Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 27 december 2007

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest van 6 november 2007 in zake de VZW « Centre de Conseils et d'Accompagnement Eddy Meeùs », in vereffening, tegen de NV « CBC Banque » en anderen, waarvan d « 1. Bestaat er een onverantwoorde discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de G(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2007203619
pub.
27/12/2007
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest van 6 november 2007 in zake de VZW « Centre de Conseils et d'Accompagnement Eddy Meeùs », in vereffening, tegen de NV « CBC Banque » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2007, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Bestaat er een onverantwoorde discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de wet van 2 juni 2006 die de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen betreffende de vereffeningsprocedure heeft gewijzigd, en meer in het bijzonder de artikelen 184, 189bis, 190, § 1, en 195bis, een gerechtelijke controle op de procedure van vereffening van handelsvennootschappen heeft ingevoerd, terwijl in geen enkele soortgelijke controle is voorzien voor de vereffening van VZW's ? 2. Bestaat er een onverantwoorde discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de schuldeiser van een handelsvennootschap in vereffening en de schuldeiser van een vzw in vereffening, in zoverre eerstgenoemde, in tegenstelling tot laatstgenoemde, enerzijds, aan de rechtbank van koophandel de homologatie of bevestiging van de aanwijzing van de vereffenaar kan vragen (artikel 184, § 1, van het Wetboek van vennootschappen) en, anderzijds, de vervanging kan vorderen van de vereffenaar die het voorschrift van de artikelen 189bis en 190 van het Wetboek van vennootschappen niet in acht zou hebben genomen ? Het Hof legt tevens aan het Grondwettelijk Hof de vraag voor naar de grondwettigheid van een interpretatie van de bepalingen waarbij thans de verenigingen zonder winstoogmerk worden geregeld, in zoverre die bepalingen waarbij de verenigingen zonder winstoogmerk worden geregeld, en inzonderheid de vereffening van de verenigingen zonder winstoogmerk in staking van betaling, zo worden geïnterpreteerd dat zij de rechter die een flagrante schending van de rechten van de schuldeisers vaststelt, niet toestaan, naar analogie, aan de schuldeisers van een vereniging zonder winstoogmerk in staking van betaling en in staat van vereffening, de bescherming toe te kennen die de wet hun biedt tegen alle andere in gebreke blijvende schuldenaars die de vorm van een vennootschap in vereffening hebben, in zoverre die bepalingen waarbij de vereffening van de verenigingen zonder winstoogmerk in staking van betaling wordt geregeld, zo worden geïnterpreteerd dat zij de rechter bij wie de vordering van een schuldeiser aanhangig is gemaakt en die een flagrante schending vaststelt van de rechten van de schuldeisers, niet toestaan, naar analogie met artikel 190, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, zoals gewijzigd bij de wet van 2 juni 2006, te beslissen tot de vervanging van de vereffenaar, in zoverre die bepalingen waarbij de vereffening van de verenigingen zonder winstoogmerk in staking van betaling wordt geregeld, zo worden geïnterpreteerd dat zij de schuldeisers van een vereniging zonder winstoogmerk in staking van betaling en in staat van vereffening de bescherming ontzeggen die de wet hun toekent tegen alle andere in gebreke blijvende schuldenaars met de vorm van een vennootschap in vereffening, in zoverre de verschillen tussen de bepalingen waarbij de vereffening van de verenigingen zonder winstoogmerk in staking van betaling en in staat van vereffening wordt geregeld, en de bepalingen waarbij de vereffening van de andere vennootschappen wordt geregeld, zo worden geïnterpreteerd dat zij een objectief verantwoord en niet-discriminerend verschil in het leven roepen onder de vennootschappen in vereffening naar gelang van hun maatschappelijke vorm, in zoverre de verschillen tussen de bepalingen waarbij de vereffening van de verenigingen zonder winstoogmerk in staking van betaling wordt geregeld, en de bepalingen waarbij de vereffening van de andere vennootschappen wordt geregeld, zo worden geïnterpreteerd dat zij een objectief verantwoord en niet-discriminerend verschil in het leven roepen onder hun schuldeisers naar gelang van de maatschappelijke vorm van hun schuldenaar in staking van betaling en in staat van vereffening ». Die zaak is ingeschreven onder nummer 4339 van de rol van het Hof.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

^