Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 06 januari 2006

Uittreksel uit arrest nr. 155/2005 van 20 oktober 2005 Rolnummer 3200 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Cong Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavr(...)

bron
arbitragehof
numac
2005203444
pub.
06/01/2006
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 155/2005 van 20 oktober 2005 Rolnummer 3200 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 3 december 2004 in zake J. Defrère tegen de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 15 december 2004, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 16 juni 1960 ' dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd ', en met name artikel 9 ervan, niet de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en roept zij geen verschil in behandeling in het leven dat niet objectief verantwoord is, doordat zij niet heeft voorzien in de gelijkstelling van de militaire dienstplicht die vóór 1 juli 1960 is volbracht, terwijl zowel het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 (stelsel van de werknemers) en het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 (stelsel van de zelfstandigen) als de wet van 21 juli 1844 (stelsel van de overheidssector) wel voorzien in een mogelijkheid van gelijkstelling van de militaire dienstplicht met een periode van beroepsactiviteit voor de berekening van het pensioen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. Vooraleer Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onafhankelijk werden, waren de aldaar tewerkgestelde werknemers verzekerd tegen ouderdom en vroegtijdige dood via drie instellingen : de koloniale Pensioens- en Gezinstoelagenkas voor Werknemers, het koloniaal Toelagenfonds voor Werknemers en het Bijzonder Toelagenfonds; die Kas en Fondsen waren belast met de betaling van de renten, toelagen en verhogingen bedoeld in de desbetreffende wetgeving, in het bijzonder in het decreet van 10 oktober 1945.

Zoals het aan het genoemde decreet voorafgaande verslag aan de Regent (Ambtelijk Blad van Belgisch-Congo, 1952, 1ste deel, pp. 267 en 268) aangeeft, werd het koloniale stelsel van sociale zekerheid beschouwd als een gemengd stelsel dat, voor een deel, een kapitalisatiestelsel en, voor een ander deel, een repartitiestelsel was : « Het regime dat werd aangenomen is een toepassing van dit tweede stelsel [d.i. van het kapitalisatiestelsel]. In een geest van billijkheid tegen de verzekeringsplichtigen verleent het hun voordeelen naar verhouding van de hoogte van elke bijdrage en verzekert hun de grootst mogelijke rente dank zij de kapitalisatie van de stortingen. Voor een ruim deel past het decreet bovendien het stelsel der verdeeling toe : inderdaad de gezamenlijke werkgevers en verzekeringsplichtigen dragen solidair bij tot het oprichten van een gemeenschappelijk fonds, zodat het mogelijk zal zijn een pensioentoeslag te verleenen, toelage geheeten in het decreet, voor den diensttijd dien de werknemers gedaan hebben vóór de instelling van het pensioenregime en toelaten zal, indien de economische toestanden in de toekomst deze maatregel moesten wettigen, verhoogingen van pensioenen en toelagen te verleenen. Op het stelsel der verdeeling steunt het decreet ook om weezentoelagen te verleenen [...] ».

B.1.2. De wet van 16 juni 1960, zoals het opschrift ervan aangeeft, plaatst de instellingen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi - waaronder de voormelde instellingen - onder de waarborg van de Belgische Staat en doet door de Belgische Staat de maatschappelijke prestaties waarborgen ten gunste van die werknemers in het kader van het koloniaal stelsel van sociale zekerheid, met name inzake pensioenen.

B.1.3. Artikel 9 van de voormelde wet van 16 juni 1960, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 21 september 1964, bepaalt : « De door de Belgische Staat krachtens artikelen 3 tot 8 gewaarborgde prestaties zijn, onder voorbehoud van het bepaalde in deze artikelen, die welke voortvloeien uit de wettelijke of reglementaire bepalingen die op 30 juni 1960 in Belgisch-Congo of Ruanda-Urundi van kracht waren ».

B.1.4. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de voormelde bepaling, doordat zij, in tegenstelling tot de regelingen met betrekking tot de pensioenen van de werknemers, van de zelfstandigen en van de ambtenaren in overheidsdienst, niet erin voorziet dat de militaire dienstplicht die vóór 1 juli 1960 is volbracht, kan worden gelijkgesteld met een periode van beroepsactiviteit voor de berekening van het pensioen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

B.2.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de situatie van de werknemers die onderworpen zijn aan het koloniaal stelsel van sociale zekerheid, niet vergelijkbaar is met die van de andere werknemers wegens de verschillende financieringswijze van het genoemde stelsel, dat gebaseerd is op de kapitalisatie van de bijdragen.

B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 juni 1960, en met name uit de memorie van toelichting ervan (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 487/1), volgt dat de nagestreefde doelstelling in essentie erin bestond de door de begunstigden in het kader van het koloniale stelsel van sociale zekerheid verkregen rechten te waarborgen. Het is wegens het verplichte karakter van de aansluiting bij het koloniale stelsel van sociale zekerheid dat de Belgische wetgever is opgetreden, zonder in ook maar één opzicht de financieringswijze van dat stelsel in aanmerking te nemen.

Wat in het bijzonder de vraag betreft of de periode van oproeping of van wederoproeping onder de wapens al dan niet is gelijkgesteld met een periode van beroepsactiviteit, kan de respectieve financieringswijze van het koloniale stelsel en van de wettelijke stelsels bovendien geen enkele weerslag hebben, omdat, gedurende die periode, in geen van die stelsels een bijdrage is gestort.

Daaruit volgt dat het argument met betrekking tot de niet-vergelijkbaarheid van de stelsels, die is afgeleid uit de verschillende financieringswijze ervan, in deze zaak irrelevant is.

B.3.1. De prejudiciële vraag is gebaseerd op een interpretatie van artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 volgens welke die bepaling niet toelaat dat, voor de berekening van het pensioen van de werknemers uit de privé-sector, de gelijkstelling van de militaire dienstplicht met een periode van beroepsactiviteit, in aanmerking zou worden genomen.

Op het ogenblik dat de voormelde wet werd aangenomen, was niet in de in het geding zijnde gelijkstelling voorzien in de Belgische socialezekerheidsstelsels die van toepassing waren op de werknemers uit de privé-sector. Artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 heeft die gelijkstelling doorgevoerd voor de werknemers, en artikel 31 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 heeft ze ingevoerd voor de zelfstandigen. Die bepalingen werden onmiddellijk toegepast op alle pensioenen die op die data zijn geopend, voor feiten voorafgaand aan de datum van goedkeuring van die besluiten (te dezen, perioden van militaire dienstplicht).

Ofschoon dus aan de in het geding zijnde bepaling niet kan worden verweten niet een geval te hebben geregeld waarin destijds niet was voorzien in de stelsels die van toepassing waren op de werknemers uit de privé-sector in België, ziet het Hof echter niet in, rekening houdend met wat is gepreciseerd in B.2.2, welke redenen zouden verantwoorden dat die gelijkstelling niet eveneens wordt toegekend aan de werknemers uit de privé-sector die aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid zijn onderworpen.

B.3.2. Uit al die overwegingen volgt dat artikel 9 van de wet van 16 juni 1960, in die zin geïnterpreteerd dat het zou verhinderen de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4. Volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 9 van de wet van 16 juni 1960, « herinnert [artikel 9] dan aan een tweede principe - overigens reeds aangehaald - volgens hetwelk de Staatswaarborg alleen betrekking heeft op de wettelijke prestaties, en zich niet uitstrekt tot datgene wat tussen werknemers en werkgevers buiten of bovendien nog zou kunnen overeengekomen zijn » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 487/2, p. 3).

Zowel de tekst van artikel 9 als de parlementaire voorbereiding ervan geven aan dat de beperking van de waarborg door de Staat betrekking heeft op de eigenlijke socialezekerheidsprestaties en niet, zoals te dezen, op de wijze waarop de loopbaan van de werknemer wordt bepaald, wijze die bepalend is voor de berekening van het bedrag van zijn pensioen.

Daaruit volgt dat artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het niet verhindert de periode van militaire dienstplicht die werd volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit. In die interpretatie is artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Geïnterpreteerd in die zin dat het verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, schendt artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Geïnterpreteerd in die zin dat het niet verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, schendt artikel 9 van dezelfde wet van 16 juni 1960 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2005.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^