Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 22 januari 2009

Uittreksel uit arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 Rolnummers 4313, 4354, 4357, 4366 en 4370 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2008204740
pub.
22/01/2009
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 Rolnummers 4313, 4354, 4357, 4366 en 4370 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, ingesteld door Marie-Claire Brialmont en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 oktober 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 oktober 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007, tweede editie), door Marie-Claire Brialmont, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 3, Patricia Ledent, wonende te 6620 Fleurus, rue Oblique 5, Eric Ledent, wonende te 4801 Stembert, rue du Panorama 110, Pascale Ledent, wonende te 4910 Theux, chaussée de Verviers 127, Sylvain Ledent, wonende te 4800 Ensival, rue Gueury 1, Didier Christiaen en Patricia Catteeuw, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 5, Rafael Lopez Angusto en Dominique Degueldre, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 7, Michel Pirard en Tiziana Tamburini, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 9, Guy Hennus en Véronique Lassine, wonende te 4750 Bütgenbach, Champagner Strasse 8, Serge Fohal en Catherine Rikir, wonende te 4840 Welkenraedt, rue de l'Ecole 8, Yves Mouchamps, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 12, Christine Closter, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 15, Christian Gilles en Léontine Crutzen, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 17, Claude Bayetto en Madeleine Conrath, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 22, Pierangelo Porcu en Myriam Etienne, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 24, Carine Guillitte en Xavier Cortisse, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 26, Alain Guillot en Cécile Corman, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 28, en Jean-Marc Lemin en Renate Haag, wonende te 4821 Andrimont, Clos de Hombiet 32.b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2007, is beroep tot gehele of gedeeltelijke (de artikelen 7, 13 en 14) vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Jean Jeukens, wonende te 4680 Hermée, rue de la Wallonie 49, Rita Knaepen, wonende te 4560 Clavier, Odet 51, Sylvie Vercheval, wonende te 4600 Wezet, Allée d'Espagne 45, Lucie Leflot, wonende te 4500 Hoei, Ruelle Mottet 1, Francis Roussia, wonende te 4550 Saint-Séverin, Petit Fraineux 53, en Daniel Legaye, wonende te 4530 Villers-le-Bouillet, Clos de la Panneterie 50.c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door het Algemeen Belgisch Vakverbond, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42, het Algemeen Christelijk Vakverbond, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, Frédéric Deleu, wonende te 7700 Moeskroen, Iseghemstraat 60, Harry Broxson, wonende te 4821 Dison, Tombeux 6, Paule Ghiot, wonende te 7604 Braffe, rue du Gros Tilleul 7D, Sandrine Legrand, wonende te 5330 Assesse, Mianoye 2, Monique Laisse, wonende te 1300 Waver, rue de la Corderie 34, Jean-Claude Berlage, wonende te 5000 Beez, rue des Myrtilles 13, Annick Leclercq, wonende te 5380 Forville, rue de Branchon 83, Christine De Greef, wonende te 6041 Gosselies, avenue Pontus de Noyelles 15, Michèle Baiwir, wonende te 4000 Luik, rue des Tawes 19, Michel Vidic, wonende te 4623 Magnée, rue des Peupliers 40, Valérie De Coninck, wonende te 4000 Luik, boulevard de la Sauvenière 60, Vanessa Vanstechelman, wonende te 4680 Oupeye, rue du Roi Albert 187, Carine Clotuche, wonende te 4000 Luik, rue de Campine 451, Laurence Duquesne, wonende te 4020 Luik, Quai de la Dérivation 23, Raymond Vrijdaghs, wonende te 4140 Rouvreux, Grand Route 100, Giovanni Presciutti, wonende te 6760 Virton, Faubourg d'Arival 70, Ghislaine Mathay, wonende te 6717 Tontelange, Am Pad 191, Sabrina Arduini, die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, Loksumstraat 25, Célia Vandenhove, wonende te 7800 Aat, rue de l'Abbaye 58/10, Nathalie Meert, wonende te 7334 Hautrage, rue des Prés 39, Andreina Marredda, wonende te 7331 Baudour, rue des Eaux Chaudes 1, Marie-Christine De Beer, wonende te 7100 La Louvière, rue des Hêtres 7, Jean-Pierre Robert, wonende te 7120 Estinnes-au-Mont, rue de la Station 4, Marjolaine Romiti, wonende te 7390 Wasmuel, rue Auguste Mouzin 26, Christelle Lempereur, wonende te 7140 Morlanwelz, rue des Ateliers 112, Vincent Van Leynseele, wonende te 7700 Moeskroen, Sint-Germanastraat 213, Grégory Maes, wonende te 7500 Doornik, rue de la Culture 127, Yves-Alexandre Dumont, wonende te 7500 Doornik, rue de l'Escalette 97, Virginie Vermeulen, wonende te 7700 Moeskroen, Doolhofstraat 22, Martin Klöcker, wonende te 4711 Walhorn, Ketteniser Strasse 48, Karel Hendrickx, wonende te 2040 Antwerpen, Cecilianenstraat 22, Filip De Wispelaere, wonende te 8310 Brugge, Konijnenpad 7, Marie Anseeuw, wonende te 9200 Grembergen, Rootjensweg 42, Henri Leus, wonende te 2627 Schelle, Fabiolalaan 106, Christiaan Quistwater, wonende te 2640 Mortsel, Meidoorn 46, Ilse Jacquemyn, wonende te 1910 Kampenhout, Aarschotsebaan 114, Nicole Wens, wonende te 2650 Edegem, Boniverlei 262, Christine Van Goethem, wonende te 2050 Antwerpen, Buizegemlei 118, Joannes Helsen, wonende te 2050 Antwerpen, Galgenweellaan 48, Alain Vermote, wonende te 1800 Vilvoorde, Romeinsesteenweg 184, Mieke De Ke, wonende te 9000 Gent, Aaigemstraat 20, Johan Herreman, wonende te 9667 Sint-Maria-Horebeke, Dorpsstraat 87, Anita Van Vaerenbergh, wonende te 9300 Aalst, Korte Vooruitzichtstraat 4, Sanny Uytterhaegen, wonende te 9620 Zottegem, Hospitaalstraat 52, Doris Van Becelaere, wonende te 9300 Aalst, Immerzeeldreef 255, Willy Price, wonende te 1745 Mazenzele, Heerbaan 25, Gerrit Jappens, wonende te 1820 Steenokkerzeel, Dijkstraat 22, Johan Van Snick, wonende te 2800 Mechelen, Stenenmolenstraat 190, Johan Van Waelegehem, wonende te 9920 Lovendegem, Veldstraat 24, Christine Verhoeven, wonende te 3212 Pellenberg, Fonteinstraat 8, Herman Iliaens, wonende te 3140 Keerbergen, Putsebaan 76, Joost Van den Bussche, wonende te 9111 Belsele, Louis Paul Boonlaan 65, Marc De Westelinck, wonende te 9140 Elversele, Stokthoekstraat 51, Marc Smet, wonende te 2930 Brasschaat, Oude Hoeveweg 9/5, Cynthia Boehlen, wonende te 3202 Rillaar, Diestsesteenweg 459, Luc Cortebeek, wonende te 2830 Willebroek-Blaasveld, Krommestraat 94, Claude Rolin, wonende te 6880 Bertrix, rue de Bohémont 58, Marc Leemans, wonende te 1785 Merchtem, Leireken 135, Rudy De Leeuw, wonende te 9470 Denderleeuw, Hageveld 46, Paul Palsterman, wonende te 1120 Brussel, Kraatveldstraat 111, Ferdy Van Meel, wonende te 2170 Merksem, Lambrechtshoekenlaan 118/5R, en Katrien Adriaenssens, wonende te 2170 Merksem, Vrijhandelsstraat 66.d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Jacques Riguelle, wonende te 1400 Nijvel, Faubourg de Soignies 66B, de bvba « PP Café », met maatschapppelijke zetel te 1000 Brussel, Jules Van Praetstraat 28, en Bruno Pirotte, wonende te 1420 Eigenbrakel, chaussée d'Alsemberg 674.e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 december 2007, heeft de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 154, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4313, 4354, 4357, 4366 en 4370 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden wet B.1.1. De beroepen hebben betrekking op de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Die wet wijzigt sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van strafvordering teneinde een deel van de kosten van de bijstand van de advocaat van de partij die een proces wint, ten laste te leggen van de partij die in het ongelijk wordt gesteld.

B.1.2. Artikel 7 van de bestreden wet vervangt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek door de volgende bepaling : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.1.3. De artikelen 8 tot 12 van de bestreden wet wijzigen verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken.

B.1.4. Artikel 13 van de bestreden wet bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 ervan « van toepassing [zijn] op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden ». Op grond van artikel 14 ervan treedt de wet in werking op de door de Koning vastgestelde datum. Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bepaalt die datum op 1 januari 2008.

B.2.1. De bestreden wet is in hoofdzaak het resultaat van een amendement van de Regering op een van de wetsvoorstellen betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van advocaten ingediend in de Senaat. Uit de verantwoording van dat amendement blijkt dat het « essentieel [...] de oplossing [betreft] die voorgesteld werd door de Orden van advocaten, die het voorwerp was van een gunstig advies van de Hoge Raad voor de Justitie ». De wetgever heeft de verhaalbaarheid verankerd « in het procesrecht, in onderhavig geval via de rechtsplegingsvergoedingen, namelijk de forfaitaire bedragen die vastgelegd zijn door de Koning, onder meer in functie van de aard of de belangrijkheid van het geschil » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 4).

B.2.2. In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht in die aangelegenheid op te treden naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004, waardoor de kwestie van de verhaalbaarheid « acuut » werd door te erkennen dat de erelonen van de advocaten deel kunnen uitmaken van de vergoedbare schade in het kader van de contractuele aansprakelijkheid (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 30;

Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 3). De wetgever heeft vastgesteld dat sinds dat arrest grote rechtsonzekerheid heerste en dat daaraan « zo snel mogelijk » een einde diende te worden gemaakt (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14) : « De rechtspraak is heel uiteenlopend en gaat van de soms eenvoudige verwerping van het beginsel tot de toekenning van hoge bedragen zonder speciale motivering. Bovendien heeft dat arrest vaak tot gevolg dat het tot een proces binnen het proces komt, zowel over het beginsel van de verhaalbaarheid zelf in een of ander geval, als over het bedrag dat hiervoor kan worden toegekend. Op die manier heeft men gezien dat een partij forfaitaire bedragen toegewezen kreeg, terwijl in andere gevallen de gedetailleerde kostenstaten en erelonen van de raadslieden in de debatten werden gebracht, wat fundamentele principiële vragen doet rijzen over het beroepsgeheim » (ibid., p. 13).

In het advies dat hij over de daaromtrent neergelegde wetsvoorstellen heeft uitgebracht, is ook de Hoge Raad voor de Justitie van oordeel dat « de verhaalbaarheid dringend wettelijk moet geregeld worden » (advies goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 januari 2006, Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-51/4, p. 4).

B.2.3. Sommige rechtscolleges hebben, nadat zij met de rechtspraak van het Hof van Cassatie werden geconfronteerd, prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof, dat in zijn arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006 voor recht heeft gezegd dat « de ontstentenis van wettelijke bepalingen die toelaten het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de eisende partij of van de burgerlijke partij, die in het ongelijk worden gesteld bij een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering, [...] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [schendt] », waarbij het heeft gepreciseerd dat « om een einde te maken aan die discriminatie, [...] het aan de wetgever [staat] te oordelen op welke wijze en in welke mate de verhaalbaarheid van het honorarium en van de kosten van een advocaat dient te worden georganiseerd ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 4357 wordt betwist door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (OBFG) en de Orde van de Vlaamse balies (OVB). De excepties van onontvankelijkheid zijn afgeleid uit de ontstentenis van juridische bekwaamheid van de verzoekende vakorganisaties, uit de ontstentenis van belang van alle verzoekers en ten slotte uit het onderwerp van het beroep.

B.3.2. In beginsel hebben feitelijke verenigingen, te dezen vakorganisaties, niet de vereiste bekwaamheid om bij het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen. Anders is het wanneer zij optreden in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als een afzonderlijke juridische entiteit zijn erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig betrokken zijn bij de werking van overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor hun betrokkenheid bij die werking in het geding zijn. In zoverre zij in rechte treden ter vernietiging van bepalingen die tot gevolg hebben dat aan hun prerogatieven wordt geraakt, moeten zulke organisaties voor de toepassing van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met een persoon worden gelijkgesteld.

B.3.3. Artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat arbeiders, bedienden en zelfstandigen, partijen in het geding, voor de arbeidsgerechten mogen worden vertegenwoordigd door een afgevaardigde van een representatieve organisatie van, naar gelang van het geval, arbeiders, bedienden of zelfstandigen. In de aangelegenheden waarin zij aldus daartoe wettelijk zijn gemachtigd, nemen de vakbondsafgevaardigden, zoals de advocaten, in belangrijke mate deel aan de rechtsbedeling. Er kan dus worden aangenomen dat de vakorganisaties in die mate wettelijk zijn betrokken bij de werking van de openbare dienst van het gerecht en dat zij moeten worden gelijkgesteld met personen in de zin van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 wanneer zij de vernietiging vorderen van bepalingen die indirect ertoe zouden kunnen leiden dat de voorwaarden inzake de uitoefening van hun opdracht van vertegenwoordiging voor de arbeidsgerechten worden aangetast.

B.3.4. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3.5. In zoverre de vakorganisaties en de vakbondsafgevaardigden die door die organisaties ermee zijn belast hun aangeslotenen in rechte te verdedigen, de vernietiging van de wet vorderen omdat die nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor hun praktijk inzake de verdediging in rechte en voor het aantal bij hen aangeslotenen, valt het onderzoek van hun belang om in rechte te treden samen met het onderzoek van de door hen aangevoerde middelen tot vernietiging.

Hetzelfde geldt voor de verzoekende partijen, die in dezelfde zaak hun hoedanigheid van aangeslotene bij een vakorganisatie aanvoeren.

B.3.6. Ten slotte kan de vaststelling dat de verzoekende partijen de bestreden wet verwijten dat zij het voordeel van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten niet uitbreidt tot de door een vakbondsafgevaardigde verdedigde rechtzoekenden, niet tot gevolg hebben dat het beroep onontvankelijk is. De vernietiging van de bestreden bepalingen zou immers tot gevolg hebben dat het door hen aangeklaagde verschil in behandeling tussen de advocaten en de vakbondsafgevaardigden verdwijnt. De verzoekende partijen zouden dan opnieuw de kans krijgen dat de wetgever met hun situatie rekening houdt bij de totstandkoming van een nieuwe regeling met betrekking tot die aangelegenheid.

B.3.7. De excepties worden verworpen.

Ten aanzien van het onderzoek van de middelen B.4. Het Hof zal de in de vijf verzoekschriften voorgestelde middelen onderzoeken door ze volgens de onderstaande thema's te groeperen : 1. De verenigbaarheid van de bestreden wet met het recht op de toegang tot de rechter en met het recht op juridische bijstand : 1.1. De verhaalbaarheid voor alle rechtzoekenden (B.5) 1.2. De verenigbaarheid van de delegatie aan de Koning met artikel 23 van de Grondwet (B.6) 1.3. De verhaalbaarheid voor de rechtzoekenden die juridische tweedelijnsbijstand genieten (B.7) 2. Het principe van de forfaitaire bedragen : 2.1. Het feit dat de advocatenkosten niet integraal als schade kunnen worden vergoed wanneer de burgerlijke aansprakelijkheid van de verliezende partij vaststaat (B.9) 2.2. Het feit dat geen rekening is gehouden met het roekeloze en tergende karakter van de procedure (B.10) 2.3. Het verschil in behandeling tussen de kosten en erelonen van advocaten en de kosten en erelonen van technisch raadgevers (B.11) 2.4. Het verschil in behandeling ten opzichte van de geschillen bedoeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (B.12) 2.5. Het verschil in behandeling tussen partijen volgens het aantal partijen met soortgelijke eisen (B.13) 2.6. Het verschil in behandeling tussen partijen naar gelang van hun financiële draagkracht of die van de tegenpartij (B.14) 2.7. Het verschil in behandeling tussen partijen wanneer de tegenpartij verstek laat gaan (B.15) 2.8. Het feit dat geen rekening is gehouden met het werkvolume dat de rechtspleging werkelijk met zich meebrengt (B.16) 3. De uitsluiting van de vakbondsafgevaardigden uit het toepassingsgebied van de wet (B.17 en B.18) 4. De gedeeltelijke toepassing van de verhaalbaarheid in strafzaken (B.19) 5. De onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken (B.20). 1. De verenigbaarheid van de bestreden wet met het recht op de toegang tot de rechter en met het recht op juridische bijstand 1.1. De verhaalbaarheid voor alle rechtzoekenden B.5.1. In de eerste twee onderdelen van het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, alsook uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, verwijt de verzoekende partij in de zaak nr. 4370 artikel 7 van de bestreden wet dat het de verhaalbaarheid invoert door het risico van de rechtspleging te laten dragen door de rechtzoekenden, hetgeen de toegang tot de rechter zou belemmeren voor de meest behoeftigen en, inzake de toegang tot de rechter, een verschil in behandeling op grond van het vermogen zou invoeren.

B.5.2. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

Artikel 23, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat de economische, sociale en culturele rechten onder meer het recht op « juridische bijstand » omvatten.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarborgen het recht op een eerlijk proces. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van het voormelde Internationaal Verdrag waarborgen het genot van dat recht zonder discriminatie.

B.5.3. Het recht op de toegang tot de rechter, dat een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces vormt, is fundamenteel in een rechtsstaat.

Uit de gehele parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever zich heeft bekommerd om de rechtszekerheid te waarborgen en een antwoord te bieden op de ontwikkeling van de rechtspraak inzake de verhaalbaarheid van de kosten van advocaten, alsook de toegang tot de rechter voor alle rechtzoekenden te vrijwaren. De toelichting bij het wetsvoorstel dat als basis heeft gediend voor de besprekingen, vangt aan als volgt : « Een ieder moet op een gelijkwaardige manier de mogelijkheid hebben via gerechtelijke procedures [toegang te hebben] tot het gerecht » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1686/1, p. 1). Evenzo wordt in de verantwoording van het amendement met betrekking tot artikel 7 van de bestreden wet, ingediend door de Regering, aangegeven dat de laatstgenoemde « aanvankelijk haar bezorgdheid [had] geuit over de mogelijke perverse effecten inzake de toegang tot het gerecht, indien de verhaalbaarheid niet strikt omkaderd zou zijn » en dat uiteindelijk is beslist om zich te scharen achter het voorstel van de Orden van de balies, « maar door het te voorzien van de nodige waarborgen om te vermijden dat de toegang tot het gerecht zou beperkt worden » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 4).

B.5.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de adviezen die de leden van de parlementaire commissies en de gehoorde deskundigen tijdens de besprekingen hebben uitgebracht, uiteenliepen over de vraag of de verhaalbaarheid de toegang tot de rechter al dan niet zou kunnen bevorderen. De Regering was zich aldus ervan bewust dat de verhaalbaarheid « zelfs een echte rem [kan] zijn voor bepaalde categorieën van rechtzoekenden » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14), terwijl de voorstanders van een regeling van de verhaalbaarheid de mening waren toegedaan dat « de mogelijkheid tot recuperatie van advocatenkosten de toegang tot het gerecht zal bevorderen, in het bijzonder voor personen met een beperkte financiële draagkracht die niet in aanmerking komen voor kosteloze juridische bijstand » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1686/1, p. 8). De voorstanders van de regeling steunden daarnaast op een aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, volgens dewelke « behoudens bijzondere omstandigheden, de winnende partij in beginsel van de verliezende partij de terugbetaling van haar kosten en uitgaven moet verkrijgen, met inbegrip van de erelonen van de advocaten, die zij redelijkerwijs heeft gemaakt in het kader van de rechtspleging » (Aanbeveling R(81)7 over de middelen om de toegang tot de rechter te bevorderen.

B.5.5. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen of hij al dan niet moet optreden naar aanleiding van een ontwikkeling in de rechtspraak en de maatregelen te nemen die hij geschikt acht om de rechtszekerheid en de gelijkheid onder de rechtzoekenden die door die ontwikkeling in het gedrang komen, snel te herstellen. Hij kan hierbij een keuze maken die hem op korte termijn uitvoerbaar lijkt, zelfs indien andere mogelijkheden zouden kunnen worden overwogen, wanneer die, teneinde te kunnen worden uitgevoerd, verder onderzoek, studie of onderhandelingen zouden hebben gevergd, hetgeen niet mogelijk leek op het ogenblik dat hij meende wetgevend te moeten optreden.

B.5.6. Vanuit zijn zorg voor de toegang tot de rechter heeft de wetgever ervoor gekozen de verhaalbaarheid strikt te omlijnen, door de stijging van het bedrag van de rechtsplegingsvergoedingen te beperken en aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toe te kennen waardoor hij dat bedrag kan aanpassen, binnen de door de Koning vastgestelde perken, teneinde rekening te houden met bijzondere omstandigheden en met name met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij. De regeling maakt het dus mogelijk de gevolgen van de verhaalbaarheid te beperken voor de partij die het proces verliest en niet over aanzienlijke financiële middelen beschikt.

De bestreden wet wijzigt artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek overigens niet, dat bepaalt dat in sommige geschillen betreffende de sociale zekerheid, de overheid steeds in de kosten wordt verwezen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ongeacht de afloop van het proces. Zij wijzigt evenmin artikel 1017, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat het de rechter mogelijk maakt de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, om te slaan « hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad ».

B.5.7. Onder voorbehoud van hetgeen zal worden onderzocht in verband met de rechtzoekenden die juridische bijstand genieten, blijkt niet dat de wetgever op onredelijke wijze gebruik zou hebben gemaakt van de beoordelingsvrijheid waarover hij ter zake beschikt.

B.5.8. Het eerste onderdeel en het tweede onderdeel van het middel zijn niet gegrond. 1.2. De verenigbaarheid van de delegatie aan de Koning met artikel 23 van de Grondwet B.6.1. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4370 verwijt artikel 1022, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 7 van de bestreden wet, dat het een machtiging aan de Koning bevat die in strijd is met het wettigheidsbeginsel dat is verankerd in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. De verzoekende partij is van mening dat de vaststelling van de basisbedragen, minima en maxima van de rechtsplegingsvergoeding, naar gelang van de grootte van de te kiezen bedragen, de toegang tot de rechter werkelijk kan belemmeren. Zij voegt eraan toe dat de machtiging noch duidelijk noch nauwkeurig is.

B.6.2. Tijdens de besprekingen in de Commissie voor de Justitie van de Kamer heeft de minister van Justitie eraan herinnerd « dat de ter bespreking voorliggende bepalingen het resultaat zijn van overleg met de ordes van advocaten, waarbij de discussie met name draaide rond het voornemen de basisminimum- en -maximumbedragen te bepalen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad » en heeft zij opgemerkt « dat een koninklijk besluit een soepeler en beter aangepast instrument is voor het beheer van technische gegevens die opnieuw moeten worden aangepast » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51 2891/002, p. 11).

B.6.3. Artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet verbiedt niet dat aan de Koning machtigingen worden verleend, voor zover zij betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan het onderwerp door de wetgever is aangegeven.

B.6.4. De wetgever heeft het beginsel van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in de wet opgenomen, het toepassingsgebied ervan bepaald en aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toegekend die is omlijnd door criteria die hijzelf heeft opgesomd. Hij heeft aldus het onderwerp van de maatregelen aangegeven waarvan hij de tenuitvoerlegging aan de Koning heeft overgelaten. Hij heeft eveneens bepaald dat de forfaitaire bedragen die de rechter zou toewijzen, zouden worden vastgelegd na raadpleging van de Orden van de balies, hetgeen kan waarborgen dat de Koning, wanneer Hij die vaststelt, volledig op de hoogte zal zijn van de praktijk van de balies ter zake.

Bijgevolg zou de wetgever niet kunnen worden verweten dat hij de Koning ermee heeft belast de Orden te raadplegen en de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen, te meer daar het gegevens betreft die mogelijk in de toekomst op vrij soepele manier zullen moeten worden aangepast.

B.6.5. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. 1.3. De verhaalbaarheid voor de rechtzoekenden die juridische tweedelijnsbijstand genieten B.7.1. In het vierde onderdeel van haar eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 4370 de schending aan van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, alsook van de standstill -verplichting die die bepaling zou impliceren, in zoverre artikel 7 van de bestreden wet de begunstigden van de juridische tweedelijnsbijstand niet uitsluit van de regeling van de verhaalbaarheid.

B.7.2.1. Die partij maakt eveneens een vergelijking tussen de begunstigden van de rechtsbijstand bedoeld in artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek, die ervan zouden zijn vrijgesteld de rechtsplegingsvergoeding aan de tegenpartij te betalen, en de begunstigden van de juridische tweedelijnsbijstand, op wie artikel 508/1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft, die daar wel toe zijn gehouden.

De Ministerraad betwist de pertinentie van die vergelijking, aangezien de begunstigden van rechtsbijstand eveneens ertoe zijn gehouden de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de tegenpartij die het proces wint, zodat geen enkel verschil zou bestaan tussen beide categorieën van rechtzoekenden. Die interpretatie zou worden bevestigd door artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, waarin wordt gepreciseerd dat « het gegeven dat rechtsbijstand wordt verleend geenszins afbreuk [doet] aan de toekenning van de in de vorige artikelen bedoelde vergoedingen ».

B.7.2.2. Wanneer een middel is afgeleid uit de schending van een ander artikel van titel II dan de artikelen 10 of 11 van de Grondwet, kan het Hof nagaan of de wetgever afbreuk heeft gedaan aan het door de desbetreffende bepaling gewaarborgde grondrecht, zonder de situatie van de personen die door de bestreden bepaling worden beoogd, te moeten vergelijken met die van een andere categorie van personen die het door die grondwetsbepaling gewaarborgde grondrecht zouden genieten.

B.7.3. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake het recht op juridische bijstand een standstill -verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.7.4. Met toepassing van artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek kan « de juridische tweedelijnsbijstand [...] gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over onvoldoende inkomsten beschikt en voor de met hen gelijkgestelde personen ».

De rechtzoekenden wier inkomsten als onvoldoende worden beschouwd, hebben recht op de bijstand van een advocaat, ook voor een vertegenwoordiging in rechte, die volledig of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de Schatkist. De rechtzoekenden die tot die categorie behoren, betalen dus niet, of niet volledig, de kosten en erelonen die, indien zij het voordeel van de juridische bijstand niet zouden genieten, van hen zouden worden gevorderd door de advocaat die hun zaak verdedigt.

B.7.5. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de regeling van de verhaalbaarheid die het voorwerp van de bestreden wet uitmaakt, rekening gehouden met de specifieke situatie van de rechtzoekenden die juridische tweedelijnsbijstand genieten. Wanneer de winnende partij juridische bijstand geniet, diende aldus te worden vermeden dat « de advocaat voor de geleverde prestaties dubbel wordt vergoed » en moest « men ook erover waken dat de rechtsonderhorige niet onrechtmatig geniet van een rechtsplegingsvergoeding die de kosten en honoraria van zijn advocaat dekt, daar waar die net door de Staat ten laste werden genomen in het kader van het systeem van de juridische bijstand » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 2). De artikelen 508/19 tot 508/20 van het Gerechtelijk Wetboek zijn in die zin aangepast.

B.7.6.1. Luidens het door het bestreden artikel 7 ingevoegde artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt indien de in het ongelijk gestelde partij juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie.

B.7.6.2. Door te bepalen dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de in het ongelijk gestelde rechtzoekende die juridische bijstand geniet, in beginsel wordt vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, houdt de wetgever rekening met de specifieke situatie van die categorie van rechtzoekenden.

B.7.6.3. Bovendien kan de rechter « in geval van een kennelijk onredelijke situatie » afwijken van het door de Koning bepaalde minimum.

B.7.6.4. Ofschoon in de parlementaire voorbereiding is verklaard dat die uitzondering het mogelijk maakt om de vergoeding te verhogen tot boven het minimum, maar nooit om die tot onder dat minimum te verlagen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 14), bevat de tekst van artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geenszins een dergelijke beperking.

B.7.6.5. Bovendien is een dergelijke interpretatie van artikel 1022, vierde lid, onbestaanbaar met de in B.7.3 vermelde standstill -verplichting, vermits de verplichting om een rechtsplegingsvergoeding te betalen die is vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, het aan de begunstigde van de juridische bijstand geboden beschermingsniveau in aanzienlijke mate zou kunnen verminderen, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

Het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand strekt immers ertoe de toegang tot de rechter mogelijk te maken voor de rechtzoekenden die niet over voldoende financiële middelen beschikken om de kosten en erelonen verbonden aan hun eigen verdediging te betalen.

B.7.6.6. De bestreden bepaling kan dus alleen in die zin worden geïnterpreteerd dat zij het de rechter mogelijk maakt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand geniet, vast te stellen onder het door de Koning bepaalde minimum, en het zelfs op een symbolisch bedrag vast te stellen wanneer hij, met een in het bijzonder op dat punt gemotiveerde beslissing, oordeelt dat het kennelijk onredelijk zou zijn die vergoeding op het door de Koning bepaalde minimum vast te stellen.

B.7.7. Onder voorbehoud van die interpretatie, is het vierde onderdeel van het middel niet gegrond. 2. Het principe van de forfaitaire bedragen B.8.1. Verschillende middelen bekritiseren de keuze van de wetgever voor een regeling van de verhaalbaarheid op basis van forfaitaire bedragen en bijgevolg voor het beperken van het bedrag van de kosten en erelonen van de advocaat van de winnende partij dat ten laste van de in het ongelijk gestelde partij kan worden gelegd.

B.8.2. De wetgever heeft ervoor gekozen de kwestie van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten te regelen door de aard van de rechtsplegingsvergoeding te wijzigen, die voortaan is opgevat als « een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). In het laatste lid van hetzelfde artikel heeft hij gepreciseerd dat « geen partij [...] boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding [kan] worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van een advocaat van een andere partij ».

B.8.3. De beperking van het bedrag dat aan de in het gelijk gestelde partij kan worden toegekend, ten laste van de in het ongelijk gestelde partij, tot de door de Koning bepaalde forfaitaire bedragen is tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet gemotiveerd door de zorg van de wetgever om de toegang tot de rechter van de minst bemiddelde personen te vrijwaren (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1686/1, p. 10; Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 4; Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 15) en door de zorg om « processen binnen het proces » over het mogelijk terug te vorderen bedrag van de erelonen te voorkomen of te beperken (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 8). Tijdens de hoorzittingen en de besprekingen in de parlementaire commissie is ook gezegd dat de verhaalbaarheid van de werkelijke kosten en erelonen riskeerde moeilijkheden teweeg te brengen in verband met het beroepsgeheim van de advocaat en diens positie in het proces (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, pp. 46 en volgende).

De Hoge Raad voor de Justitie heeft overigens eveneens gepleit voor de oplossing van de forfaitaire bedragen : « De begroting door de rechter naar billijkheid houdt echter een aantal nadelen in, die dan evenzeer argumenten vormen voor een systeem van forfaits. De voornaamste nadelen zijn : 1. de begroting door de rechter kan leiden naar een proces in het proces : wanneer de verliezende partij het niet eens is met de begroting door de rechter kan dit leiden naar een verlenging van de procedure. [...] 2. de rechter beschikt op het ogenblik van de begroting nog niet over alle gegevens : op het ogenblik dat de rechter zijn vonnis of arrest maakt, waarin hij onder meer over de verhaalbare gerechtskosten moet beslissen, zijn nog niet alle gerechtskosten gemaakt.Na het vonnis kunnen er immers nog uitvoeringsincidenten zijn. 3. een begroting door de rechter kan het beroepsgeheim van de advocaat schenden. [...] 4. een begroting door de rechter naar billijkheid kan leiden tot een ' deep pocket '-benadering : wanneer de rechter rekening houdt met de financiële draagkracht van partijen, kan dit leiden tot perverse neveneffecten. [...] » (Advies goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 januari 2006, Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-51/4, pp. 12-13).

B.8.4. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om concreet gestalte te geven aan zijn wens om een regeling van verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in te voeren, de formule te kiezen die hem het meest opportuun lijkt, gelet op de vele aanwezige, soms tegenstrijdige belangen en beginselen. Het Hof moet evenwel nagaan of hij hiermee geen onverantwoorde verschillen in behandeling heeft teweeggebracht. 2.1. Het feit dat de advocatenkosten niet integraal als schade kunnen worden vergoed wanneer de burgerlijke aansprakelijkheid van de verliezende partij vaststaat B.9.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4313 leiden twee middelen af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, alsook met artikel 144 van de Grondwet, in zoverre de bestreden wet het bedrag van de erelonen van de advocaten beperkt dat de winnende partij kan terugvorderen wanneer zij wordt erkend als slachtoffer van een fout vanwege de in het ongelijk gestelde partij. Zij zijn van mening dat het bedrag van de erelonen die het slachtoffer van de fout heeft moeten betalen om een schadevergoeding te verkrijgen, in dat geval deel uitmaakt van zijn schade en integraal aan hem zou moeten worden terugbetaald. Zij zijn van mening dat de wetgever aldus, zonder redelijke verantwoording, enerzijds, de rechtzoekenden die in het gelijk worden gesteld en zijn erkend als slachtoffer van een fout en diegenen die niet zijn erkend als slachtoffer van een fout en, anderzijds, de rechtzoekenden die in het ongelijk worden gesteld en een fout hebben begaan en diegenen die geen fout hebben begaan, op dezelfde wijze behandelt.

Het eerste middel en het vierde middel die in de zaak nr. 4354 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, steunen op dezelfde grieven.

B.9.2. In zijn arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006 heeft het Hof, in verband met de situatie vóór de bestreden wet, waarin alleen het slachtoffer van een contractuele of buitencontractuele fout, ten laste van de dader ervan, aanspraak kon maken op de terugbetaling van de kosten en erelonen die het aan zijn advocaat verschuldigd was, vastgesteld dat, hoewel de eiser en de verweerder zich in een verschillende situatie bevonden ten aanzien van de regels inzake de burgerlijke aansprakelijkheid (B.3.1), het verschil in behandeling tussen beiden ten aanzien van de toegang tot de rechter niet voldeed aan de vereisten van het eerlijk proces en van de wapengelijkheid, vermits de partijen in die situatie het risico van een proces op ongelijke wijze droegen (B.5.1).

Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat het criterium van de fout, ten aanzien van de in het geding zijnde beginselen, niet pertinent was om een regeling inzake de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in te voeren die bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.9.3. Om de discriminatie onder procespartijen te vermijden, heeft de wetgever ervoor gekozen de verhaalbaarheid te verankeren in het procesrecht, door van de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire deelneming in de kosten en erelonen van de advocaat van de winnende partij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij te maken. Er zou hem niet kunnen worden verweten dat hij hierdoor alle procespartijen op identieke wijze heeft behandeld, waarbij het risico daarvan gelijkelijk onder de partijen wordt verdeeld, daar precies die gelijke behandeling werd geëist door de bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde beginselen.

B.9.4. Die identieke behandeling van alle procespartijen heeft weliswaar tot gevolg dat het slachtoffer van een fout de bedragen die het heeft betaald aan erelonen voor zijn advocaat, van de dader van de fout niet zal kunnen terugvorderen wanneer die hoger zijn dan de toegewezen forfaitaire rechtsplegingsvergoeding.

B.9.5. Zonder dat dient te worden nagegaan of de bedragen die door het slachtoffer van een fout zijn betaald aan erelonen voor zijn advocaat, « eigendom » zijn in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, volstaat het evenwel vast te stellen dat de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, om alle in B.8.3 vermelde motieven, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, geen maatregel heeft genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de Orden van de balies zullen worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de eventuele aantasting van het ongestoord genot van de eigendom van de slachtoffers van een fout niet onevenredig zou kunnen worden geacht.

B.9.6. De middelen zijn niet gegrond. 2.2. Het feit dat geen rekening is gehouden met het roekeloze en tergende karakter van de procedure B.10.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4366 leiden een vijfde middel af uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre de wet de partijen die in het gelijk zijn gesteld en het slachtoffer zijn geweest van een misbruik van procedure, verschillend zou behandelen naargelang zij aanspraak maken op de vergoeding van hun kosten en erelonen van advocaten dan wel op die van andere kosten als gevolg van dat misbruik van procedure.

B.10.2. Het slachtoffer van roekeloze en tergende procedures bevindt zich, ten aanzien van de bestreden wet, niet in een andere situatie dan het slachtoffer van een fout waarvoor de dader ervan aansprakelijk is. Het kan de vergoeding verkrijgen van alle elementen van zijn schade, waarbij alleen het deel daarvan dat overeenstemt met de kosten en erelonen van zijn advocaat, op forfaitaire wijze ten laste moet worden genomen.

Het middel is niet gegrond om de in B.9.2 tot B.9.5 uiteengezette motieven.

Bovendien moet in dit verband worden verwezen naar artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd door de wet van 26 april 2007, op grond waarvan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2 500 euro, onverminderd de schadevergoeding die zou worden gevorderd. Het ontradend karakter van die maatregel draagt tevens bij tot de bescherming van het slachtoffer van een tergend en roekeloos geding. 2.3. Het verschil in behandeling tussen de kosten en erelonen van advocaten en de kosten en erelonen van technisch raadgevers B.11.1. Het derde middel in de zaak nr. 4313, het eerste middel in de zaak nr. 4354, het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4357 en het eerste middel in de zaak nr. 4366 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en verwijten de bestreden wet dat zij het bedrag van de kosten en erelonen van advocaten dat kan worden teruggevorderd ten laste van de in het ongelijk gestelde partij beperkt tot de door de Koning vastgestelde forfaitaire bedragen, terwijl de bedragen die de in het gelijk gestelde partij betaalt aan kosten en erelonen van haar technisch raadgevers integraal kunnen worden teruggevorderd in zoverre zij deel uitmaken van de schade die door de dader van een contractuele of buitencontractuele fout moet worden vergoed.

B.11.2. De deskundigen en technisch raadgevers die een procespartij adviseren, bevinden zich, in het licht van de bestreden wetgeving, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten die de partijen bijstaan en in rechte vertegenwoordigen. Terwijl het optreden van een advocaat vrijwel altijd is vereist in het kader van een gerechtelijke procedure, wordt minder frequent een beroep gedaan op een technisch raadgever. Evenzo treedt de advocaat doorgaans op gedurende de hele procedure, waardoor tussen hem en zijn cliënt een bijzondere verhouding ontstaat, terwijl het optreden van de technisch raadgever doorgaans zeer gericht is, wanneer hij advies moet uitbrengen over een welbepaald aspect van het geschil.

B.11.3. Aangezien de keuze van de wetgever om de aangelegenheid te regelen door de vaststelling van forfaitaire bedragen die ten laste kunnen worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, redelijk is verantwoord, rechtvaardigen de verschillen die bestaan tussen de advocaten en de technisch raadgevers ten aanzien van hun plaats in het proces en de aard van hun optreden, dat de wetgever de specifieke regeling die hij heeft aangenomen voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten niet heeft uitgebreid tot alle andere raadgevers die eventueel in een gerechtelijke procedure kunnen optreden.

B.11.4. De middelen zijn niet gegrond. 2.4. Het verschil in behandeling ten opzichte van de geschillen bedoeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties B.12.1. Het vierde middel in de zaak nr. 4313, het vijfde middel in de zaak nr. 4353 en het tweede middel in de zaak nr. 4366 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en verwijten de bestreden wet dat zij een verschil in behandeling invoert tussen de rechtzoekenden op wie zij van toepassing is en de rechtzoekenden op wie de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties van toepassing is.

B.12.2. De voormelde wet van 2 augustus 2002 voorziet in een bijzondere regeling voor de betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Artikel 6 van die wet staat de schuldeiser onder bepaalde voorwaarden en beperkingen toe van de schuldenaar een redelijke schadeloosstelling te vorderen voor alle relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand (eerste lid).

Die invorderingskosten moeten voldoen aan de beginselen van transparantie en in verhouding staan tot de schuld in kwestie (tweede lid). Aan de Koning wordt opgedragen het maximumbedrag van die redelijke schadeloosstelling voor invorderingskosten voor verschillende schuldniveaus vast te stellen (derde lid).

Die wet beoogt de omzetting van de richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 200 van 8 augustus 2000, p. 35). De ratio legis van de richtlijn is dat betalingsachterstand bij handelstransacties en in het bijzonder de verschillende wijze waarop de gevolgen ervan worden geregeld in de lidstaten van de Europese Unie, een ernstige belemmering vormen voor het goede functioneren van de interne markt en vooral de kmo's treffen (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1827/001, p. 4).

B.12.3. Het Hof is ondervraagd geweest over het verschil in behandeling dat, vóór de aanneming van de bestreden wet, bestond tussen de rechtzoekenden op wie de wet van 2 augustus 2002 van toepassing was en de andere rechtzoekenden, die geen terugbetaling van de kosten en erelonen van hun advocaat konden verkrijgen, en heeft in zijn arrest nr. 16/2007 van 17 januari 2007 geoordeeld dat het in het geding zijnde verschil in behandeling discriminerend was en dat de discriminatie niet was gelegen in de wet van 2 augustus 2002, waarvan het toepassingsgebied in overeenstemming is met het nagestreefde doel, maar in het ontbreken van een algemene oplossing waarin de wetgever werd verzocht te voorzien.

B.12.4. De minister van Justitie heeft tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet verklaard dat de bepalingen daarvan verenigbaar waren met die van de wet van 2 augustus 2002 « aangezien de hier besproken procedurevergoedingen zullen overeenstemmen met de algemene regeling die in voormelde wet zit vervat » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 11-12).

Niettemin kan niets de rechter aan wie een verzoek op grond van de wet van 2 augustus 2002 is voorgelegd, ertoe verplichten de forfaitaire bedragen toe te passen waarin de bestreden wet voorziet, waarbij de wet van 2 augustus 2002 een ruime beoordelingsruimte laat aan de rechter om « alle relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand » te begroten.

B.12.5. De wet van 2 augustus 2002 vindt haar grondslag in de verplichting voor de Belgische wetgever om Europese richtlijnen in de interne orde om te zetten, hetgeen de specifieke kenmerken van die wetgeving kan verantwoorden. Zij heeft een beperkt toepassingsgebied en het voorwerp ervan is speciaal opgevat rekening houdend met de aard van de geschillen die onder dat toepassinggebied vallen. De wetgever zou derhalve, wanneer hij een algemene reglementering heeft uitgewerkt inzake de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten, die op alle soorten geschillen van toepassing is, niet kunnen worden verweten dat hij het toepassingsgebied van de wet van 2 augustus 2002 niet gewoon heeft uitgebreid, maar een regeling tot stand heeft gebracht die is aangepast aan de diversiteit van de geschillen die hij voortaan wilde benaderen.

B.12.6. Hoewel het inderdaad wenselijk is te vermijden dat te grote ongelijkheden ontstaan naargelang de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten wordt bevolen met toepassing van de wet van 2 augustus 2002 dan wel met die van de bestreden wet, staat het voor het overige aan de Koning, die nog niet het bij de wet van 2 augustus 2002 bepaalde besluit heeft genomen, de vastgestelde bedragen op elkaar af te stemmen of te verantwoorden waarom Hij dat niet kan doen, onder het toezicht van de bevoegde rechters.

B.12.7. De middelen zijn niet gegrond. 2.5. Het verschil in behandeling tussen partijen naar gelang van het aantal partijen met soortgelijke eisen B.13.1. Het vijfde middel in de zaak nr. 4313 en het derde middel in de zaak nr. 4366 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre artikel 1022, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 7 van de bestreden wet, de rechtsplegingsvergoeding waartoe de in het ongelijk gestelde partij kan worden gehouden wanneer meerdere partijen in het gelijk worden gesteld, tot het dubbele van de maximumvergoeding beperkt. De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling een discriminatie teweegbrengt onder de in het gelijk gestelde partijen naargelang er slechts één is dan wel meerdere zijn, waarbij de laatstgenoemden de toegewezen rechtsplegingsvergoeding onder elkaar moeten verdelen, alsook een discriminatie onder de partijen die in het ongelijk worden gesteld, naargelang zij met één of meer winnende partijen worden geconfronteerd.

B.13.2. Tijdens de parlementaire voorbereiding betreffende die bepaling heeft de minister van Justitie op een vraag hierover geantwoord dat « inderdaad een keuze moest worden gemaakt, maar [zij] preciseert dat de aldus gekozen limiet het mogelijk maakt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding met enige flexibiliteit vast te leggen, aangezien die vergoeding ' maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding ' beloopt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 15).

B.13.3. De regeling van de forfaitaire bedragen die ten laste kunnen worden gelegd van een in het ongelijk gestelde partij, is met name verantwoord door de zorg van de wetgever om de toegang tot de rechter niet te belemmeren. Ten aanzien van dat doel is het eveneens verantwoord te voorzien in een begrenzing van de rechtsplegingsvergoedingen die een rechtzoekende verschuldigd is wanneer hij zich bevindt tegenover meerdere partijen die in het gelijk zijn gesteld. Het ontbreken van een dergelijke beperking zou immers, wanneer het aantal partijen aan elke kant van de balie niet in evenwicht zou zijn, tot onbillijke situaties hebben kunnen leiden.

B.13.4. De middelen zijn niet gegrond. 2.6. Het verschil in behandeling tussen partijen volgens hun financiële draagkracht of die van de tegenpartij B.14.1. Het vierde middel in de zaak nr. 4366 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 7 van de bestreden wet, een discriminatie onder de in het gelijk gestelde partijen zou invoeren naargelang de partij die in het ongelijk wordt gesteld al dan niet juridische tweedelijnsbijstand geniet, alsook een discriminatie onder de in het ongelijk gestelde partijen naargelang zij al dan niet juridische tweedelijnsbijstand genieten.

B.14.2. Zoals vermeld in B.7.6.6, dient artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007, aldus te worden geïnterpreteerd dat, wanneer de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand in het ongelijk wordt gesteld, de rechter het door die rechtzoekende verschuldigde bedrag kan vaststellen onder het door de Koning bepaalde minimum.

Die aldus geïnterpreteerde bepaling heeft tot gevolg dat de in het middel aangevoerde verschillen in behandeling worden versterkt.

B.14.3. De maatregel die erin bestaat, bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoedingen die die partij verschuldigd zou kunnen zijn rekening te houden met de moeilijke financiële situatie van de partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet, is pertinent en evenredig met het doel om iedereen een gelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Het feit dat een in het gelijk gestelde rechtzoekende zich bevindt tegenover een in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet en bijgevolg geheel of gedeeltelijk ervan zou kunnen worden vrijgesteld de rechtsplegingsvergoeding te betalen, maakt overigens deel uit van de wisselvalligheid van de procedure, zoals het feit dat iedere rechtzoekende kan worden geconfronteerd met een insolvente tegenpartij. De wetgever kan niet worden verweten geen rekening te hebben gehouden met die wisselvalligheden.

B.14.4. Het verschil in behandeling onder in het ongelijk gestelde partijen naargelang zij al dan niet juridische tweedelijnsbijstand genieten, steunt op een criterium dat objectief en pertinent is ten opzichte van de zorg om alle rechtzoekenden de toegang tot de rechter te waarborgen. Bovendien voorziet artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek erin dat de rechter het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name om rekening te houden met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, zodat de rechtzoekende die slechts over beperkte financiële middelen beschikt, maar geen aanspraak kan maken op het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand, mogelijk slechts een aanzienlijk verminderde last zal moeten dragen. Hieruit vloeit voort dat de maatregel niet onevenredig is.

B.14.5. Het middel is niet gegrond. 2.7. Het verschil in behandeling tussen partijen in geval van verstek B.15.1. Het zesde middel in de zaak nr. 4366 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in zoverre de bestreden wet de rechtsplegingsvergoeding zou vaststellen op het minimumbedrag wanneer het geding wordt beëindigd met een bij verstek gewezen beslissing.

B.15.2. De bestreden wet bevat geen enkele specifieke bepaling betreffende de in het middel omschreven situatie. Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding voorziet daarentegen in artikel 6 ervan dat « wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, [...] het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding [is] ».

B.15.3. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een reglementaire bepaling. 2.8. Het feit dat geen rekening is gehouden met het werkvolume dat de rechtspleging werkelijk met zich meebrengt B.16.1. Het zevende middel in de zaak nr. 4366 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en verwijt de bestreden wet dat zij geen enkel belang hecht aan het door het geschil veroorzaakte werkvolume, hetgeen een discriminatie zou teweegbrengen tussen de partijen die na afloop van een moeilijke rechtspleging in het gelijk worden gesteld en diegenen die in het gelijk worden gesteld na afloop van een eenvoudige rechtspleging, die bijgevolg minder duur is wat de kosten en erelonen van de advocaten betreft.

B.16.2. De keuze van de wetgever voor een forfaitaire regeling is verantwoord door de motieven die in B.8.3 worden uiteengezet. De logica zelf van de forfaitaire regeling houdt in dat bij de vaststelling van de vergoeding geen rekening kan worden gehouden met alle specifieke kenmerken van elke procedure. Niettemin beschikt de rechter over de mogelijkheid om, op verzoek van de partijen, de rechtsplegingsvergoeding te verminderen of te verhogen, met name om rekening te houden met de complexiteit van de zaak. Met toepassing van dat criterium is het dus mogelijk om met het werkvolume als gevolg van de complexiteit van de zaak rekening te houden teneinde de vergoeding te verhogen of, in het tegenovergestelde geval, die door de eenvoud van de zaak te verminderen. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredig verschil in behandeling teweegbrengt.

B.16.3. Het middel is niet gegrond. 3. De uitsluiting van de vakbondsafgevaardigden uit het toepassingsgebied van de wet B.17.1. Het eerste middel in de zaak nr. 4357 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 van de Grondwet, met de artikelen 6.1, 11 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen van het recht op een daadwerkelijke toegang tot een rechter en van de wapengelijkheid. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden wet dat zij, door alleen betrekking te hebben op de kosten en erelonen van advocaten, een niet te verantwoorden verschil in behandeling teweegbrengt tussen de rechtzoekenden die een beroep doen op de diensten van een advocaat en de rechtzoekenden die gebruik maken van de diensten van een afgevaardigde van een representatieve vereniging van arbeiders of bedienden.

B.17.2. Tussen een partij die door een advocaat wordt verdedigd en een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd, bestaat een verschil dat op een objectief criterium berust : in de regel betaalt de eerste aan haar raadsman kosten en erelonen die de advocaat vrij bepaalt, terwijl van de tweede noch door haar vakbondsorganisatie noch door de afgevaardigde ervan sommen worden gevorderd waarvan de aard en het bedrag vergelijkbaar zijn met de kosten en erelonen van een advocaat.

De vakbondsbijdrage die de aangeslotenen betalen, kan niet worden vergeleken met de kosten en erelonen van advocaten. De bijdrage is immers verschuldigd vanwege de aansluiting en heeft niet hoofdzakelijk tot doel de geboden bijstand of vertegenwoordiging in rechte te vergoeden. De eventuele kosten die de vakorganisatie van de aangeslotene vordert wanneer hij niet sinds een voldoende aantal jaren lid ervan is en in rechte wordt vertegenwoordigd, zijn evenmin vergelijkbaar met de erelonen van advocaten. Hetzelfde geldt voor het eventuele bedrag dat verschuldigd is door de aangeslotene die een rechtsvordering heeft willen instellen, tegen het ongunstig advies van de vakbondsafgevaardigde in, en die in die vordering in het ongelijk wordt gesteld.

B.17.3. Het doel van de bestreden wet bestaat erin de kosten en erelonen die de in het gelijk gestelde partij aan haar advocaat betaalt gedeeltelijk ten laste te leggen van de in het ongelijk gestelde partij. Het is juist dat de rechtsplegingsvergoeding, waarin artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek reeds voorzag, van aard is veranderd door de werking van de bestreden wet, vermits zij voortaan bestemd is om de kosten voor de intellectuele prestaties van de advocaat te dekken en niet langer alleen de materiële kosten van de laatstgenoemde ten behoeve van zijn cliënt. De vakbondsafgevaardigden die voor de arbeidsgerechten pleiten voor de aangeslotenen bij een vakorganisatie die hen tewerkstelt, leveren eveneens soortgelijke diensten.

De rechtsplegingsvergoeding is opgevat als een forfaitaire deelneming in de lasten die een partij daadwerkelijk draagt en de wetgever heeft, door het voordeel ervan niet uit te breiden tot de partijen die, zoals die welke door een vakbondsafgevaardigde worden bijgestaan en vertegenwoordigd, niet dezelfde lasten dragen, een criterium van onderscheid gekozen dat pertinent is ten opzichte van het doel van de wet.

B.17.4. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat de werknemers die tegenover hun werkgever in rechte worden vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, zich bevinden in een situatie die duidelijk minder gunstig is dan die van de werknemers die worden vertegenwoordigd door een advocaat, aangezien de werkgever weet dat hij, ten aanzien van de eerstgenoemden, in elk geval niet ertoe zal worden veroordeeld een rechtsplegingsvergoeding te betalen.

Dat argument, dat enkel steunt op een veronderstelling met betrekking tot het gedrag van de werkgevers die zich in een geschil met een werknemer bevinden, toont geenszins aan dat de bestreden wet in de praktijk onevenredige gevolgen zou hebben voor de rechten van de werknemers die in rechte worden verdedigd door een lid van hun vakorganisatie, omdat zij vaker voor het gerecht zouden worden opgeroepen dan de door advocaten verdedigde werknemers.

B.17.5. Het middel is niet gegrond.

B.18.1. Het tweede middel in de zaak nr. 4357 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de uitsluiting van de vakbondsafgevaardigden uit het toepassingsgebied van de bestreden wet afbreuk zou doen aan de vrijheid van vereniging en aan de vakbondsvrijheid.

B.18.2. De vakbondsvrijheid en de vrijheid van vereniging waarborgen iedere werknemer het recht om zich vrij bij een vakbond aan te sluiten. De bestreden wet heeft niet tot doel, noch tot gevolg de oprichting van de vakorganisaties te beletten of de aansluiting van werknemers bij vakorganisaties te verbieden of te bemoeilijken.

De verzoekende partijen voeren in hoofdzaak aan dat de aansluiting bij een vakorganisatie door de bestreden wet minder aantrekkelijk zou zijn geworden, omdat het ontbreken van de verhaalbaarheid de door de vakorganisaties aan hun leden geboden dienst bestaande in de vertegenwoordiging in rechte minder interessant zou maken en omdat de voordelen van die dienst bepalend zouden zijn bij hun aansluiting.

B.18.3. Hoewel, zoals de verzoekende partijen uiteenzetten, de vakorganisaties gespecialiseerde juridische diensten hebben ontwikkeld, wordt niet ingezien hoe het feit dat de werknemers die een beroep doen op die diensten geen rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrijgen die bestemd is om niet door hen gemaakte kosten forfaitair te compenseren, hen zou kunnen ontraden om aan te sluiten bij een vakorganisatie.

B.18.4. Het middel is niet gegrond. 4. De gedeeltelijke toepassing van de verhaalbaarheid in strafzaken B.19.1. Het tweede middel in de zaak nr. 4370, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, beoogt de artikelen 8, 9 en 12 van de bestreden wet.

De artikelen 8 tot 11 van de wet van 21 april 2007 wijzigen respectievelijk de artikelen 128, 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van strafvordering en artikel 12 van de bestreden wet voegt daarin een nieuw artikel 169bis in. Die bepalingen breiden het beginsel van de verhaalbaarheid uit tot de strafzaken, maar beperken die uitbreiding tot de verhoudingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. De persoon die door een strafgerecht ten aanzien van de burgerlijke partij wordt veroordeeld, moet aldus aan die laatstgenoemde de rechtsplegingsvergoeding betalen. De burgerlijke partij wordt daarentegen ertoe veroordeeld de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet of aan de vrijgesproken beklaagde, maar enkel in de hypothese dat zij alleen verantwoordelijk is voor het op gang brengen van de strafvordering. Wanneer de strafvordering op gang wordt gebracht door ofwel het openbaar ministerie, ofwel een onderzoeksgerecht dat de inverdenkinggestelde verwijst naar een vonnisgerecht, is geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of aan de vrijgesproken beklaagde, noch ten laste van de burgerlijke partij, noch ten laste van de overheid.

B.19.2. Volgens de verzoekende partij discrimineren de bestreden bepalingen de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of de vrijgesproken beklaagde wanneer de strafvordering op gang is gebracht door het openbaar ministerie of door een onderzoeksgerecht. Die rechtzoekende kan geen enkele rechtsplegingsvergoeding verkrijgen, terwijl hij, in de meeste gevallen, door een advocaat is verdedigd en zijn raadsman kosten en erelonen is verschuldigd, terwijl alle andere rechtzoekenden die in het gelijk worden gesteld in beginsel recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding.

B.19.3. In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat in de toepassing van de verhaalbaarheid voor de strafgerechten is voorzien omdat het « meer conform [leek] te zijn met de principes van gelijkheid en niet-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van schade voor een burgerlijke dan wel voor een strafrechtelijke rechtbank, gelijk zou behandelen », en dat het voorstel om de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde en de burgerlijke partij in overeenstemming was met het advies van de Ordes van advocaten en dat van de Hoge Raad voor de Justitie (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 5-6). In verband met de situatie van de vrijgesproken beklaagde of de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde is nog gepreciseerd : « Overeenstemmend met het advies van de ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de betrekkingen tussen de beklaagde en de Staat, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Er moet op gewezen worden dat het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (ibid., pp. 6-7).

B.19.4. Het is verantwoord dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde of aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht en niet wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering of wanneer een onderzoeksgerecht de verwijzing van de beklaagde naar een vonnisgerecht heeft bevolen. In die gevallen, indien de eisen van de burgerlijke partij « niet ingewilligd worden, kan ze [voor de strafprocedure] niet aansprakelijk gesteld worden ten aanzien van de beklaagde en bijgevolg ook niet veroordeeld worden om die te vergoeden voor de procedurekosten die bij die gelegenheid zijn ontstaan » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 6).

B.19.5. De keuze van de wetgever om elke verhaalbaarheid in de verhoudingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie uit te sluiten, heeft tot gevolg dat, in geval van buitenvervolgingstelling of vrijspraak, de rechtzoekende die ertoe is verplicht een beroep te doen op de diensten van een advocaat om zijn verdediging te verzekeren terwijl hij ten onrechte was beschuldigd, de door zijn verdediging veroorzaakte kosten en erelonen alleen zal moeten dragen.

B.19.6. De situatie van de beklaagde of van de inverdenkinggestelde die buiten vervolging is gesteld, varieert dus op het vlak van de verhaalbaarheid naargelang hij wordt vervolgd op initiatief van de burgerlijke partij dan wel van het openbaar ministerie (waarbij die laatstgenoemde handelt door middel van een rechtstreekse dagvaarding, of naar aanleiding van een verwijzingsbeslissing van de onderzoeksgerechten) : in het eerste geval zal hij de verhaalbaarheid kunnen genieten en in het tweede geval niet.

B.19.7. In principe is de situatie van een inverdenkinggestelde of van een beklaagde dezelfde, ongeacht of die persoon strafrechtelijk wordt vervolgd op initiatief van een particulier of van het openbaar ministerie : in beide gevallen is een beroep op een advocaat meestal noodzakelijk, en het recht op een advocaat wordt onder meer gewaarborgd door de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wanneer een Staat voorziet in een stelsel van verhaalbaarheid is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing en mag op dat gebied geen discriminatie bestaan.

B.19.8. Tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij bestaan fundamentele verschillen : de eerstgenoemde is, in het belang van de maatschappij, belast met het onderzoek en de vervolging van misdrijven en oefent de strafvordering uit; de laatstgenoemde verdedigt haar persoonlijk belang en tracht, met de burgerlijke vordering, het herstel te verkrijgen van de schade die het misdrijf haar heeft berokkend.

B.19.9. Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn telkenmale de vordering van het openbaar ministerie zonder gevolg blijft, niet tot de laatstgenoemde diende te worden uitgebreid.

B.19.10. De wetgever zou weliswaar ten laste van de Staat, ten behoeve van wie het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot vrijspraak of buitenvervolgingstelling, een vergoedingsregeling kunnen invoeren die rekening houdt met de specifieke kenmerken van het strafrechtelijk contentieux.

Maar uit het feit dat hij de forfaitaire vergoedingsregeling waarin de bestreden bepalingen voorzien, niet heeft uitgebreid ten laste van de Staat in geval van vrijspraak of buitenvervolgingstelling, vloeit niet voort dat hij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou hebben geschonden.

B.19.11. Het middel is niet gegrond 5. De onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken B.20.1. Het tweede en het vierde middel in de zaak nr. 4354 en het derde middel in de zaak nr. 4370 beogen artikel 13 van de bestreden wet, dat bepaalt : « De artikelen 2 tot 12 zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden ».

Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 zijn de in het geding zijnde bepalingen in werking getreden op 1 januari 2008.

B.20.2. De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten.

De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling dat zij een terugwerkende kracht zou toekennen aan de wet, waardoor de rechtzoekende zou worden misleid die partij is bij een vóór 1 januari 2008 aangevat proces en die het risico van zijn procedure aldus niet correct heeft kunnen inschatten.

B.20.3. De verantwoording voor het amendement dat de bestreden bepaling heeft ingevoerd in het wetsontwerp, luidt : « Er wordt voorgesteld om de toekomstige wet van toepassing te maken op de lopende zaken, zodra zij in werking treedt. Het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 heeft immers een belangrijke rechtsonzekerheid geschapen, zowel voor de nieuwe zaken als voor de zaken die lopende waren op het moment dat het arrest uitgesproken werd. Sedertdien vragen de partijen systematisch het toepassen van de verhaalbaarheid aan de rechter, zonder dat die (noch de partijen) ter zake over duidelijke en precieze regels beschikt. Dat is precies het voorwerp van dit voorstel. Het lijkt derhalve uit het oogpunt van gelijkheid en non-discriminatie opportuun om te voorzien dat de partijen op een identieke manier zullen behandeld worden bij de vraag over de verhaalbaarheid, onafhankelijk van de datum waarop de zaak werd ingeleid. Het is in ieder geval van belang dat er zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan de rechtsonzekerheid die veroorzaakt werd door het arrest van september 2004 » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 7).

B.20.4. De bestreden bepaling heeft niet tot gevolg de wet toepasselijk te maken op de zaken die met een definitieve rechtelijke beslissing zijn afgesloten. Zij heeft dus geen retroactieve werking.

Zij leidt evenmin ertoe de afloop van de hangende gedingen te beïnvloeden. Het is daarentegen juist dat zij, door de onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken op te leggen, tot gevolg kan hebben de financiële last van de in het ongelijk gestelde partijen te verzwaren, terwijl zij bij de aanvang van het proces niet konden voorzien dat zij dat risico liepen.

B.20.5. Het staat in beginsel aan de wetgever de inwerkingtreding van een nieuwe wet te regelen en te beslissen of er overgangsmaatregelen moeten worden genomen. Uit de hiervoor geciteerde uittreksels van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ter zake snel wilde optreden om een einde te maken aan de onzekerheden die zijn ontstaan na de rechtspraak van het Hof van Cassatie. In die context is de onmiddellijke toepassing van de bestreden wet een pertinente maatregel om, ten aanzien van alle rechtzoekenden, een einde te maken aan de ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die derhalve ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen.

B.20.6. Ermee rekening houdend dat de wetgever de verhaalbaarheid heeft omlijnd en dat de rechter op verzoek van de partijen de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name wanneer hij van oordeel is dat de situatie « kennelijk onredelijk » is, heeft de onmiddellijke toepassing van de in het geding zijnde wetgeving geen onevenredige gevolgen voor de partijen die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan bij gerechtelijke procedures betrokken zijn.

B.21.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4354 leiden een derde middel af uit de schending van dezelfde bepalingen door de artikelen 7 en 13 van de bestreden wet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de verhaalbaarheid beletten van de kosten en erelonen in het kader van vroegere procedures verbonden aan de lopende procedures.

B.21.2. In zoverre in dat middel de bestreden bepalingen wordt verweten de mogelijkheid te beperken om de kosten en erelonen te recupereren die daadwerkelijk zijn gemaakt in de loop van een rechtsgeding, valt het samen met de middelen die de bestreden wet verwijten geen rekening te houden met het begrip fout, die in B.9 zijn onderzocht.

B.21.3. Voor het overige laat de mogelijkheid waarover de rechter beschikt om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wegens met name de complexiteit van de zaak te verhogen, hem in voldoende mate toe rekening te houden met de vroegere procedures die moesten worden gevoerd.

B.21.4. De middelen zijn niet gegrond.

Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van de in B.7.6.6 geformuleerde interpretatie, verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 december 2008.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^