Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 02 september 2000

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 13 april 2000 in zake de c.v. I.D.E.A. tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen « Schendt artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, in die zin geï(...)

bron
arbitragehof
numac
2000021388
pub.
02/09/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 13 april 2000 in zake de c.v. I.D.E.A. tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 28 april 2000, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, in die zin geïnterpreterd dat het de intercommunales vrijstelt van alle belastingen of van alle door de gewesten ingevoerde belastingen, de door of krachtens de Grondwet vastgestelde regels, van kracht in 1992, voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, en meer bepaald artikel 110 [thans artikel 170], §§ 1 en 2, eerste lid, van de Grondwet ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1959 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij beschikking van 25 april 2000 in zake D. Baijot, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 mei 2000, heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 43ter van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, artikel 9 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en artikel 13 van de wet van 6 [lees : 5] april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector [met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen], afzonderlijk of in samenhang beschouwd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij discriminaties inhouden tussen : 1. de kinderen wier overlevende ouder geen eigen recht op overlevingspensioen ingevolge huwelijk geniet en de kinderen wier overlevende ouder wel een dergelijk recht geniet;2. de kinderen over wie de voogdij wordt uitgeoefend door de overlevende ouder en de kinderen over wie de voogdij wordt uitgeoefend door onverschillig welke andere derde die niet de overlevende ouder is;3. de kinderen die wees zijn van een van hun 'natuurlijke' ouders en wier overlevende ouder werkloos is of uit welken hoofde ook sociale-uitkeringsgerechtigde is en de kinderen wier overlevende ouder het geluk heeft een baan te hebben, of althans geen sociale-uitkeringsgerechtigde uit welken hoofde ook te zijn in de loop van een burgerlijk jaar ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1960 van de rol van het Hof. De griffier, L. Potoms.

^