← Terug naar "Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting als wetenschappelijke instelling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België "
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting als wetenschappelijke instelling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België | Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting als wetenschappelijke instelling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België |
---|---|
PROGRAMMATORISCHE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WETENSCHAPSBELEID | PROGRAMMATORISCHE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WETENSCHAPSBELEID |
24 JULI 2008. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk | 24 JULI 2008. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk |
besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting als wetenschappelijke | besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting als wetenschappelijke |
instelling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België | instelling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België |
ALBERT II, Koning der Belgen, | ALBERT II, Koning der Belgen, |
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. | Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. |
Gelet op artikel 37 van de Grondwet; | Gelet op artikel 37 van de Grondwet; |
Gelet op het koninklijk besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting | Gelet op het koninklijk besluit van 7 januari 1835 houdende oprichting |
als wetenschappelijke instelling van de Koninklijke Musea voor Schone | als wetenschappelijke instelling van de Koninklijke Musea voor Schone |
Kunsten van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 | Kunsten van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 |
augustus 2002; | augustus 2002; |
Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1951 betreffende de | Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1951 betreffende de |
inventarissen, de bewaargevingen en de bruikleningen van kunstwerken; | inventarissen, de bewaargevingen en de bruikleningen van kunstwerken; |
Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van | Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van |
het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, | het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, |
inzonderheid op artikel 2, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk | inzonderheid op artikel 2, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk |
besluit van 26 mei 1999; | besluit van 26 mei 1999; |
Gelet op het ministerieel besluit van 9 maart 1951 houdende toekenning | Gelet op het ministerieel besluit van 9 maart 1951 houdende toekenning |
van delegatie aan de directeur-generaal van het Bestuur van Schone | van delegatie aan de directeur-generaal van het Bestuur van Schone |
Kunsten en Letteren inzake bewaargevingen en bruikleningen van | Kunsten en Letteren inzake bewaargevingen en bruikleningen van |
kunstvoorwerpen; | kunstvoorwerpen; |
Overwegende dat voornoemde besluiten van 1951 thans geen wettelijke of | Overwegende dat voornoemde besluiten van 1951 thans geen wettelijke of |
regelgevende grondslag hebben en dat zij bovendien ook de | regelgevende grondslag hebben en dat zij bovendien ook de |
wetenschappelijke autonomie van de Koninklijke Musea voor Schone | wetenschappelijke autonomie van de Koninklijke Musea voor Schone |
Kunsten van België belemmeren die hun gewaarborgd wordt bij het | Kunsten van België belemmeren die hun gewaarborgd wordt bij het |
koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het statuut | koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het statuut |
van de federale wetenschappelijke instellingen en dat zij | van de federale wetenschappelijke instellingen en dat zij |
dienovereenkomstig onverwijld moeten worden opgeheven; | dienovereenkomstig onverwijld moeten worden opgeheven; |
Overwegende dat de opdrachten van de Koninklijke Musea voor Schone | Overwegende dat de opdrachten van de Koninklijke Musea voor Schone |
Kunsten van België dienen te worden geactualiseerd om rekening te | Kunsten van België dienen te worden geactualiseerd om rekening te |
houden met de oprichting van het Magrittemuseum en de overname van het | houden met de oprichting van het Magrittemuseum en de overname van het |
zogenoemde Breughelhuis; | zogenoemde Breughelhuis; |
Gelet op het advies van de wetenschappelijke raad van de Koninklijke | Gelet op het advies van de wetenschappelijke raad van de Koninklijke |
Musea voor Schone Kunsten van België, gegeven op 3 maart 2008; | Musea voor Schone Kunsten van België, gegeven op 3 maart 2008; |
Op de voordracht van Onze Minister van Wetenschapsbeleid, | Op de voordracht van Onze Minister van Wetenschapsbeleid, |
Hebben Wij besloten en besluiten Wij : | Hebben Wij besloten en besluiten Wij : |
Artikel 1.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 januari 1835 |
Artikel 1.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 januari 1835 |
houdende oprichting als wetenschappelijke instelling van de | houdende oprichting als wetenschappelijke instelling van de |
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vervangen bij het | Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vervangen bij het |
koninklijk besluit van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt : | koninklijk besluit van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt : |
« Art. 2.De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België bestaan |
« Art. 2.De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België bestaan |
uit het Museum voor Oude Kunst, het Museum voor Moderne Kunst, het | uit het Museum voor Oude Kunst, het Museum voor Moderne Kunst, het |
Magrittemuseum, het Antoine Wiertzmuseum en het Constantin | Magrittemuseum, het Antoine Wiertzmuseum en het Constantin |
Meuniermuseum. | Meuniermuseum. |
Zij beheren ook het zogenaamde Breughelhuis. » | Zij beheren ook het zogenaamde Breughelhuis. » |
Art. 2.Opgeheven worden : |
Art. 2.Opgeheven worden : |
1° het koninklijk besluit van 8 maart 1951 betreffende de | 1° het koninklijk besluit van 8 maart 1951 betreffende de |
inventarissen, de bewaargevingen en de bruikleningen van kunstwerken; | inventarissen, de bewaargevingen en de bruikleningen van kunstwerken; |
2° het ministerieel besluit van 9 maart 1951 houdende toekenning van | 2° het ministerieel besluit van 9 maart 1951 houdende toekenning van |
delegatie aan de directeurgeneraal van het Bestuur van Schone Kunsten | delegatie aan de directeurgeneraal van het Bestuur van Schone Kunsten |
en Letteren inzake bewaargevingen en bruikleningen van kunstwerken. | en Letteren inzake bewaargevingen en bruikleningen van kunstwerken. |
In afwijkingen van de voorgaande leden, blijven artikelen 7 tot 11 van | In afwijkingen van de voorgaande leden, blijven artikelen 7 tot 11 van |
voornoemd koninklijk besluit van 8 maart 1951 van toepassing tot de | voornoemd koninklijk besluit van 8 maart 1951 van toepassing tot de |
volledige teruggave van alle kunstwerken van de Koninklijke Musea voor | volledige teruggave van alle kunstwerken van de Koninklijke Musea voor |
Schone Kunsten die in bewaring werden gegeven overeenkomstig die | Schone Kunsten die in bewaring werden gegeven overeenkomstig die |
bepalingen. | bepalingen. |
Art. 3.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het |
Art. 3.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het |
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. | Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. |
Art. 4.Onze Minister van Wetenschapsbeleid is belast met de |
Art. 4.Onze Minister van Wetenschapsbeleid is belast met de |
uitvoering van dit besluit. | uitvoering van dit besluit. |
Gegeven te Brussel, 24 juli 2008. | Gegeven te Brussel, 24 juli 2008. |
ALBERT | ALBERT |
Van Koningswege : | Van Koningswege : |
De Minister van Wetenschapsbeleid, | De Minister van Wetenschapsbeleid, |
Mevr. S. LARUELLE | Mevr. S. LARUELLE |