Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 29 mei 1998

Arrest nr. 41/98 van 1 april 1998 Rolnummer : 1284 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest nr. 7(...)

bron
arbitragehof
numac
1998021212
pub.
29/05/1998
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 41/98 van 1 april 1998 Rolnummer : 1284 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State.

Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter M. Melchior en de rechters-verslaggevers E. Cerexhe en H. Boel, bijgestaan door de griffier L. Potoms, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest nr. 70.064 van 9 januari 1998 in zake R. Mousset tegen de Waalse Regering en C. Schroeders, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 januari 1998, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, de artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest en de delen II en III van het Verdrag nr. 151 betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, in zoverre het in die zin wordt uitgelegd dat de opvolger van een verantwoordelijke leider van een als feitelijke vereniging, zonder rechtspersoonlijkheid, opgerichte representatieve vakvereniging die zich tot de Raad van State wendt om de door de wet aan zijn organisatie verleende prerogatieven te doen respecteren, niet zou doen blijken van het vereiste belang om de door zijn voorganger ingestelde vordering te hervatten, en het aldus aan die vakvereniging de vrijheid ontneemt om de persoon te kiezen die ermee wordt belast de prerogatieven waarover zij krachtens de wet beschikt te verdedigen en om haar wijze van organisatie te kiezen, en haar het recht ontneemt iedere rechtsvordering naar billijkheid voort te zetten ? » II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 16 november 1994 heeft R. Mousset een verzoekschrift ingediend waarbij de vernietiging wordt gevorderd van de departementale dienstorder 94.33.(02) betreffende het gebruik van de dienstvoertuigen, die op 16 september 1994 werd verspreid door de secretaris-generaal van het Waalse Ministerie voor Uitrusting en Vervoer.

Op 19 augustus 1997 heeft C. Schroeders gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij.

In haar verzoekschrift beriep R. Mousset zich op een persoonlijk belang « in haar hoedanigheid van verantwoordelijke leidster van de vakvereniging die haar heeft aangewezen om ze in de onderhandelings- en overlegcomités te vertegenwoordigen ».

Na afloop van het statutair congres van 22 mei 1996 heeft de sector « Ministeries » van de Algemene Centrale der Openbare Diensten C. Schroeders verkozen als nationaal secretaris, ter vervanging van de verzoekster, die aldus de vereiste hoedanigheid heeft verloren om op geldige wijze een beroep tot vernietiging in te stellen voor de Raad van State.

In zijn verzoekschrift tot tussenkomst vordert C. Schroeders, de opvolger van de verzoekster, de hervatting van het geding en vraagt hij eveneens dat aan het Hof een prejudiciële vraag zou worden gesteld betreffende artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van 27 januari 1998 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Op 18 februari 1998 hebben de rechters-verslaggevers E. Cerexhe en H. Boel, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de organieke wet, voorzitter M. Melchior ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

Overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van de organieke wet is van de conclusies van de rechters-verslaggevers aan de partijen in het bodemgeschil kennisgegeven bij op 19 februari 1998 ter post aangetekende brieven.

Memories met verantwoording zijn ingediend door : - C. Schroeders, die keuze van woonplaats heeft gedaan bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten, Fontainasplein 9/11, te 1000 Brussel, bij op 27 februari 1998 ter post aangetekende brief; - de Waalse Regering, rue Mazy 25-27, 5100 Namen, bij op 11 maart 1998 ter post aangetekende brief.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV. In rechte - A - A.1. De rechters-verslaggevers zijn van oordeel dat de beperkte kamer van het Hof ertoe zou kunnen worden gebracht, met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de zaak af te doen met een arrest waarin zij zou vaststellen dat het Hof kennelijk niet bevoegd is.

A.2. In zijn memorie met verantwoording beweert C. Schroeders dat hij zich bij die conclusies niet kan aansluiten omdat hij van oordeel is dat geen enkele interpretatie van de bepalingen betreffende het belang van de personen grondslag kan vinden zonder rekening te houden met de bepalingen van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Organiseren de artikelen 55 tot 58 van de procedureregels weliswaar de manier waarop een persoon een andere kan opvolgen in de loop van een geding, zij betreffen evenwel slechts wijzen waarop de verplichting wordt georganiseerd om te doen blijken van een belang, die vervat is in het voormelde artikel 19.

A.3. In haar memorie met verantwoording neemt de Waalse Regering de conclusies van de rechters-verslaggevers over en besluit dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over een norm met een verordenend karakter, noch a fortiori over de interpretatie van een dergelijke norm. - B - B.1. Uit de feitelijke elementen van het dossier en uit de overwegingen zelf van het verwijzingsarrest blijkt dat de grief van de tussenkomende partij in werkelijkheid betrekking heeft op de interpretatie die de Raad van State heeft gegeven aan de artikelen 55 tot 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, en niet op artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de in het geding zijnde problematiek op generlei wijze regelt.

In weerwil van de formulering van de prejudiciële vraag gaat het in de zaak die voor de Raad van State aanhangig is enkel en alleen om een norm met een verordenend karakter.

B.2. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een norm met een verordenend karakter, noch a fortiori over de interpretatie van een dergelijke norm. De aan het Hof gestelde prejudiciële vraag valt dus kennelijk niet onder zijn bevoegdheid.

Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof niet bevoegd is.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 april 1998.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^