Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 30 mei 2005

Uittreksel uit arrest nr. 70/2005 van 20 april 2005 Rolnummer 3002 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 524bis van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Gent. Het Arbitragehof, sam wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

bron
arbitragehof
numac
2005201390
pub.
30/05/2005
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 70/2005 van 20 april 2005 Rolnummer 3002 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 524bis van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Gent.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Bossuyt, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 30 april 2004 in zake het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen C.L. en anderen tegen M.G., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 18 mei 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 524bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen met de artikelen 6 EVRM en artikel 14 BUPO, schendt doordat het bevelen van een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen afhankelijk wordt gesteld van een vordering van het openbaar ministerie met uitsluiting van de burgerlijke partij, wat tot gevolg kan hebben dat de ene burgerlijke partij een verbeurdverklaring met toewijzing aan de burgerlijke partij kan bekomen en de andere burgerlijke partij niet, louter afhankelijk van de beslissing van het openbaar ministerie om een bijzonder onderzoek te vorderen of niet ? »;2. « Schendt artikel 524bis van het Wetboek van Strafvordering het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen met de artikelen 6 EVRM en artikel 14 BUPO, doordat de burgerlijke partijen die zich overeenkomstig artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering voor de zittingsrechter stelden geen bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen kunnen vragen en wanneer een dergelijk onderzoek op vordering van het openbaar ministerie zou zijn bevolen, geen bijkomende onderzoekshandelingen kunnen vragen, terwijl de burgerlijke partijen die zich overeenkomstig artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering voor de onderzoeksrechter stelden wel een onderzoek naar de in artikel 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen en bijkomende onderzoekshandelingen kunnen vragen, wat tot gevolg kan hebben dat de burgerlijke partijen onderling ongelijk worden behandeld louter in functie van de instantie voor dewelke zij hun rechten laten gelden ? »;3. « Schendt artikel 524bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering de bepalingen van artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO doordat het bevelen van een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen afhankelijk wordt gesteld van een vordering van het openbaar ministerie, wat tot gevolg kan hebben dat de burgerlijke partij tegen haar wil zou worden afgetrokken van de bevoegde, onpartijdige en onafhankelijke rechter die de wet haar toekent met betrekking tot de beslissing over een bijzonder vermogensonderzoek en een eventuele verbeurdverklaring met toewijzing aan de burgerlijke partij ? »;4. « Schendt artikel 524bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen met artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO, doordat het bevelen van een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen afhankelijk wordt gesteld van een vordering van het openbaar ministerie met uitsluiting van de burgerlijke partij, wat tot gevolg kan hebben dat de publieke partij kan opkomen voor haar belangen en de burgerlijke partij niet, afhankelijk van opportuniteitsoverwegingen door het openbaar ministerie ? ». (...) III. In rechte (...) De in het geding zijnde bepalingen B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 524bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagname en verbeurdverklaring in strafzaken, dat luidt : « De rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan het ten laste gelegde feit kan, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, artikel 43bis en 43quater, van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen zal worden gevoerd met het oog op het bepalen van deze vermogensvoordelen.

Het voeren van dit bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is evenwel enkel mogelijk indien het openbaar ministerie door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde uit het misdrijf of uit identieke feiten in de zin van artikel 43quater van het Strafwetboek, vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald.

De vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen kan nooit voor het eerst in tweede aanleg worden gesteld ».

B.1.2. De prejudiciële vragen verwijzen eveneens naar de artikelen 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek, die bepalen : «

Art. 42.Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast : [...] 3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen ». «

Art. 43bis.Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

Ingeval de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij aan haar worden teruggegeven. De verbeurdverklaarde zaken zullen haar eveneens worden toegewezen ingeval de rechter de verbeurdverklaring uitgesproken heeft omwille van het feit dat zij goederen en waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats gesteld zijn van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of omdat zij het equivalent vormen van zulke zaken in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, zal dit recht kunnen laten gelden binnen een termijn en volgens modaliteiten bepaald door de Koning ».

Over de prejudiciële vragen B.2.1. Op grond van artikel 524bis van het Wetboek van Strafvordering heeft de strafrechter, na de uitspraak over de schuldvraag, de mogelijkheid het openbaar ministerie toe te staan een bijzonder onderzoek te voeren naar de vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater van het Strafwetboek.

B.2.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat het bijzonder onderzoek naar de in de artikelen 42, 3°, en 43bis bedoelde vermogensvoordelen enkel mogelijk is op vordering van het openbaar ministerie, waardoor : - de publieke partij kan opkomen voor haar belangen en de burgerlijke partij niet; - de ene burgerlijke partij een verbeurdverklaring met toewijzing aan de burgerlijke partij kan verkrijgen en de andere niet, afhankelijk van de beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet een bijzonder onderzoek te vorderen; - de burgerlijke partijen ongelijk worden behandeld naargelang zij klacht doen bij de onderzoeksrechter dan wel bij de rechter ten gronde.

B.2.3. Daarmee samenhangend wordt het Hof ook gevraagd of de in het geding zijnde bepaling een schending inhoudt van artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de voormelde verdragsbepalingen, doordat de burgerlijke partij zou worden afgetrokken van de rechter die de wet haar toekent.

B.2.4. De prejudiciële vragen kunnen samen worden beantwoord.

Ten gronde B.3.1. De in het geding zijnde bepaling past in het kader van een « buitgerichte » aanpak van de zware of de georganiseerde criminaliteit.

De wetgever beoogt een performanter systeem uit te werken om de vermogensvoordelen uit die vormen van criminaliteit beter op te sporen en de kans op verbeurdverklaring ervan drastisch te verhogen. Aldus wordt getracht de misdadiger of de misdadige organisatie te treffen in zijn of haar financiële middelen en in de resultaten van zijn of haar misdadig optreden, met als uiteindelijk doel de criminele structuur, die een ernstig maatschappijontwrichtend karakter kan hebben, te ontmantelen (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1601/001, pp. 3 en 5-6).

Volgens de wetgever heeft die benadering twee functies. Allereerst wordt het herstel beoogd in de toestand zoals die bestond vóór het plegen van het misdrijf. De onrechtmatige vermogenswerving wordt op die wijze tenietgedaan. Daarnaast wordt een algemeen en een bijzonder preventief effect beoogd, zowel ten aanzien van de maatschappij in haar geheel, als ten aanzien van de veroordeelde in het bijzonder (ibid., p. 6).

B.3.2. Om te vermijden dat het proces over het basismisdrijf nodeloos wordt vertraagd door het onderzoek naar de vermogensvoordelen die het misdrijf heeft voortgebracht, wordt de uitspraak over de schuld en over de verbeurdverklaring gescheiden en wordt een aparte procedure in het leven geroepen, waarbij de rechter, nadat hij de beklaagde aan de ten laste gelegde feiten schuldig heeft verklaard, het openbaar ministerie kan toestaan een bijzonder onderzoek te voeren naar het bestaan van vermogensvoordelen (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1601/001, p. 3).

B.3.3. Dat bijzonder onderzoek kan niet ambtshalve door de rechter worden gelast, maar dient door het openbaar ministerie te worden gevorderd. Het is enkel mogelijk indien het openbaar ministerie « door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde uit het misdrijf [...], vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald ». Aldus is het de bedoeling van de wetgever geweest om de mogelijkheid tot het voeren van een bijkomende procedure voor te behouden voor die gevallen waarin de vermoedelijke vermogensvoordelen relatief omvangrijk zijn.

B.3.4. Wanneer het openbaar ministerie oordeelt dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen voltooid is, maakt het de vordering tot verbeurdverklaring aanhangig bij de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek heeft gelast. Dit gebeurt door een dagvaarding rechtstreeks gericht aan de veroordeelde, en in voorkomend geval aan de burgerlijke partij. Behoudens verlenging dient de aanhangigmaking van de vordering tot verbeurdverklaring op straffe van verval te geschieden vóór het verstrijken van een termijn van twee jaar vanaf de dag waarop het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen door de rechter werd gelast, voor zover de uitspraak over de schuld reeds in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 524bis, §§ 6 en 7).

B.3.5. Vanwege de maximumtermijn van twee jaar achtte de wetgever het niet aangewezen om de waarborgen die aan de veroordeelde en de burgerlijke partij worden geboden tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek ook te verlenen tijdens het bijzonder onderzoek (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 1197/3, p. 27).

B.4.1. Er bestaat tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium berust. Het openbaar ministerie is in het belang van de maatschappij belast met de opsporing, de vervolging en de bestraffing van misdrijven en vordert de toepassing van de strafwet. De burgerlijke partij behartigt haar persoonlijk belang en beoogt bij de burgerrechtelijke vordering de vergoeding te verkrijgen van de schade die haar door het misdrijf werd toegebracht.

B.4.2. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen is het niet zonder redelijke verantwoording dat het initiatiefrecht voor het bijzonder onderzoek wordt voorbehouden aan het openbaar ministerie. Hoewel het onderzoek uiteindelijk de burgerlijke partij ten goede kan komen, wordt immers in de eerste plaats een doelstelling van algemeen belang nagestreefd, namelijk het herstellen van het maatschappelijk evenwicht dat verstoord werd door crimineel handelen.

Het openbaar ministerie is uit hoofde van zijn taak ook het meest geschikt om te oordelen of het bijzonder onderzoek aangewezen is en enige kans op slagen heeft binnen de door de wet voorgeschreven termijn van twee jaar.

B.4.3. Ook het feit dat het bijzonder onderzoek slechts mogelijk is nadat de rechter de beklaagde schuldig heeft bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten en kan leiden tot een bijkomende straf, verantwoordt het verschil in behandeling tussen de burgerlijke partij en het openbaar ministerie.

B.5.1. Het Hof dient evenwel na te gaan of de in het geding zijnde bepaling, door het initiatiefrecht voor het vorderen van een bijzonder onderzoek naar de in de artikelen 42, 3°, en 43bis van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen voor te behouden aan het openbaar ministerie, niet op onevenredige wijze de rechten van de burgerlijke partij beperkt.

B.5.2. Het bijzonder onderzoek bedoeld in artikel 524bis is slechts een bijkomende mogelijkheid om de bijzondere vermogensvoordelen op te sporen en laat de rechten onverlet waarover de burgerlijke partij voordien beschikte om de verbeurdverklaring te verkrijgen van zaken die haar toebehoren of die daarvan het equivalent of het vervangmiddel vormen.

B.5.3. De mogelijkheid om na de uitspraak over de schuld nog een bijzonder onderzoek naar vermogensvoordelen te voeren sluit niet uit dat het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter al in de fase van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek naar vermogensvoordelen speurt. Indien de burgerlijke partij het bestaan van dergelijke voordelen vermoedt, kan zij binnen het gerechtelijk onderzoek om bijkomende onderzoekshandelingen verzoeken en aandringen op de afronding van het vermogensonderzoek binnen het gerechtelijk onderzoek zelf.

B.5.4. Indien een bijzonder onderzoek wordt gevoerd dat het bestaan van vermogensvoordelen aantoont, maakt het openbaar ministerie de vordering tot verbeurdverklaring aanhangig bij de rechtbank die het onderzoek heeft gelast. De vordering wordt aanhangig gemaakt bij dagvaarding die wordt gericht aan de veroordeelde en aan de burgerlijke partij (artikel 524bis, § 6, eerste lid), die alzo haar rechten kan laten gelden.

B.5.5. Wanneer de verbeurd te verklaren zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij haar worden teruggegeven. Indien de burgerlijke partij geen verbeurdverklaring in haar voordeel verkrijgt, kan zij nog steeds herstel van haar schade vorderen ten laste van de veroordeelde, zodat haar rechten ook zonder bijzonder onderzoek en zonder bijzondere verbeurdverklaring worden gevrijwaard.

B.5.6. Uit het bovenstaande volgt dat de in het geding zijnde maatregel geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van de burgerlijke partij. Zij wordt niet « tegen haar wil afgetrokken van de rechter die de wet haar toekent » noch is zij « louter afhankelijk van de beslissing van het openbaar ministerie om een bijzonder onderzoek te vorderen ». Dat in het ene geval besloten wordt tot het voeren van een bijzonder onderzoek en in het andere geval niet, hangt samen met de eigen kenmerken van elke individuele zaak en houdt geen discriminatie in. De beoordelingsvrijheid die ter zake aan het openbaar ministerie wordt gelaten, maakt geen miskenning uit van het recht op een eerlijk proces.

B.5.7. Tenslotte schendt de in het geding zijnde bepaling evenmin de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij de burgerlijke partijen verschillend behandelt naargelang zij klacht doen bij de onderzoeksrechter dan wel bij de rechter ten gronde. De partij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, kan zich burgerlijke partij stellen voor de onderzoeksrechter, voor het onderzoeksgerecht of voor het vonnisgerecht. Het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd vloeit voort uit de persoonlijke keuze van de burgerlijke partij, aan wie het geheel vrij staat voor de ene of de andere weg te kiezen. Een dergelijk onderscheid is niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in de prejudiciële vragen vermelde verdragsbepalingen.

B.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 524bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering schendt niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 20 april 2005.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^