een exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het onderwerp van iedere regeling die een gewestwetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.

B.8.2. De bestreden bepalingen definiëren een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie als een maatschappij naar Belgisch recht of een maatschappij waarvan een bedrijfszetel in België gevestigd is en waarvan het kapitaal, voor meer dan 50%, in handen is van een of meer lokale publiekrechtelijke rechtspersonen die aan het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie onderworpen zijn of waarvan het voornaamste bestuursorgaan, voor meer dan 50%, is samengesteld uit personen die benoemd zijn door een of meer lokale publiekrechtelijke rechtspersonen die onderworpen zijn aan het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.

B.8.3. Een dergelijk aanknopingscriterium laat toe de toepassing van de decreetsbepalingen te lokaliseren binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het Waalse Gewest. De bestreden bepalingen hebben immers hoofdzakelijk tot doel de banden tussen die vennootschappen en de lokale publiekrechtelijke rechtspersonen waarvan zij de emanatie zijn of waarvan zij afhangen nauwer aan te halen, zodat een controle op die vennootschappen kan worden uitgeoefend door die rechtspersonen of door het Waalse Gewest dat het toezicht op die laatstgenoemden uitoefent. De lokale publiekrechtelijke rechtspersoon, die onderworpen is aan het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en dus noodzakelijkerwijs gevestigd is op het grondgebied van het Waalse Gewest, en die de aandeelhouders van de door de bestreden bepalingen beoogde vennootschap controleert, vormt een pertinent territoriaal aanknopingscriterium.

B.8.4. Een beperking van het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen tot de vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is op het grondgebied van het Waalse Gewest zou overigens tot gevolg hebben dat alle vennootschappen die worden gecontroleerd door een of meer lokale publiekrechtelijke rechtspersonen die onderworpen zijn aan het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, en waarvan de maatschappelijke zetel gelokaliseerd zou zijn in een ander gewest van het land, zouden ontsnappen aan de controles die de decreetgever wilde organiseren.

B.8.5. Het stelsel van exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling veronderstelt echter dat elke situatie moet kunnen worden gekoppeld aan de regelgeving van één enkele wetgever. Te dezen heeft de decreetgever, in punt c) van de definitie van de « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie », in twee alternatieve aanknopingscriteria voorzien, namelijk, enerzijds, de identiteit van de personen die een meerderheid van het kapitaal in handen hebben en, anderzijds, de identiteit van de personen die een meerderheid van de leden van het voornaamste beheersorgaan benoemen. Door te kiezen voor twee verschillende en alternatieve aanknopingscriteria, creëert de decreetgever een situatie waarin hij niet uitsluit dat, wanneer een andere decreetgever een soortgelijke regelgeving met dezelfde twee alternatieve aanknopingscriteria zou nemen, eenzelfde situatie wordt geregeld door twee wettelijke normen die door verschillende wetgevers zijn genomen.

Gelet op het doel van het bestreden decreet, dat erin bestaat de transparantie te bevorderen van de transacties die zijn verricht en van de beslissingen die zijn genomen met behulp van de geldmiddelen die door lokale publiekrechtelijke rechtspersonen in privaatrechtelijke vennootschappen zijn geïnvesteerd, dient voorrang te worden gegeven aan het criterium betreffende het bezit van een meerderheid van het kapitaal van de vennootschap ten opzichte van het criterium van de benoeming van een meerderheid van de leden van haar voornaamste beheersorgaan.

B.9. Het eerste middel is in die mate gegrond. In de artikelen L1532-5 en L5111-1, 10°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals zij respectievelijk zijn vervangen bij de artikelen 35 en 47 van het bestreden decreet, dienen respectievelijk de woorden « of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste beheersorgaan bereikt » en « of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste bestuursorgaan aanwijzen » te worden vernietigd.

Ten aanzien van het eensluidend advies van de « moeder »-intercommunale, het gewoon administratief toezicht en de mogelijkheid om een bijzondere commissaris aan te wijzen B.10.1. Artikel 35 van het bestreden decreet vervangt artikel L1532-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie door de volgende bepaling : « Art. L1532-5. Het filiaal van een intercommunale, evenals alle maatschappijen waarin een intercommunale of een filiaal ervan een participatie bezitten, ongeacht de graad daarvan, voor zover de totale participatie die enkel in haar handen is of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeld wordt met de gemeenten, provincies, OCMW's, intercommunales, zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven, gemeentelijke of provinciale vzw's, projectverenigingen, verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de huisvestingsmaatschappijen of rechtspersonen of feitelijke verenigingen waarin meerdere voornoemde overheden verenigd zijn, of hoger is dan vijftig percent van het kapitaal of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste beheersorgaan bereikt, maken aan de raad van bestuur van de intercommunale de ontwerp-beslissingen over in verband met het nemen of intrekken van participaties in elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, met het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden, evenals met de vergoedingen die onder de algemene vergadering of het voornaamste beheersorgaan vallen.

De raad van bestuur van de intercommunale beschikt over een termijn van dertig dagen om een eensluidend advies in te dienen.

De betrokken maatschappijen brengen hun statuut in overeenstemming met dit artikel. Bij ontstentenis trekt de intercommunale zich uit het kapitaal van de maatschappij terug ».

Als gevolg van de gedeeltelijke vernietiging van die bepaling, zoals is vermeld in B.9, dienen in het eerste lid ervan de woorden « of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste beheersorgaan bereikt » te worden weggelaten.

B.10.2. Artikel 44 van het bestreden decreet voegt in artikel L3111-1, § 1, van hetzelfde Wetboek, dat de lijst vaststelt van de instellingen die onderworpen zijn aan het gewoon administratief toezicht van het Waalse Gewest, een 8° in dat luidt als volgt : « 8° een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie, zoals omschreven in artikel L5111-1, lid 1, 10° ».

Daaruit volgt dat de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie, vanaf de inwerkingtreding van die bepaling, onderworpen zijn aan het gewoon administratief toezicht dat wordt uitgeoefend door het Waalse Gewest.

B.10.3. Artikel 45 van het bestreden decreet vervangt artikel L3116-1 van hetzelfde Wetboek door de volgende bepaling : « De toezichthoudende overheid mag, bij besluit, een bijzondere commissaris aanwijzen wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon of een instelling bedoeld in artikel L3111-1, § 1, het algemeen belang schaadt, verzuimt de aangevraagde inlichtingen en elementen te verstrekken of de voorschriften van de wetten, decreten, besluiten, regelingen of statuten, of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing uit te voeren. De bijzondere commissaris is gemachtigd om alle maatregelen te treffen in de plaats van de in gebreke gebleven overheid, binnen de perken van het mandaat dat hem bij het aanwijzingsbesluit is toegekend ».

Wat de federale bevoegdheid inzake vennootschapsrecht betreft B.11. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 39 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 5°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor : [...] 5° het handelsrecht en het vennootschapsrecht; [...] ».

B.12.1. De artikelen 61, § 1, 63, 64, 521, 522, 527 en 531 van het Wetboek van vennootschappen, die door de verzoekende partij worden geciteerd, stellen diverse regels vast betreffende de organen van de vennootschappen, de geldigheid van de door die organen aangenomen akten, de bevoegdheden van de raad van bestuur, de aansprakelijkheid van de leden van de raad van bestuur en de bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders.

Het Wetboek van vennootschappen is opgeheven bij de wet van 23 maart 2019 « tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen ». Krachtens artikel 39 van die wet is het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen van toepassing vanaf 1 januari 2020. De artikelen 2.41, 2.42, 2.49, 2.56, 7.85, 7.93, 7.95, 7.98 en 7.124 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen leggen bepalingen vast die vergelijkbaar zijn met de door de verzoekende partij geciteerde bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.

B.12.2. In zoverre de bestreden bepalingen bepaalde akten van de filialen van intercommunales onderwerpen aan het eensluidend advies van de « moeder »-intercommunale en in zoverre zij voorzien in een administratief toezicht op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie en in de mogelijkheid om een bijzondere commissaris aan te wijzen in bepaalde gevallen waarin de vennootschap in gebreke blijft, regelen zij een aspect van het vennootschapsrecht, dat onder de bevoegdheid van de federale overheid valt.

In dat opzicht doet het er niet toe dat de decreetgever, met de bestreden bepalingen, niet de toepassing van de in het middel geciteerde bepalingen van het Wetboek van vennootschappen verhindert, maar in meer controles voorziet voor bepaalde vennootschappen.

Zodoende wijzigen de bestreden bepalingen immers de regelgeving betreffende het nemen van bepaalde beslissingen binnen de betrokken vennootschappen en hebben zij dus een weerslag op de bevoegdheden van de organen van die vennootschappen. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen tot de aangelegenheid van het vennootschapsrecht behoren.

B.13.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vervuld zijn.

Die bepaling staat het Waalse Gewest met name toe een decreet aan te nemen dat een federale aangelegenheid regelt op voorwaarde dat die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden, die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag van die bepaling op de federale aangelegenheid slechts marginaal is.

B.13.2. De decreetgever kon ervan uitgaan dat het, met het oog op een sterker behoorlijk bestuur en een sterkere transparantie in de lokale structuren waarop hij toezicht uitoefent, noodzakelijk was om de bestreden bepalingen aan te nemen. Zonder die bepalingen ontsnappen immers bepaalde structuren met de rechtsvorm van een privaatrechtelijke vennootschap, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gefinancierd en gecontroleerd door de lokale overheden, aan een adequaat en daadwerkelijk overheidstoezicht. Er kan worden aangenomen dat, teneinde zijn bevoegdheid inzake verenigingen van provincies, bovengemeentelijke besturen en gemeenten tot nut van het algemeen op correcte wijze uit te oefenen (artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980), de decreetgever, die weet had van bepaalde situaties die onverenigbaar werden geacht met de regels van goed bestuur en transparantie die hij op lokaal niveau wilde opleggen, het noodzakelijk achtte de bestreden bepalingen aan te nemen.

B.13.3. Door te bepalen dat de ontwerpbeslissingen in verband met het nemen of intrekken van participaties in een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden evenals de vergoedingen die onder de algemene vergadering of het voornaamste beheersorgaan vallen het voorwerp uitmaken van een eensluidend advies vanwege de intercommunale waarvan de betrokken vennootschap een filiaal is, doet artikel 35 van het bestreden decreet geen afbreuk aan het beginsel volgens hetwelk de organen van de vennootschap aansprakelijk zijn voor de beslissingen die zij nemen. Hetzelfde geldt voor artikel 44 van het bestreden decreet, dat voorziet in het algemeen administratief toezicht op de akten van de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie, en voor artikel 45 van het bestreden decreet, dat in bepaalde gevallen voorziet in het optreden van een bijzondere commissaris, die in de plaats treedt van de organen van de vennootschap. Die bepalingen hebben niet tot gevolg de organen van de vennootschap van hun aansprakelijkheid te ontheffen, maar leiden ertoe, doordat zij voorzien in extra controles op de beslissingen van de raad van bestuur, de bevoegdheden van die laatste te beperken, die aldus kan worden verhinderd bepaalde beslissingen te nemen.

Die decreetsbepalingen hebben betrekking op aspecten van het vennootschapsrecht die zich dus lenen tot een gedifferentieerde regeling, omdat de beoogde vennootschappen waaraan verplichtingen en extra controles worden opgelegd niet worden verhinderd om daarnaast te voldoen aan de regelgeving inzake de verantwoordelijkheid van de organen van privaatrechtelijke vennootschappen.

B.13.4. Ten slotte zijn de bestreden bepalingen enkel van toepassing op de privaatrechtelijke vennootschappen waarvan het kapitaal, voor meer dan 50%, rechtstreeks of onrechtstreeks is gevormd door participaties van de publiekrechtelijke rechtspersonen die zij opsommen, zodat de weerslag ervan op de aangelegenheid van het vennootschapsrecht marginaal is, ten opzichte van het aantal privaatrechtelijke rechtspersonen die aan het vennootschapsrecht onderworpen zijn.

B.14. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepalingen in overeenstemming zijn met de in het middel beoogde bevoegdheidverdelende regels.

Het middel is niet gegrond.

Wat de federale bevoegdheid voor het verzekeringsrecht betreft B.15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 39 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 2°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt : « Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor : [...] 2° het financieel beleid en de bescherming van het spaarwezen, met inbegrip van de reglementering en de controle op de kredietinstellingen en andere financiële instellingen en op de verzekeringsmaatschappijen en daarmee gelijkgestelde ondernemingen, de holdings en de gemeenschappelijke beleggingsfondsen, het hypothecair krediet, het consumptiekrediet, het bank- en verzekeringsrecht, alsmede de oprichting en het beheer van haar openbare kredietinstellingen; [...] ».

B.16.1. Met de wet van 13 maart 2016 « op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen » (hierna : de wet van 13 maart 2016) regelt de federale wetgever, « om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen te beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te verzekeren, [...] de vestiging en de activiteiten van, alsook het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in België werkzaam zijn, met inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden die specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen » (artikel 3). Die wet organiseert onder meer het toezicht op de verzekeringsondernemingen door de Nationale Bank van België.

Artikel 44 van de wet van 13 maart 2016 bepaalt dat « het wettelijk bestuursorgaan [...] de eindverantwoordelijkheid voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming [draagt] ». Binnen dat orgaan worden een auditcomité, een remuneratiecomité en een risicocomité opgericht (artikel 48). De leden van die comités moeten over de door de wet omschreven kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden beschikken (artikelen 49 tot 51).

B.16.2. De wet van 13 maart 2016 zet onder meer de richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 « betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf », « Solvabiliteit II » genoemd, om, die in artikel 27 bepaalt, wat betreft het toezicht op de verzekeringsondernemingen, dat « de lidstaten [ervoor] zorgen [...] dat de toezichthoudende autoriteiten van de noodzakelijke middelen worden voorzien en over de relevante deskundigheid en capaciteit alsook het relevante mandaat beschikken om het voornaamste doel van het toezicht, namelijk de bescherming van verzekeringnemers en begunstigden, te verwezenlijken ».

Overigens moeten, met toepassing van artikel 42, lid 1, van de voormelde richtlijn, alle personen die een verzekeringsonderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, te allen tijde aan vereisten voldoen betreffende hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring en hun goede naam en integriteit.

B.17. In zoverre de bestreden artikelen 35, 44 en 45 bepaalde akten van de filialen van intercommunales die verzekeringsondernemingen zijn, onderwerpen aan het eensluidend advies van de « moeder »-intercommunale en in zoverre zij voorzien in een administratief toezicht op de maatschappijen met een significante overheidsparticipatie die verzekeringsondernemingen zijn alsook in de mogelijkheid om een bijzondere commissaris aan te wijzen in bepaalde gevallen waarin de vennootschap in gebreke blijft, betreffen zij de reglementering van en de controle op de verzekeringsondernemingen, aangelegenheid die onder de bevoegdheid van de federale overheid valt.

B.18.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vervuld zijn.

Die bepaling staat het Waalse Gewest met name toe een decreet te nemen dat een federale aangelegenheid regelt op voorwaarde dat die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden, die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag van die bepaling op de federale aangelegenheid slechts marginaal is.

B.18.2. De door de federale wetgever genomen maatregelen inzake toezicht op de verzekeringsondernemingen, ter uitvoering van onder meer de omzetting van de richtlijn 2009/138/EG, die « Solvabiliteit II » wordt genoemd, kunnen niet terzijde worden geschoven ten gunste van andere door de decreetgevers ingevoerde controlemechanismen voor bepaalde verzekeringsondernemingen, afhankelijk van de samenstelling van hun groep aandeelhouders. In het bijzonder kan het toezicht dat door de Nationale Bank van België wordt uitgeoefend krachtens de wet van 13 maart 2016 om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten te beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te verzekeren, niet in concurrentie treden met andere controlemechanismen die worden aangewend door een « moeder »-intercommunale of door een toezichthoudende overheid en die andere doeleinden hebben, aangezien daaruit, voor de verzekeringsmaatschappij die aan verschillende concurrerende controlemechanismen wordt onderworpen, een onmogelijkheid zou kunnen voortvloeien om gelijktijdig te voldoen aan de beslissingen of aanmaningen van de verschillende toezichthouders.

Daaruit volgt dat de controle op de verzekeringsondernemingen zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling, zodat de bevoegdheidsoverschrijding op het gebied van de controle op de verzekeringsondernemingen niet kan worden verantwoord op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.19. Het derde middel is gegrond. De bestreden bepalingen schenden de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 2°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De artikelen 35, 44 en 45 van het bestreden decreet dienen bijgevolg te worden vernietigd, maar alleen in zoverre zij van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen.

Ten aanzien van de « lokale leidinggevende functie », de maximumbedragen inzake bezoldiging, de concurrentiebedingen en de bepalingen betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst B.20.1. Artikel 47 van het bestreden decreet vervangt artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.

Die bepaling definieert het begrip « lokale leidinggevende functie » als volgt : « 7° lokale leidinggevende functie : de persoon die de hoogste hiërarchische positie bekleedt, krachtens een arbeidsovereenkomst of een statuut in dienst genomen in een intercommunale, een vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, een zelfstandig gemeentelijk of provinciaal bedrijf, een gemeentelijke of provinciale vzw, een projectvereniging, een huisvestingsmaatschappij, een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie ».

B.20.2. Artikel 56 van het bestreden decreet voegt in het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie een artikel L5321-1 in dat maximumbedragen inzake bezoldiging vaststelt voor de titularissen van lokale mandaten. Die bepaling bevat een paragraaf 6 die als volgt is geformuleerd : « Het maximale jaarlijkse brutobedrag van de bezoldiging van de houder van de plaatselijke leidinggevende functie mag niet hoger zijn dan het bedrag opgenomen in bijlage 4 ».

Bij artikel 82 van het bestreden decreet wordt bijlage 4 in hetzelfde Wetboek ingevoegd. Met toepassing van die tekst bedraagt het jaarlijks maximaal brutobedrag van de bezoldiging voor de titularis van de leidinggevende functie van een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie 245 000 euro, geïndexeerd, en kan geen enkel ander personeelslid een bezoldiging krijgen die hoger is dan die bezoldiging.

B.20.3. Artikel 76 van het bestreden decreet voegt in het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie een artikel L6434-1, § 4, in, dat bepaalt : « Indien de titularis van de lokale leidinggevende functie zijn functies in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefent, kan een concurrentiebeding worden ingevoegd vóór het einde van de contractuele relaties of op het ogenblik van de verbreking met inachtneming van de voorwaarden bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met name met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.

Een overeenkomst van concurrentiebeding kan worden afgesloten na afloop van de contractuele relaties met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.

De concurrentiebeding is hoe dan ook voor een periode van maximaal zes maanden voorzien. De vergoeding ontvangen in dat opzicht is niet hoger dan de basisbezoldiging voor de helft van de voorziene periode van concurrentiebeding ».

Wat de federale bevoegdheid inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid betreft B.21. De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending, door de voormelde bepalingen, van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, 6, § 1, VIII, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt : « Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor : [...] 12° het arbeidsrecht en de sociale zekerheid ». B.22. De bestreden bepalingen beperken de bezoldiging van de titularis van de leidinggevende functie van de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie en van alle andere personeelsleden van die maatschappijen, en bieden de mogelijkheid een beperkt concurrentiebeding in te voegen in de arbeidsovereenkomst van de titularis van de leidinggevende functie. Zij regelen aldus aspecten van het arbeidsrecht die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen.

B.23.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals die zijn vermeld in B.18.1, vervuld zijn.

B.23.2. Uit de memorie van toelichting van het bestreden decreet blijkt dat de decreetgever het noodzakelijk achtte « de persoonlijke aansprakelijkheid van de mandatarissen te versterken, ongeacht of zij verkozen of aangewezen zijn in lokale of bovenlokale structuren of in de filialen daarvan » en « striktere regels uit te werken [...] om misbruik te voorkomen ». Het striktere kader van de bezoldigingen en de begrenzing van de bezoldiging voor de lokale leidinggevende functie maken deel uit van die regels ter voorkoming van misbruik (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1047/1, p. 3).

B.24.1. De decreetgever kon, teneinde de doelstellingen te bereiken die hij nastreefde inzake goed bestuur en transparantie binnen de lokale structuren waarop hij toezicht uitoefent, het noodzakelijk achten de bestreden bepalingen aan te nemen. Het komt hem immers toe een gezond beheer te waarborgen van de vennootschappen waarvan het kapitaal voor meer dan 50% uit overheidsmiddelen bestaat. Na te hebben vastgesteld dat er situaties bestonden die onverzoenbaar waren met het beleid dat hij op dat gebied wilde voeren, vermocht hij de nodige bepalingen aan te nemen om die situaties te corrigeren en te voorkomen dat zij zich opnieuw zouden voordoen.

B.24.2. De begrenzing van de bezoldigingen in bepaalde vennootschappen en de mogelijkheid om een beperkt concurrentiebeding in te voegen doen geen afbreuk aan de essentiële elementen van de federale reglementering op de arbeidsovereenkomsten, zodat kan worden aangenomen dat de bestreden bepalingen elementen van het arbeidsrecht regelen die zich tot een gedifferentieerde regeling lenen.

B.24.3. Ten slotte is de weerslag van de bestreden bepalingen op de federale bevoegdheid inzake arbeidsrecht marginaal, aangezien slechts een welbepaalde categorie van vennootschappen te maken heeft met de toepassing van de bestreden decreetsbepalingen.

B.25. Het vierde middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie B.26. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 27 van de Grondwet, met artikel 7 van het decreet d'Allarde en de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, met de artikelen 16 en 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de vrijheden van verkeer verankerd in de artikelen 28, 45, 49, 54 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met artikel 133 van de richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 « betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) ». Dat middel beoogt de artikelen 7, 9, 31, 35, 38 tot 41, 44, 45, 47 tot 49, 51, 52, 62, 67 tot 80 van het bestreden decreet.

Dat middel bestaat uit vier onderdelen waarbij het Hof wordt verzocht de situatie van de aan de bestreden bepalingen onderworpen vennootschappen te vergelijken met de situatie van de andere verzekeringsmaatschappijen die niet eraan onderworpen zijn (eerste onderdeel), met de situatie van de vennootschappen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in handen zijn van het Waalse Gewest of van de openbare rechtspersonen die de emanatie ervan zijn (tweede onderdeel), met de situatie van de verzekeringsmaatschappijen die in handen zouden zijn van het Waalse Gewest of van de openbare rechtspersonen die de emanatie ervan zijn (derde onderdeel) en met de instellingen voor de financiering van pensioenen die zijn opgericht op grond van de wet van 27 oktober 2006 « betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen » (vierde onderdeel).

B.27. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.28.1. Rekening houdend met de gedeeltelijke vernietiging van die bepaling, zoals vermeld in B.9, is artikel L1532-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals vervangen bij het bestreden artikel 35, van toepassing op de vennootschappen waarin een intercommunale of een filiaal van een intercommunale een participatie heeft en waarvan meer dan 50% van het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet op gedeelde wijze, in handen is van « gemeenten, provincies, OCMW's, intercommunales, zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven, gemeentelijke of provinciale vzw's, projectverenigingen, verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de huisvestingsmaatschappijen of rechtspersonen of feitelijke verenigingen waarin meerdere voornoemde overheden verenigd zijn ».

De andere bestreden bepalingen zijn van toepassing op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie, zoals gedefinieerd bij artikel L5111-1, 10°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, dat werd ingevoegd bij artikel 47 van het bestreden decreet, als zijnde, rekening houdend met de gedeeltelijke vernietiging van die bepaling - zoals vermeld in B.9 - de vennootschappen waarvan meer dan 50% van het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks in handen is van gemeenten, provincies, OCMW's, intercommunales, zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven, projectverenigingen, verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, huisvestingsmaatschappijen, of rechtspersoon of feitelijke vereniging waarbij meerdere voornoemde overheden aangesloten zijn, alleen of samen met het Waalse Gewest, een instelling bedoeld in artikel 3, § 1 tot § 7, lid 1, van het decreet van 12 februari 2004 « betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet ».

B.28.2. De in het middel bekritiseerde verschillen in behandeling berusten op het criterium van de herkomst van de geldmiddelen die in de betrokken vennootschap worden geïnvesteerd. De bestreden bepalingen zijn van toepassing wanneer meer dan de helft van de aandeelhouders van de vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks bestaat uit een of meer lokale overheden die zijn opgesomd in artikel L1532-5 of in artikel L5111-1, 10°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.

Dat criterium is objectief. Het Hof moet onderzoeken of het pertinent is in het licht van het voorwerp van de bestreden bepalingen en van het door de decreetgever nagestreefde doel.

B.29.1. De bestreden bepalingen creëren onverenigbaarheden voor de titularissen van de leidinggevende functies in de betrokken vennootschappen (artikelen 7, 9, 31, 38 tot 41 en 62) en verplichten hen bepaalde aangiften te doen (artikelen 48 en 49), zodat zij de mogelijkheden tot aanwerving voor die functies beperken. Zij leggen een aantal verplichtingen vast die de beslissingsbevoegdheid van de beheersorganen van de betrokken vennootschappen beperken, wat betreft het nemen of intrekken van participaties in andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen, het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden (artikel 35), de vergoedingen, bezoldigingen en voordelen in natura die worden toegekend aan de leden van het voornaamste beheersorgaan en aan de personeelsleden (artikel 52). Zij onderwerpen de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie aan het gewone administratief toezicht dat door het Waalse Gewest wordt uitgeoefend (artikel 44) en staan de toezichthoudende overheid toe een bijzondere commissaris aan te wijzen die gemachtigd is om, in bepaalde omstandigheden, alle maatregelen te treffen in de plaats van de in gebreke gebleven overheid (artikel 45).

Ten slotte leggen zij hun regels op inzake bestuur en transparantie (artikelen 67 tot 80).

B.29.2. De memorie van toelichting van het bestreden decreet geeft aan dat het de weergave is van de aanbevelingen die werden geformuleerd in het verslag van 6 juli 2017 van de parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoeken van de transparantie en de werking van de « PUBLIFIN-groep ». De decreetgever oordeelde dat de omzetting van de aanbevelingen van dat verslag in Waalse rechtsinstrumenten van algemeen belang was. Om een einde te maken aan situaties die de decreetgever beschouwde als onverenigbaar met zijn beleid inzake bestuur en transparantie binnen de lokale en bovenlokale structuren of in hun filialen en om te voorkomen dat zij zich opnieuw zouden voordoen, oordeelde hij dat het onontbeerlijk was « de perimeter van de instellingen en mandatarissen die door de bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie worden beoogd aanzienlijk [uit te breiden], door de uitoefening van het toezicht en door de controle vanwege de ' Direction de contrôle des mandats locaux ' (Directie voor de controle van de lokale mandaten) » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1047/1, p. 3).

B.30.1. In het licht van dat doel is het criterium van onderscheid tussen de vennootschappen die aan de bestreden bepalingen onderworpen zijn en die welke dat niet zijn pertinent omdat het de gewestelijke en lokale overheden toelaat een controle uit te oefenen op de private vennootschappen die de emanatie zijn van publiekrechtelijke rechtspersonen die zelf onderworpen zijn aan de controle vanwege de gewestelijke overheden. Men mag immers ervan uitgaan dat een privaatrechtelijke vennootschap waarvan het kapitaal, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 50% uit overheidsgelden bestaat, een emanatie is van de publiekrechtelijke rechtspersonen waaruit zij bestaat, en dat zij in die hoedanigheid kan worden onderworpen aan controles vanwege de openbare overheden.

B.30.2. Wat overigens de vergelijking betreft tussen de vennootschappen waarop de bestreden bepalingen van toepassing zijn en de vennootschappen die rechtstreeks of onrechtstreeks in handen zijn van het Waalse Gewest of van de openbare rechtspersonen die de emanatie ervan zijn, dient te worden opgemerkt dat, bij twee decreten die werden aangenomen op dezelfde dag als het bestreden decreet (decreet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen » en decreet van 29 maart 2018 « tot wijziging van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet en [van] het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 12 [lees : artikel 138] van de Grondwet [, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen] »), de decreetgever eveneens een goed bestuur en transparantie heeft willen verzekeren binnen de door het Waalse Gewest gecontroleerde rechtspersonen. Zonder dat het noodzakelijk is de bepalingen die gelden voor de door de lokale overheden gecontroleerde vennootschappen en die welke gelden voor de door het Gewest gecontroleerde vennootschappen precies te vergelijken, volstaat het vast te stellen dat de verschillen tussen die bepalingen verantwoord zijn door het verschil in aard van de overheden die aandeelhouder zijn.

B.31. Rekening houdend met het feit dat, als gevolg van de vernietiging van de bestreden artikelen 35, 44 en 45 zoals omschreven in B.19, die bepalingen niet van toepassing zijn op de verzekeringsmaatschappijen, hebben de bestreden bepalingen geen onevenredige gevolgen voor de betrokken privaatrechtelijke vennootschappen. De verplichtingen die zij opleggen aan de vennootschappen die eraan onderworpen zijn, hebben immers tot doel een goed bestuur binnen die vennootschappen te waarborgen, iets waaruit zij enkel voordeel kunnen halen. Die verplichtingen, die weliswaar vereisen dat bepaalde besluitvormingsprocessen worden gewijzigd, lijken niet overdreven zwaar wat de uitvoering ervan betreft.

Overigens lijken de beperkingen die zijn opgelegd voor de vergoedingen niet onredelijk en laten zij voldoende onderhandelingsmarge om competent en gemotiveerd personeel te kunnen aanwerven.

B.32. Zonder dat het noodzakelijk is te oordelen over de vraag of privaatrechtelijke rechtspersonen die door de lokale overheden worden gecontroleerd zich kunnen beroepen op de vrijheid van vereniging die is gewaarborgd bij artikel 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, volstaat het vast te stellen dat een beperking van die vrijheid door de bestreden bepalingen verantwoord zou zijn door het doel van de wetgever dat in B.29.2 in herinnering is gebracht.

B.33. Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de andere referentienormen die zij in het middel aanhaalt, door de bestreden bepalingen zouden worden geschonden.

B.34. Het vijfde middel is, in geen enkel onderdeel ervan, gegrond.

Om die redenen, het Hof 1. wijst de afstand toe van de verzoekende partij in de zaak nr.7055; 2. vernietigt : - in artikel L1532-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals vervangen bij artikel 35 van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen », de woorden « of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste beheersorgaan bereikt »; - in artikel L5111-1, 10°, van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 47 van het voormelde decreet van 29 maart 2018, de woorden « of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste bestuursorgaan aanwijzen »; - de artikelen L1532-5, L3111-1, § 1, 8°, en L3116-1 van hetzelfde Wetboek, die respectievelijk zijn vervangen en ingevoegd bij de artikelen 35, 44 en 45 van hetzelfde decreet, maar enkel in zoverre zij van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen; 3. verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari 2020.

De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût

^