Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 17 augustus 1999

Arrest nr. 43/99 van 1 april 1999 Rolnummer 1632 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 3 en 7, 1° en 2°, van de wet van 18 december 1998 tot regeling van de gelijktijdige of kort opeenvolgende verkiezingen voor de federale Wet Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters P. (...)

bron
arbitragehof
numac
1999021405
pub.
17/08/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 43/99 van 1 april 1999 Rolnummer 1632 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 3 en 7, 1° en 2°, van de wet van 18 december 1998 tot regeling van de gelijktijdige of kort opeenvolgende verkiezingen voor de federale Wetgevende Kamers, het Europees Parlement en de Gewest- en Gemeenschapsraden, ingesteld door H. Wailliez.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters P. Martens, G. De Baets, E. Cerexhe, H. Coremans en A. Arts, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 1999 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 1999, heeft H. Wailliez, wonende te 7800 Aat, avenue de la Roselle 14, een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 3 en 7, 1° en 2°, van de wet van 18 december 1998 tot regeling van de gelijktijdige of kort opeenvolgende verkiezingen voor de federale Wetgevende Kamers, het Europees Parlement en de Gewest- en Gemeenschapsraden (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1998, tweede editie).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoeker eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen.

II. De rechtspleging Bij beschikking van 2 maart 1999 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 4 maart 1999 heeft de voorzitter de termijn voor het indienen van een memorie tot dertig dagen verkort.

Bij beschikking van 4 maart 1999 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 17 maart 1999.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de in artikel 76 van de organieke wet vermelde overheden evenals aan verzoeker bij op 5 maart 1999 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 17 maart 1999 : - zijn verschenen : . H. Wailliez, in eigen persoon; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. V. Thiry, advocaat bij de balie te Luik, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en G. De Baets verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. In rechte - A - Ten aanzien van de ernstige middelen A.1. De verzoeker is lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en ondervoorzitter van het « Front national ». Hij behoort tot een politieke formatie die slechts één federaal parlementslid heeft. Hij acht zich ongunstig geraakt door de artikelen 3 en 7, 1° en 2°, van de aangevochten wet van 18 december 1998 vermits die bepalingen voortaan de bescherming van haar letterwoord door een politieke formatie die slechts één federaal parlementslid telt, onmogelijk maken. Hij herinnert eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in het advies dat zij over het wetsontwerp had gegeven, van oordeel was dat de aangevochten bepaling discriminerend zou kunnen worden geacht (Parl. St., Kamer, 1997-1998, 1729/1, p. 70). Hij is van mening dat de aangevochten bepalingen tot een dubbele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet leiden.

A.2. In het eerste middel van zijn verzoekschrift beweert de verzoeker dat de betwiste bepalingen een discriminatie in het leven roepen tussen de politieke formaties die door één federaal parlementslid vertegenwoordigd zijn en de formaties die door twee parlementsleden vertegenwoordigd zouden zijn. Niet alleen is het zo dat de eerstgenoemden hun letterwoord niet meer kunnen beschermen, maar, zoals de Minister van Binnenlandse Zaken liet opmerken, « is [het] van belang hier op te merken dat het verkrijgen van een beschermd letterwoord voor de verkiezingen van het Europees Parlement samengaat met de toekenning van een gemeenschappelijk volgnummer dat op nationaal vlak geloot is » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, 1729/1, p. 5).

Hij voegt eraan toe : « Artikel 3 van de wet brengt dus indirect een tweede, bijzonder ernstige discriminatie teweeg vermits de politieke formatie die door één enkel federaal parlementslid vertegenwoordigd is, zal moeten deelnemen aan de aanvullende loting uitgevoerd door de voorzitter van de drie hoofdbureaus van het kiescollege met alle lijsten van politieke formaties die niet in het Parlement vertegenwoordigd zijn en zulks met het risico dat, op de stembiljetten, zijn lijst zal terechtkomen temidden van een reeks lijsten van min of meer onbekende politieke formaties, terwijl, anderzijds, een politieke formatie die twee federale parlementsleden telt, een beschermd letterwoord en een nationaal nummer zal hebben zodat zij op de stembiljetten bij de eerste lijsten zal worden geplaatst. » A.3. In zijn tweede middel klaagt de verzoeker aan dat de aangevochten bepalingen de politieke formaties met één federaal parlementslid op voet van gelijkheid stellen met gelijk welke splintergroep die enkele maanden vóór de verkiezingen is opgericht. Hij acht die identieke behandeling van personen die zich in verschillende situaties bevinden, onverantwoord. Hij beklemtoont de perverse gevolgen van de aangevochten norm in het licht van de artikelen 4 en 9 van de wet, volgens welke « van zodra een voordracht van kandidaten met de vermelding van een bepaald letterwoord is neergelegd, [ . ] de voorzitter van het (kieskring- of) collegehoofdbureau het gebruik van hetzelfde letterwoord door elke andere voordracht van kandidaten [weigert] ». Hij voert eraan toe : « Dat betekent dat gelijk welke splintergroep zou kunnen beslissen een lijst neer te leggen met hetzelfde letterwoord als een politieke formatie die door één federaal parlementslid vertegenwoordigd is en dat enkel de snelheid bij de wedloop of, in het ergste geval, de vaardigheid bij het straatgevecht zou beslissen wie, de splintergroep of de politieke formatie die in het federale Parlement vertegenwoordigd is, het letterwoord van die formatie zou mogen gebruiken. Uw Hof zal allicht begrijpen dat er niets objectiefs of redelijks is dat een dergelijke situatie kan verantwoorden. » Ten aanzien van het risico van moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.4. De verzoeker stelt dat, overeenkomstig de wet, het indienen van de akte voor de bescherming van het letterwoord zal gebeuren op de vijfenzestigste dag vóór de verkiezingen van 13 juni 1999, dus op vrijdag 9 april 1999.

Hij leidt daaruit af dat de aangevochten norm dringend moet worden geschorst, aangezien zijn ernstig nadeel erin bestaat : « - dat de lijsten die door de politieke formatie van de verzoeker worden voorgesteld, op de stembiljetten terechtkomen temidden van lijsten die voor de kiezer min of meer onbekend zijn en die, voor sommigen, een letterwoord hebben dat heel dicht bij dat van de verzoeker ligt, wat niet zonder weerslag op de kiesresultaten zou zijn. - dat aan de politieke formatie van de verzoeker gewoon zou kunnen worden geweigerd haar kieslijsten in te dienen ingeval de vertegenwoordigers van een splintergroep die haar letterwoord ambieert, sneller zouden hebben gelopen of harder zouden hebben geslagen bij de verrichtingen voor het indienen van de kandidatenlijsten ».

Hij is van mening dat een dergelijk nadeel moeilijk te herstellen is, tenzij een vernietiging van de verkiezingen door de pas verkozen vergaderingen zou worden overwogen, wat trouwens niet meer mogelijk zou zijn zodra het onderzoek van de geloofsbrieven is gebeurd, in welk geval het nadeel onherstelbaar zou zijn. - B - B.1. De verzoeker vordert de vernietiging en de schorsing van de artikelen 3 en 7, 1° en 2°, van de wet van 18 december 1998 tot regeling van de gelijktijdige of kort opeenvolgende verkiezingen voor de federale Wetgevende Kamers, het Europees Parlement en de Gewest- en Gemeenschapsraden. Hij doet gelden dat uit die bepalingen voortvloeit dat enkel de politieke formaties die reeds door meer dan één parlementslid vertegenwoordigd zijn in de federale wetgevende vergaderingen een bescherming van hun letterwoord kunnen verkrijgen.

B.2. Ter terechtzitting voert de Ministerraad als exceptie van niet-ontvankelijkheid aan dat de verzoeker niet de vereiste hoedanigheid noch het vereiste belang heeft om die bepalingen aan te vechten.

B.3. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing worden betrokken.

B.4. De verzoeker beroept zich op zijn hoedanigheid van lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en op zijn hoedanigheid van ondervoorzitter van het « Front national ».

B.5. De bestreden bepalingen hebben betrekking op een voordeel dat aan de politieke formaties toekomt en niet aan de individuele leden van die formaties.

B.6.1. Als lid van de Kamers van volksvertegenwoordigers heeft de verzoeker niet de vereiste hoedanigheid om voor het Hof belangen te behartigen van de politieke formatie waartoe hij behoort.

B.6.2. Als ondervoorzitter van het « Front national » heeft de verzoeker evenmin die hoedanigheid.

Uit de stukken die door de verzoeker ter terechtzitting zijn neergelegd, blijkt dat het « Front national » een feitelijke vereniging is.

De overgelegde statuten stellen dat de voorzitter van de vereniging « initie les actions en justice et peut y représenter le Parti » (« de vorderingen voor de rechtscolleges inleidt en er de Partij kan vertegenwoordigen ». De statuten bepalen voorts dat de ondervoorzitters de voorzitter bij zijn afwezigheid vervangen, maar voorzien niet in de mogelijkheid voor de voorzitter om zijn bevoegdheid om in rechte te treden te delegeren.

B.6.3. Weliswaar heeft de verzoeker ter zitting een stuk neergelegd ondertekend « Daniel Féret, Président du FN » waarin deze verklaart op de dag van de indiening van het beroep verhinderd te zijn geweest en waarin hij de verzoeker machtigt om te handelen uit zijn naam en namens het « Front national ».

Volgens het verzoekschrift handelt de verzoeker te dezen evenwel uit eigen naam en in zijn hoedanigheid van ondervoorzitter van die vereniging, en niet namens de feitelijke vereniging of in de plaats van de voorzitter.

Er blijkt niet dat de feitelijke vereniging heeft beslist tot het instellen van de vordering tot schorsing. Zelfs indien de hiervoor vermelde verklaring zou worden aangenomen als een geldige delegatie, dan nog kan de verzoeker niet op grond van die delegatie hebben gehandeld vermits deze dagtekent van 17 maart 1999, dus van een latere datum dan die van de indiening van het verzoekschrift.

B.7. De verzoeker zou zich tevergeefs op een functioneel belang beroepen, aangezien de aangevochten bepalingen geen betrekking hebben op een prerogatief eigen aan individuele verkozen vertegenwoordigers van politieke formaties, maar wel op de voorwaarden waaraan de politieke formaties als zodanig moeten voldoen om de bescherming van een letterwoord te verkrijgen.

B.8. In deze stand van de rechtspleging doet de verzoeker niet blijken van de vereiste hoedanigheid om het beroep tot vernietiging in te stellen. De vordering tot schorsing moet dienvolgens worden verworpen.

Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 april 1999, door de voormelde zetel, waarin de rechters E. Cerexhe en A. Arts voor de uitspraak zijn vervangen door de rechters J. Delruelle en M. Bossuyt, overeenkomstig artikel 110 van de voormelde wet.

De griffier;

L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^