Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 05 december 2013

Uittreksel uit arrest nr. 133/2013 van 10 oktober 2013 Rolnummer : 5500 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

bron
grondwettelijk hof
numac
2013206304
pub.
05/12/2013
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 133/2013 van 10 oktober 2013 Rolnummer : 5500 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beschikking van 4 oktober 2012 in zake de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » tegen de Belgische Staat en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 oktober 2012, heeft de kamer zitting houdende in kort geding van de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « a) Schenden de artikelen 17 en 18 van de wet van 10 oktober 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/10/1967 pub. 10/09/1997 numac 1997000085 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het Gerechtelijk Wetboek - Duitse vertaling van de artikelen 728 en 1017 sluiten houdende het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat het daarin vereiste belang om in rechte op te treden, voor de rechtspersonen, alleen datgene omvat wat betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen en de morele rechten ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij, voor de gewone rechtscolleges, beletten dat een vereniging een vordering instelt die overeenstemt met een van haar statutaire doelen en ertoe strekt een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, terwijl artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof niet belet dat een vereniging voor het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging instelt dat dezelfde doelen of zelfs enkel een statutair doel nastreeft ? b) Schenden de artikelen 17 en 18 van de wet van 10 oktober 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/10/1967 pub. 10/09/1997 numac 1997000085 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het Gerechtelijk Wetboek - Duitse vertaling van de artikelen 728 en 1017 sluiten houdende het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat het daarin vereiste belang om in rechte op te treden, voor de rechtspersonen, alleen datgene omvat wat betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen en de morele rechten ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met of gelezen in het licht van de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, enerzijds, de verenigingen die een vordering instellen die overeenstemt met een van hun statutaire doelen om een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, anderzijds, die welke in rechte optreden om alleen de belangen van hun leden te verdedigen of een vordering instellen met betrekking tot een niet-statutair doel, of nog, tot een algemeen belang van minder fundamentele aard of zonder hetzelfde niveau van internationale bescherming, op dezelfde manier behandelen, terwijl zij zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Die artikelen bepalen : «

Art. 17.De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Art. 18.Het belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn.

De rechtsvordering kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat, volgens de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, zou bestaan onder rechtspersonen naargelang zij bij de gewone rechtscolleges een rechtsvordering instellen die in overeenstemming is met een van hun statutaire doelen en ertoe strekt een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dan wel zij bij het Hof met hetzelfde doel of enkel met een statutair doel een beroep tot vernietiging instellen : de eersten zouden hun vordering onontvankelijk verklaard zien krachtens de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek in die interpretatie dat hun belang om in rechte op te treden alleen datgene omvat wat betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen en de morele rechten ervan, terwijl de tweeden hun vordering ontvankelijk verklaard zullen kunnen zien overeenkomstig artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof.

B.3.1. Zowel de in het geding zijnde artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek als artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof leggen als voorwaarde voor ontvankelijkheid op dat een belang om in rechte te treden wordt aangetoond. Die vereiste is, zowel voor de gewone rechtscolleges als voor het Hof, het gevolg van de zorg om de actio popularis niet toe te laten.

Het is aan de gewone rechtscolleges, enerzijds, en aan het Grondwettelijk Hof, anderzijds, dat de wetgever de zorg heeft toevertrouwd om, in hun respectievelijke bevoegdheidsdomeinen, de inhoud van die belangvereiste te bepalen.

B.3.2.1. De in het geding zijnde bepalingen stellen het beginsel vast volgens hetwelk de vereiste van een belang om in rechte te treden, als gemeen recht van de gerechtelijke procedure, zowel aan de natuurlijke personen als aan de verenigingen en andere rechtspersonen wordt opgelegd, onverminderd de wetten die de wetgever zou aannemen om aan verenigingen of aan andere rechtspersonen een specifiek vorderingsrecht toe te vertrouwen.

Zo staat in het verslag van de Koninklijk Commissaris voor de Gerechtelijke Hervorming vermeld : « Moest te dezer gelegenheid aan verenigingen al of niet de machtiging worden toegekend om in rechte op te treden tot vrijwaring van collectieve belangen ? Sommige voorbeelden uit het vergelijkend recht kunnen ongetwijfeld worden aangehaald. Zo hebben in de Verenigde Staten, evenals in Groot-Brittannië verenigingen, die opgericht zijn tot bescherming of verdediging, zoals van kinderen, hun recht tot optreden kunnen doen erkennen. In Frankrijk werd daarentegen voor dertig jaar een voorstel neergelegd dat ertoe strekte aan verenigingen met erkend openbaar nut een recht tot dagvaarding te doen toekennen : het werd afgewezen. Maar, voordat daarin werd voorzien door wetten, decreten of verordeningen, heeft men aangenomen dat, de rechtspersonen, de beroepsorden en -verenigingen in rechte kunnen optreden voor de vrijwaring van hun collectieve belangen. Of deze rechtspraak kan uitgebreid worden tot de ontvankelijkheid van vorderingen van verdedigingsverenigingen of van private beroepsgroeperingen, stelt een probleem met veel aspecten dat de regels van de rechtspleging te buiten gaat. In onze rechtspraak bestaan talrijke toepassingen van de erkenning van het recht tot optreden van verenigingen, ofwel ter verdediging van hun eigen belangen, wat vanzelf spreekt, ofwel voor de collectieve verdediging van de belangen van hun leden, zo deze laatsten individueel geschaad werden. Het Gerechtelijk Wetboek staat hun dit evenals gisteren toe, zo hun belang gerechtvaardigd is. Maar voor de beoordeling daarvan moet men zich bij het oordeel van de rechtbanken neerleggen. Hun toezicht geeft de mogelijkheid de klip te omzeilen die erin bestaat dat ' verenigingen met de meest verscheiden oogmerken vrij en zonder ernstige waarborgen kunnen opgericht worden ' en zich als titularis van de rechten voordoen » (Parl. St., Senaat, 1963-1964, nr. 60, pp. 23 en 24).

B.3.2.2. De gewone rechtscolleges hebben van de beoordelingsbevoegdheid die hun is toegekend een gebruik gemaakt dat afhankelijk is van het contentieux waarvan zij kennis dienen te nemen, zoals is bepaald in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet.

Zo heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Overwegende dat het eigen belang van een rechtspersoon alleen datgene omvat wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam, raakt;

Dat het enkele feit dat een rechtspersoon of een natuurlijke persoon een doel, ook al is het statutair, nastreeft, geen eigen belang doet ontstaan » (Cass., 19 september 1996, Arr. Cass., 1996, nr. 319).

B.3.3. Het Grondwettelijk Hof heeft, zijnerzijds, als voorwaarde van ontvankelijkheid van een beroep tot vernietiging aanvaard dat de vereiste van een belang die is opgenomen in artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten, overeenkomstig artikel 142, derde lid, van de Grondwet, een vereniging of een groepering niet belet om in rechte op te treden voor de verdediging van een statutair doel of voor de verdediging van de belangen van haar leden; het vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang, dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van haar leden is beperkt, dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt en dat niet blijkt dat het maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.3.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling, dat voortvloeit uit de autonome interpretatie van de ontvankelijkheidsvoorwaarden door rechtscolleges die in hun eigen bevoegdheidssfeer optreden, wordt verantwoord door de omstandigheid dat de partijen in een geschil dat aan de gewone rechtscolleges is voorgelegd zich in een situatie bevinden die wezenlijk verschillend is van die van de partijen voor het Hof : terwijl de eersten in rechte optreden om een einde te maken aan de schending van een recht waarvan zij beweren houder te zijn (subjectief contentieux), betwisten de tweeden de geldigheid van een wetskrachtige norm (objectief contentieux); de eersten kunnen slechts een gerechtelijke beslissing verkrijgen met beperkte gevolgen inter partes (artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl de tweeden, indien het Hof het beroep gegrond acht, een beslissing met gevolgen erga omnes kunnen verkrijgen (artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten).

Aangezien de vordering die door de eersten wordt ingesteld het bestaan veronderstelt van een rechtstreeks verband tussen hen en het recht dat zij aanvoeren alsmede de beslissing die zij vorderen, zijn de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek niet discriminerend indien zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de onontvankelijkheid van de vordering opleggen wanneer dat rechtstreeks verband niet is aangetoond. De in het geding zijnde maatregel is niet onevenredig vermits de schending van dat recht kan worden aangevochten door de rechtzoekende ten aanzien van wie het is geschonden.

De eisende partij voor de verwijzende rechter, die de vordering van collectief belang die zij voor hem heeft ingesteld tracht te verdedigen, doet weliswaar gelden dat te dezen diegenen ten aanzien van wie het recht is geschonden, niet in staat zouden zijn die schending aan te vechten. Uit de elementen die zij aanvoert om dat standpunt te verdedigen blijkt echter dat zij betrekking hebben op bepalingen die niet het voorwerp zijn van de prejudiciële vraag.

B.3.5. De wetgever zou weliswaar, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, bepalingen kunnen aannemen die de rechtspersonen de mogelijkheid bieden bij de gewone rechtscolleges rechtsvorderingen in te stellen zoals die welke is beschreven in B.2. De omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan, leidt evenwel niet ertoe ervan uit te gaan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling discriminerend zou zijn.

B.4. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.5. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de gelijkheid van behandeling die, volgens de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, zou bestaan tussen de rechtspersonen die een vordering instellen die in overeenstemming is met een van hun statutaire doelen om een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en de rechtspersonen die in rechte optreden om de belangen van hun leden te verdedigen of een vordering instellen met betrekking tot een niet-statutair doel, of nog, met betrekking tot een algemeen belang van minder fundamentele aard of zonder hetzelfde niveau van internationale bescherming : de enen en de anderen zouden geen vordering in rechte kunnen instellen omdat zij niet doen blijken van een belang overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek in die interpretatie dat hun belang om in rechte op te treden alleen datgene omvat wat betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen en de morele rechten ervan. Aan het Hof wordt gevraagd te onderzoeken of die gelijke behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.6. De eiseres voor de verwijzende rechter betwist de relevantie van de prejudiciële vraag, waarbij zij doet gelden dat aangezien de toepassing van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek strijdig is met beginselen die te maken hebben met de waardigheid van de personen en met het recht van toegang tot de rechter, zij krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek buiten toepassing moeten worden gelaten.

B.7. Het is aan de verwijzende rechter dat het toekomt te beslissen over de toepassing van de bepalingen die hij aan de toetsing van het Hof voorlegt, op het geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt. Het Hof zou de relevantie van de prejudiciële vraag slechts kunnen betwisten indien de beoordeling van de verwijzende rechter klaarblijkelijk niet verantwoord zou zijn.

Aangezien de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek tot doel hebben het belang te bepalen dat de partijen dienen aan te tonen om te worden toegelaten om voor de verwijzende rechter in rechte op te treden, kan de prejudiciële vraag waarvan zij het voorwerp zijn niet als irrelevant worden beschouwd.

B.8. De eisende partij voor de verwijzende rechter ziet haar toegang tot de gewone rechtscolleges beperkt door de in het geding zijnde bepalingen, geïnterpreteerd zoals in B.5 is aangegeven. Die beperking streeft een wettig doel na, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium « nul ne plaide par procureur ».

B.9. De wetgever heeft verscheidene wetten aangenomen waarbij hij aan bepaalde verenigingen die een collectief belang nastreven een vorderingsrecht toekent, onder meer om de verenigbaarheid van de Belgische wetgeving met de bepalingen van internationaal recht die België binden, te verzekeren. In dat opzicht kan worden aangenomen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de wetgever niet ertoe dwingen die mogelijkheid uit te breiden tot alle verenigingen.

B.10. Bepaalde wetten hebben het mogelijk gemaakt bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde een vorderingsrecht toe te kennen aan verenigingen die een collectief belang aanvoeren dat verband houdt met de bescherming van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is. Dat geldt voor de wet van 30 juli 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1981 pub. 20/05/2009 numac 2009000343 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden (artikel 32), de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd (artikel 4), de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (artikel 30) en de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (artikel 35).

B.11. De rechtspersonen die, zoals te dezen, een vordering instellen die overeenstemt met een van hun statutaire doelen, om een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die onontvankelijk wordt verklaard omdat zij geen betrekking heeft op het bestaan van de rechtspersoon, de vermogensgoederen of de morele rechten ervan, worden derhalve gediscrimineerd ten opzichte van de verenigingen bedoeld in B.10 : beiden voeren immers een collectief belang aan dat verband houdt met de bescherming van de fundamentele vrijheden.

Het komt echter aan de wetgever toe te preciseren onder welke voorwaarden een vorderingsrecht kan worden toegekend aan de rechtspersonen die een vordering wensen in te stellen die overeenstemt met hun statutair doel en de bescherming beoogt van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is.

Daaruit volgt dat, in afwachting van een optreden van de wetgever in die zin, de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals de verwijzende rechter ze interpreteert, niet discriminerend zijn.

B.12. De combinatie van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie.

B.13. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De ontstentenis van een wetsbepaling waarin wordt gepreciseerd onder welke voorwaarden een vorderingsrecht kan worden toegekend aan de rechtspersonen die een vordering wensen in te stellen die overeenstemt met hun statutair doel en de bescherming beoogt van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2013.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels

^