Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 21 mei 2004

Uittreksel uit arrest nr. 36/2004 van 10 maart 2004 Rolnummer : 2700 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Ar samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. D(...)

bron
arbitragehof
numac
2004201341
pub.
21/05/2004
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 36/2004 van 10 maart 2004 Rolnummer : 2700 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 april 2003 in zake L. Van Aerschot en J. Jacobs tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 15 mei 2003, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1998 en 1999) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of in samenhang met artikel 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verrekening van de winsten, voortvloeiend uit verrichtingen bepaald in artikel 90 van hetzelfde Wetboek met de andere belastbare inkomsten toegelaten is wanneer dit in het voordeel van de belastingplichtige is, zonder een gelijkaardige verrekening toe te staan van de verliezen wanneer dit in het voordeel is van de belastingplichtige ? » (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : W.I.B. 1992), zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1998 en 1999.

De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172 ervan, schendt « in de interpretatie dat de verrekening van de winsten, voortvloeiend uit verrichtingen bepaald in artikel 90 van hetzelfde Wetboek met de andere belastbare inkomsten toegelaten is wanneer dit in het voordeel van de belastingplichtige is, zonder een gelijkaardige verrekening toe te staan van de verliezen wanneer dit in het voordeel is van de belastingplichtige ».

B.1.2. Uit de feiten van het geding en de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil uitsluitend een betwisting betreft omtrent verrichtingen die door de verwijzende rechter worden gecatalogiseerd bij de diverse inkomsten, bedoeld in artikel 90, 10°, van het W.I.B. 1992, zijnde de meerwaarden die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die goederen andere dan het recht van erfpacht, het recht van opstal of een gelijkaardig onroerend recht, onder de in dat artikel bepaalde voorwaarden.

B.1.3. Overeenkomstig artikel 171, 4°, e, van het W.I.B. 1992, zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1998 en 1999, zijn die meerwaarden, in afwijking van de artikelen 130 tot 168 van het W.I.B. 1992, in principe afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 pct., « behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten ».

B.2.1. Volgens de Ministerraad dient te prejudiciële vraag niet te worden beantwoord daar artikel 171 van het W.I.B. 1992 op geen enkele wijze voorziet in het verrekenen van winsten of verliezen en uitsluitend dient voor het bepalen van de aanslagvoet van de afzonderlijk belastbare inkomsten, zonder evenwel de categorie van de inkomsten te wijzigen. Daarenboven meent de Ministerraad dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet dienend is voor de eisende partij voor de verwijzende rechter vermits deze zich niet bevindt binnen het toepassingsgebied van artikel 171 van het W.I.B. 1992 maar wel binnen dat van artikel 103 van het W.I.B. 1992.

B.2.2. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter dient de prejudiciële vraag aldus geherformuleerd te worden dat artikel 171 van het W.I.B. 1992, in samenhang gelezen met artikel 103 van hetzelfde Wetboek, aan het Hof ter toetsing wordt voorgelegd.

B.2.3. In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil.

Wanneer aan het Hof evenwel bepalingen worden voorgelegd die kennelijk niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, dient het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet te onderzoeken.

De partijen vermogen evenmin de draagwijdte van de prejudiciële vragen te wijzigen of uit te breiden.

B.2.4. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de verwijzende rechter heeft geoordeeld dat « artikel 103, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 toepasselijk is, dat het niet mogelijk maakt de verliezen geleden bij de verrichtingen die aanleiding geven tot belastbare diverse inkomsten zoals vermeld in artikel 90, 10°, van het Wetboek (gebouwde onroerende goederen) af te trekken van bedrijfsinkomsten », maar dat hij zich verder afvraagt of artikel 171 van het W.I.B. 1992 de in de vraag vermelde grondwetsbepalingen schendt in zoverre die bepaling toestaat dat de erin opgesomde inkomsten bij de andere belastbare inkomsten bedoeld in artikel 6 van het W.I.B. 1992 worden gevoegd en dus gezamenlijk in plaats van afzonderlijk belast worden wanneer die globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige, terwijl het niet mogelijk zou zijn verliezen uit bedoelde verrichtingen van het totale netto-inkomen af te trekken wanneer dat in het voordeel van de belastingplichtige is.

B.2.5. Het Hof beantwoordt bijgevolg de vraag zoals zij is gesteld door de verwijzende rechter.

B.3.1. Artikel 171 van het W.I.B. 1992 wijkt, voor de in dat artikel opgesomde inkomsten, af van het principe van de globalisatie, zijnde de samentelling van de vier verschillende inkomstencategorieën als bepaald in artikel 6 van het W.I.B. 1992, volgens hetwelk het in de personenbelasting belastbare inkomen wordt gevormd door het totale netto-inkomen, zijnde de som van de netto-inkomens van de in die bepaling opgesomde categorieën, zijnde het inkomen van onroerende goederen, het inkomen van roerende goederen en kapitalen, het beroepsinkomen en de diverse inkomsten, verminderd met de in de artikelen 104 tot 116 van het W.I.B. 1992 vermelde aftrekbare bestedingen. Op die som wordt de belasting berekend volgens de regels bepaald in de artikelen 130 en volgende, evenwel nadat nog enkele bewerkingen zijn uitgevoerd.

Artikel 171 van het W.I.B. 1992 stelt een bijzondere berekeningswijze van de belasting en speciale aanslagvoeten voor bepaalde inkomsten vast, op voorwaarde evenwel dat het stelsel van de volledige samentelling van alle belastbare inkomsten met inbegrip van diegene die afzonderlijk kunnen worden belast, niet voordeliger uitvalt voor de belastingplichtige.

B.3.2. Met de in het geding zijnde bepaling wilde de wetgever de strenge gevolgen vermijden die de strikte toepassing van de progressiviteit van de personenbelasting zou meebrengen voor belastingplichtigen die sommige inkomsten met een veeleer exceptioneel karakter verkrijgen. Luidens de parlementaire voorbereiding beoogde de wetgever « de progressiviteit van de belasting te remmen wanneer het belastbaar inkomen niet-periodieke inkomsten behelst » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, p. 85; ibid., nr. 264/42, p. 126).

Er werd evenwel aan toegevoegd dat « in artikel 23, § 2, [huidig artikel 171] uitdrukkelijk wordt bepaald dat de belastingplichtige de toepassing kan aanvragen van de gewone belastingregeling voor al zijn normale en speciale inkomsten die hierboven zijn bedoeld, wanneer de regeling voor hem voordeliger is (met name uit hoofde van zijn gezinslasten) dan de speciale regeling waarin artikel 23 voorziet » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/42, p. 127). B.4. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5.1. Ten opzichte van de in B.3.2 vermelde doelstelling is het verantwoord om enkel die belastingplichtigen die de in artikel 171 van het W.I.B. 1992 opgesomde inkomsten hebben behaald te belasten op basis van een afzonderlijke berekening en tegen bijzondere aanslagvoeten, vermits die inkomsten door die afwijkende wijze van belasten in principe een lagere aanslagvoet zullen genieten dan wanneer ze met de andere inkomsten zouden worden samengevoegd en tegen het progressieve tarief zouden worden belast. Vermits de wetgever evenwel de bedoeling had de belastingplichtige het meest gunstige belastingtarief aan te bieden, heeft hij de samenvoeging van al die inkomsten met de andere inkomsten bedoeld in artikel 6 van het W.I.B. 1992 mogelijk gemaakt, wanneer dat voor de belastingplichtige voordeliger uitkomt.

Het is daarbij evenmin onredelijk op dat moment geen rekening te houden met eventuele verliezen die de belastingplichtige voor een van de in artikel 171 bedoelde inkomsten zou hebben geleden, vermits artikel 171 van het W.I.B. 1992 enkel dient ter bepaling van het belastingtarief - afzonderlijk of gezamenlijk - van de in die bepaling opgesomde netto-inkomsten. Immers, overeenkomstig het principe bepaald in artikel 6 van het W.I.B. 1992, volgens hetwelk enkel het netto-gedeelte van de inkomsten belastbaar is, is met de aftrek van verliezen reeds rekening gehouden ter bepaling van het netto-inkomen van een bepaalde categorie van inkomsten en dit in het kader van de vaststelling van de belastbare grondslag. Meer specifiek, wat betreft de diverse inkomsten bedoeld in artikel 90, 10°, van het W.I.B. 1992, dient het netto-inkomen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 101, § 2, van het W.I.B. 1992 en dienen de verliezen te worden afgetrokken overeenkomstig het bepaalde in artikel 103, § 3, van hetzelfde Wetboek, volgens hetwelk de verliezen afkomstig van dergelijke verrichtingen alleen aftrekbaar zijn van de winsten die deze activiteit oplevert in elk van de vijf volgende belastbare tijdperken.

B.5.2. De maatregel kan ook niet als onevenredig worden beschouwd.

Allereerst maakt artikel 171 van het W.I.B. 1992 het mogelijk een in de regel lager belastingtarief te genieten voor de in dat artikel opgesomde inkomsten.

Voorts is er wel degelijk aftrek mogelijk van de verliezen die voortspruiten uit de verrichtingen bedoeld in artikel 90, 10°, van het W.I.B. 1992, zoals in B.3.2 werd uiteengezet. Daarenboven zijn die verliezen aftrekbaar van de winsten gedurende de vijf volgende belastbare tijdperken (artikel 103 van het W.I.B. 1992), zodat indien de in artikel 90, 10°, van het W.I.B. 1992 bedoelde verrichtingen met verlies afsluiten, dat verlies zal kunnen worden aangerekend op de winsten die de belastingplichtige haalt uit die activiteit in elk van de vijf volgende belastbare tijdperken.

Toestaan dat de bedoelde verliezen worden afgetrokken van het totale belastbare inkomen, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter in wezen vraagt, zou niet alleen indruisen tegen het algemene principe van artikel 6 van het W.I.B. 1992 waarbij alleen het netto-inkomen belastbaar is, maar zou ook een wijziging in de omvang van de belastbare basis inhouden, hetgeen niet de doelstelling was van het bepaalde in artikel 171 van het W.I.B. 1992, waarbij aan de belastingplichtige enkel een voordelige tariefbepaling werd toegekend.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172 ervan.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 10 maart 2004.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^