Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 08 augustus 2000

Uittreksel uit arrest nr. 59/2000 van 17 mei 2000 Rolnummer 1672 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 24, § 5, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsid Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters P. (...)

bron
arbitragehof
numac
2000021343
pub.
08/08/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 59/2000 van 17 mei 2000 Rolnummer 1672 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 24, § 5, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, gesteld door de Raad van State.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters P. Martens, E. Cerexhe, A. Arts, M. Bossuyt en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest nr. 79.846 van 21 april 1999 in zake C. Landrieu tegen de gemeente Colfontaine, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 mei 1999, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houdt artikel 24, § 5, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, als het een vervanging betreft in een niet-vacante betrekking, een schending in van artikel 24, § 4, van de Grondwet door te bepalen dat het recht van voorrang alleen geldt voor een ononderbroken aanvangsperiode van ten minste vijftien weken afwezigheid, terwijl artikel 34, § 3, van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs de inachtneming van het recht van voorrang verplicht stelt voor iedere ononderbroken periode van afwezigheid van ten minste vijftien weken ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. Artikel 24 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs bepaalt : « § 1. Voor elke aanstelling als tijdelijk personeelslid in een ambt waarvoor hij het in artikel 2 bepaalde bekwaamheidsbewijs bezit, is elk personeelslid prioritair in een inrichtende macht en komt het voor in een rangschikking binnen deze inrichtende macht als het 360 dagen werkelijk bewezen diensten in een ambt van de betrokken categorie als hoofdambt bij deze inrichtende macht kan doen gelden; deze diensten moeten gespreid zijn over minstens twee schooljaren en tijdens de laatste vijf schooljaren verstrekt zijn.

In het basisonderwijs moet het personeelslid, in afwijking van artikel 1, houder zijn van het bekwaamheidsbewijs van onderwijzer(es).

De aanstellingen gebeuren met inachtneming van de rangschikking, opgemaakt op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 34. (...) § 5. De in § 1 en § 3, lid 1 bedoelde voorrang geldt voor alle betrekkingen die vacant zijn, alsmede voor betrekkingen die niet vacant zijn maar waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, voor een ononderbroken aanvangsperiode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen. (...) » B.2. Artikel 34 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs stelt een vergelijkbare voorrangsregel vast maar paragraaf 3 ervan, die de tegenhanger is van paragraaf 5 van het decreet van 6 juni 1994, is als volgt geformuleerd : « De in § 1, 1°, bedoelde voorrang geldt voor betrekkingen die vacant zijn, alsmede voor betrekkingen die niet vacant zijn maar waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken moet vervangen worden. » B.3. De Raad van State leidt uit de vergelijking van die twee teksten een verschil in behandeling tussen lesgevers af naargelang zij tot het gesubsidieerd officieel onderwijs of tot het gesubsidieerd vrij onderwijs behoren : enkel de eerstgenoemden verliezen de voorrang die zij op grond van hun anciënniteit bezitten indien de lesgever die moet worden vervangen, afwezig is gedurende een aanvangsperiode van minder dan vijftien weken.

B.4. De Raad van State vraagt aan het Hof of dat verschil in behandeling verenigbaar is met artikel 24, § 4, van de Grondwet, dat bepaalt : « Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. » B.5. De Franse Gemeenschapsregering beweert niet het betwiste verschil in behandeling te verantwoorden. Integendeel, zij voert aan dat, hoewel de term « aanvangs- » niet voorkomt in het decreet betreffende het gesubsidieerd vrij onderwijs, hij er dient te worden verondersteld zodat de twee teksten een identieke toepassing krijgen. Zij verantwoordt de voor de twee onderwijsnetten gemeenschappelijke regel door de noodzaak de opeenvolgende vervangingen die de pedagogische stabiliteit zouden schaden, te beperken.

B.6. Het Hof kan niet anders dan vaststellen dat de twee ter toetsing voorgelegde decreetsbepalingen verschillend zijn en dat een interpretatie die hun een identieke betekenis zou geven, in strijd zou zijn met de tekst zelf. Zij stellen dus het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in, waarvoor geen verantwoording bestaat.

De vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Wanneer het gaat om een vervanging in een niet-vacante betrekking, schendt artikel 24, § 5, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs artikel 24, § 4, van de Grondwet door te bepalen dat het recht van voorrang alleen geldt voor een ononderbroken aanvangsperiode van ten minste vijftien weken afwezigheid, terwijl artikel 34, § 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs de inachtneming van het recht van voorrang verplicht stelt voor iedere ononderbroken periode van afwezigheid van ten minste vijftien weken.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het arbitragehof, op de openbaren terechtzitting van 17 mei 2000.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. M. Melchior.

^