Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming | Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming |
---|---|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG | FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG |
17 AUGUSTUS 2018. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend | 17 AUGUSTUS 2018. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend |
wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december | wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december |
2017, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de | 2017, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de |
voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming (1) | voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming (1) |
FILIP, Koning der Belgen, | FILIP, Koning der Belgen, |
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. | Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. |
Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve | Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve |
arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel | arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel |
28; | 28; |
Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden uit de | Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden uit de |
voedingsnijverheid; | voedingsnijverheid; |
Op de voordracht van de Minister van Werk, | Op de voordracht van de Minister van Werk, |
Hebben Wij besloten en besluiten Wij : | Hebben Wij besloten en besluiten Wij : |
Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage |
Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage |
overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017, | overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017, |
gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de | gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de |
voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming. | voedingsnijverheid, betreffende de permanente vorming. |
Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van |
Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van |
dit besluit. | dit besluit. |
Gegeven te Brussel, 17 augustus 2018. | Gegeven te Brussel, 17 augustus 2018. |
FILIP | FILIP |
Van Koningswege : | Van Koningswege : |
De Minister van Werk, | De Minister van Werk, |
K. PEETERS | K. PEETERS |
_______ | _______ |
Nota | Nota |
(1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : | (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : |
Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. | Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. |
Bijlage | Bijlage |
Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid | Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid |
Collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017 | Collectieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2017 |
Permanente vorming | Permanente vorming |
(Overeenkomst geregistreerd op 22 februari 2018 onder het nummer | (Overeenkomst geregistreerd op 22 februari 2018 onder het nummer |
144694/CO/220) | 144694/CO/220) |
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied | HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied |
Artikel 1.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing |
Artikel 1.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing |
op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen die tot de | op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen die tot de |
bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden uit de | bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden uit de |
voedingsnijverheid behoren. | voedingsnijverheid behoren. |
§ 2. Met "bedienden" worden de mannelijke en de vrouwelijke bedienden | § 2. Met "bedienden" worden de mannelijke en de vrouwelijke bedienden |
bedoeld. | bedoeld. |
HOOFDSTUK II. - Permanente vorming | HOOFDSTUK II. - Permanente vorming |
Art. 2.§ 1. De werkgever is eraan gehouden een volume professionele |
Art. 2.§ 1. De werkgever is eraan gehouden een volume professionele |
vorming te organiseren voor de bedienden, overeenstemmend op jaarbasis | vorming te organiseren voor de bedienden, overeenstemmend op jaarbasis |
met 1,30 pct. van het totaal volume van de gepresteerde arbeidstijd | met 1,30 pct. van het totaal volume van de gepresteerde arbeidstijd |
van alle bedienden van de onderneming. | van alle bedienden van de onderneming. |
§ 2. Bij toepassing van artikel 30, § 7 van de wet van 23 december | § 2. Bij toepassing van artikel 30, § 7 van de wet van 23 december |
2005 betreffende het Generatiepact (Belgisch Staatsblad van 30 | 2005 betreffende het Generatiepact (Belgisch Staatsblad van 30 |
december 2005) en het koninklijk besluit van 11 oktober 2007 tot | december 2005) en het koninklijk besluit van 11 oktober 2007 tot |
uitvoering van artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende | uitvoering van artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende |
het Generatiepact (Belgisch Staatblad van 5 december 2007), komen de | het Generatiepact (Belgisch Staatblad van 5 december 2007), komen de |
partijen overeen om de vormingsinspanningen in 2017 te behouden op dit | partijen overeen om de vormingsinspanningen in 2017 te behouden op dit |
niveau. | niveau. |
§ 3. Vanaf 1 januari 2018 zal de verplichting om 1,30 pct. van de | § 3. Vanaf 1 januari 2018 zal de verplichting om 1,30 pct. van de |
gepresteerde arbeidstijd van alle bedienden in de onderneming te | gepresteerde arbeidstijd van alle bedienden in de onderneming te |
besteden aan vorming omgezet worden naar gemiddeld 3 dagen vorming per | besteden aan vorming omgezet worden naar gemiddeld 3 dagen vorming per |
voltijds equivalent per jaar. | voltijds equivalent per jaar. |
Deze 3 dagen zullen geleidelijk verhoogd worden om gemiddeld 5 dagen | Deze 3 dagen zullen geleidelijk verhoogd worden om gemiddeld 5 dagen |
opleiding te bereiken per voltijds equivalent. | opleiding te bereiken per voltijds equivalent. |
§ 4. Vanaf 1 januari 2018 beschikt iedere werknemer over een | § 4. Vanaf 1 januari 2018 beschikt iedere werknemer over een |
individueel opleidingskrediet van gemiddeld 2 dagen per voltijds | individueel opleidingskrediet van gemiddeld 2 dagen per voltijds |
equivalent per jaar. | equivalent per jaar. |
Paritaire commentaar : | Paritaire commentaar : |
Het aantal dagen waarvan sprake in voorafgaand artikel betreft een | Het aantal dagen waarvan sprake in voorafgaand artikel betreft een |
gemiddelde over twee kalenderjaren vanaf 1 januari 2018 (2018-2019, | gemiddelde over twee kalenderjaren vanaf 1 januari 2018 (2018-2019, |
2020-2021,...). Dit houdt evenwel geen voorafname in van een eventuele | 2020-2021,...). Dit houdt evenwel geen voorafname in van een eventuele |
verhoging in de komende sectorale onderhandelingen. | verhoging in de komende sectorale onderhandelingen. |
Art. 3.§ 1. In de ondernemingen met 20 werknemers en meer zal een |
Art. 3.§ 1. In de ondernemingen met 20 werknemers en meer zal een |
opleidingsplan opgesteld worden om de doelstelling uit artikel 2 te | opleidingsplan opgesteld worden om de doelstelling uit artikel 2 te |
bereiken. | bereiken. |
§ 2. Ondernemingen kunnen voor het opmaken van hun opleidingsplan een | § 2. Ondernemingen kunnen voor het opmaken van hun opleidingsplan een |
beroep doen op de ondersteuning van het IPV. | beroep doen op de ondersteuning van het IPV. |
§ 3. Het opleidingsplan zal met de ondernemingsraad en bij | § 3. Het opleidingsplan zal met de ondernemingsraad en bij |
ontstentenis, de vakbondsafvaardiging overlegd worden. De werkgever | ontstentenis, de vakbondsafvaardiging overlegd worden. De werkgever |
dient de informatie over de toepassing van deze maatregel te | dient de informatie over de toepassing van deze maatregel te |
organiseren zoals artikel 8 van collectieve arbeidsovereenkomst nummer | organiseren zoals artikel 8 van collectieve arbeidsovereenkomst nummer |
9 en de reglementering betreffende de sociale balans het | 9 en de reglementering betreffende de sociale balans het |
voorschrijven. | voorschrijven. |
§ 4. In het opleidingsplan zal bijzondere aandacht uitgaan naar de | § 4. In het opleidingsplan zal bijzondere aandacht uitgaan naar de |
risicogroepen en ruime participatie van alle werknemersgroepen. | risicogroepen en ruime participatie van alle werknemersgroepen. |
§ 5. Om aanspraak te kunnen maken op de finan-ciële tussenkomst van | § 5. Om aanspraak te kunnen maken op de finan-ciële tussenkomst van |
IPV zal de onderneming met meer dan 20 werknemers over een | IPV zal de onderneming met meer dan 20 werknemers over een |
opleidingsplan moeten beschikken opgesteld conform de collectieve | opleidingsplan moeten beschikken opgesteld conform de collectieve |
arbeidsovereenkomst van 10 februari 2014 inzake het sectoraal model | arbeidsovereenkomst van 10 februari 2014 inzake het sectoraal model |
van opleidingsplan (algemeen verbindend verklaard door het koninklijk | van opleidingsplan (algemeen verbindend verklaard door het koninklijk |
besluit van 19 september 2014, Belgisch Staatsblad van 5 december | besluit van 19 september 2014, Belgisch Staatsblad van 5 december |
2014). | 2014). |
Paritaire commentaar : | Paritaire commentaar : |
Tot 31 december 2017 zal de werkgever op het einde van elk jaar moeten | Tot 31 december 2017 zal de werkgever op het einde van elk jaar moeten |
kunnen bewijzen dat hij een aantal uren vorming georganiseerd heeft | kunnen bewijzen dat hij een aantal uren vorming georganiseerd heeft |
ten belope van 1,30 pct. van het totaal van gepresteerde arbeidsuren | ten belope van 1,30 pct. van het totaal van gepresteerde arbeidsuren |
van alle bedienden samen, en 3 dagen vanaf 1 januari 2018. | van alle bedienden samen, en 3 dagen vanaf 1 januari 2018. |
De maatregel bedoeld in artikel 2, § 3 en § 4 zal het voorwelp | De maatregel bedoeld in artikel 2, § 3 en § 4 zal het voorwelp |
uitmaken van een evaluatie na een periode van 2 jaar. | uitmaken van een evaluatie na een periode van 2 jaar. |
De sociale partners raden aan deze berekeningen te laten | De sociale partners raden aan deze berekeningen te laten |
overeenstemmen met deze van de sociale balans. | overeenstemmen met deze van de sociale balans. |
Het totaal volume arbeidstijd komt overeen met het aantal gepresteerde | Het totaal volume arbeidstijd komt overeen met het aantal gepresteerde |
uren opgegeven in de sociale balans onder de rubriek 101. Het aantal | uren opgegeven in de sociale balans onder de rubriek 101. Het aantal |
opleidingsuren staat onder de rubrieken 5802/5812, 5822/5832 en | opleidingsuren staat onder de rubrieken 5802/5812, 5822/5832 en |
5842/5852. | 5842/5852. |
Voor het begrip professionele vorming verwijzen we naar de definitie | Voor het begrip professionele vorming verwijzen we naar de definitie |
in de toelichtingsnota van de Nationale Bank met betrekking tot de | in de toelichtingsnota van de Nationale Bank met betrekking tot de |
opleidingsactiviteiten opgenomen in de sociale balans. Onder deze | opleidingsactiviteiten opgenomen in de sociale balans. Onder deze |
opleidingsactiviteiten vallen zowel de formele en de minder formele en | opleidingsactiviteiten vallen zowel de formele en de minder formele en |
informele voortgezette beroepsopleiding als de initiële | informele voortgezette beroepsopleiding als de initiële |
beroepsopleidingsinitiatieven ten laste van de werkgever. | beroepsopleidingsinitiatieven ten laste van de werkgever. |
De tijd besteed aan professionele vorming dient beschouwd te worden | De tijd besteed aan professionele vorming dient beschouwd te worden |
als arbeidstijd vermits de bediende ter beschikking van de werkgever | als arbeidstijd vermits de bediende ter beschikking van de werkgever |
staat. | staat. |
§ 6. Elke bediende beschikt over een initiatiefrecht om een onderhoud | § 6. Elke bediende beschikt over een initiatiefrecht om een onderhoud |
te vragen met de verantwoordelijke over zijn opleidingsmogelijkheden. | te vragen met de verantwoordelijke over zijn opleidingsmogelijkheden. |
Tijdens dit onderhoud zal het opleidingsaanbod van IPV bekend gemaakt | Tijdens dit onderhoud zal het opleidingsaanbod van IPV bekend gemaakt |
worden. | worden. |
§ 7. De werknemersvertegenwoordigers/leden van de syndicale delegatie | § 7. De werknemersvertegenwoordigers/leden van de syndicale delegatie |
zullen het opleidingsaanbod van het IPV ontvangen en dit binnen de | zullen het opleidingsaanbod van het IPV ontvangen en dit binnen de |
onderneming kunnen bekend maken. | onderneming kunnen bekend maken. |
§ 8. De sociale partners bevelen de ondernemingen aan om in de mate | § 8. De sociale partners bevelen de ondernemingen aan om in de mate |
van het mogelijke vorming te laten doorgaan tijdens de normale | van het mogelijke vorming te laten doorgaan tijdens de normale |
arbeidstijd van de werknemers. | arbeidstijd van de werknemers. |
HOOFDSTUK III. - Onthaal van werknemers | HOOFDSTUK III. - Onthaal van werknemers |
Art. 4.§ 1. Partijen herinneren aan het koninklijk besluit van 25 |
Art. 4.§ 1. Partijen herinneren aan het koninklijk besluit van 25 |
april 2007 betreffende het onthaal en de begeleiding van werknemers | april 2007 betreffende het onthaal en de begeleiding van werknemers |
met betrekking tot de bescherming van het welzijn bij de uitvoering | met betrekking tot de bescherming van het welzijn bij de uitvoering |
van hun werk (Belgisch Staatsblad van 10 mei 2007). | van hun werk (Belgisch Staatsblad van 10 mei 2007). |
§ 2. Met de ondernemingsraad en bij ontstentenis, de | § 2. Met de ondernemingsraad en bij ontstentenis, de |
vakbondsafvaardiging zal overlegd worden over de praktische toepassing | vakbondsafvaardiging zal overlegd worden over de praktische toepassing |
van dit koninklijk besluit in de onderneming en met name over de | van dit koninklijk besluit in de onderneming en met name over de |
faciliteiten en opleiding van de ervaren werknemers die worden | faciliteiten en opleiding van de ervaren werknemers die worden |
aangeduid voor de begeleiding van de beginnende werknemer. Het IPV zal | aangeduid voor de begeleiding van de beginnende werknemer. Het IPV zal |
een kosteloze training aanbieden om deze ervaren werknemers op te | een kosteloze training aanbieden om deze ervaren werknemers op te |
leiden voor deze taak. | leiden voor deze taak. |
HOOFDSTUK IV. - Inspanningen ten voordele van de risicogroepen | HOOFDSTUK IV. - Inspanningen ten voordele van de risicogroepen |
Art. 5.§ 1. Huidig hoofdstuk wordt gesloten enerzijds in toepassing |
Art. 5.§ 1. Huidig hoofdstuk wordt gesloten enerzijds in toepassing |
van titel XIII, hoofdstuk VIII, afdeling 1 van de wet van 27 december | van titel XIII, hoofdstuk VIII, afdeling 1 van de wet van 27 december |
2006 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 28 | 2006 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 28 |
december 2006) en anderzijds het koninklijk besluit van 19 februari | december 2006) en anderzijds het koninklijk besluit van 19 februari |
2013 tot uitvoering van artikel 189, 4de lid van dezelfde wet, laatst | 2013 tot uitvoering van artikel 189, 4de lid van dezelfde wet, laatst |
gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 april 2014 (Belgisch | gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 april 2014 (Belgisch |
Staatsblad van 8 april 2013). | Staatsblad van 8 april 2013). |
§ 2. Gedurende de jaren 2017-2018 zal de sector 0,15 pct. van de | § 2. Gedurende de jaren 2017-2018 zal de sector 0,15 pct. van de |
brutolonen besteden aan de vorming van werkenden en werkzoekenden uit | brutolonen besteden aan de vorming van werkenden en werkzoekenden uit |
de risicogroepen. | de risicogroepen. |
Art. 6.Worden als risicogroepen beschouwd : |
Art. 6.Worden als risicogroepen beschouwd : |
- De werklozen in het algemeen en werklozen jonger dan 30 jaar in het | - De werklozen in het algemeen en werklozen jonger dan 30 jaar in het |
bijzonder; | bijzonder; |
- De laaggeschoolde werknemers; | - De laaggeschoolde werknemers; |
- De werknemers ouder dan 50 jaar; | - De werknemers ouder dan 50 jaar; |
- De werknemers bedreigd door een herstructurering, een collectief | - De werknemers bedreigd door een herstructurering, een collectief |
ontslag of een sluiting van onderneming; | ontslag of een sluiting van onderneming; |
- De ontslagen werknemers; | - De ontslagen werknemers; |
- De gehandicapten; | - De gehandicapten; |
- De allochtonen; | - De allochtonen; |
- De industriële leerlingen; | - De industriële leerlingen; |
- De werknemers vermeld in artikel 7, voor zover niet gevat door de | - De werknemers vermeld in artikel 7, voor zover niet gevat door de |
voorgaande punten. | voorgaande punten. |
Art. 7.Volgende inspanningen zullen worden gedaan tijdens de jaren |
Art. 7.Volgende inspanningen zullen worden gedaan tijdens de jaren |
2017-2018 : | 2017-2018 : |
§ 1. Het aantal industriële leerlingen gespreid over twee jaar zal | § 1. Het aantal industriële leerlingen gespreid over twee jaar zal |
minstens 200 bedragen. | minstens 200 bedragen. |
§ 2. Het aantal werkzoekenden en werkenden uit de risicogroepen dat | § 2. Het aantal werkzoekenden en werkenden uit de risicogroepen dat |
een IPV-vorming geniet zal jaarlijks minstens 3 000 bedragen. | een IPV-vorming geniet zal jaarlijks minstens 3 000 bedragen. |
§ 3. De vorming van werkzoekenden onder de risicogroepen zal zodanig | § 3. De vorming van werkzoekenden onder de risicogroepen zal zodanig |
georganiseerd worden dat de kansen op tewerkstelling in de sector | georganiseerd worden dat de kansen op tewerkstelling in de sector |
reëel zijn. | reëel zijn. |
§ 4. Een jaarlijkse inspanning van minstens 0,05 pct. (van de 0,15 | § 4. Een jaarlijkse inspanning van minstens 0,05 pct. (van de 0,15 |
pct.) van de brutolonen zal gedaan worden voor personen in doelgroepen | pct.) van de brutolonen zal gedaan worden voor personen in doelgroepen |
opgenomen in het koninklijk besluit van 19 februari 2013 tot | opgenomen in het koninklijk besluit van 19 februari 2013 tot |
uitvoering van artikel 189, 4de lid van de wet van 27 december 2006 | uitvoering van artikel 189, 4de lid van de wet van 27 december 2006 |
houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 8 april | houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 8 april |
2013). | 2013). |
§ 5. In toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 | § 5. In toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 |
februari 2013 tot uitvoering van artikel 189, 4de lid van de wet van | februari 2013 tot uitvoering van artikel 189, 4de lid van de wet van |
27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), gewijzigd door het | 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), gewijzigd door het |
koninklijk besluit van 23 augustus 2015, wordt ten minste 0,05 pct. | koninklijk besluit van 23 augustus 2015, wordt ten minste 0,05 pct. |
besteed aan initiatieven ten voordele van personen die nog geen 26 | besteed aan initiatieven ten voordele van personen die nog geen 26 |
jaar oud zijn en tot de risicogroepen behoren. | jaar oud zijn en tot de risicogroepen behoren. |
§ 6. De in § 5 bedoelde inspanningen worden geconcretiseerd door het | § 6. De in § 5 bedoelde inspanningen worden geconcretiseerd door het |
sluiten van één of meerdere partnerschapsovereenkomsten tussen het IPV | sluiten van één of meerdere partnerschapsovereenkomsten tussen het IPV |
en de ondernemingen, de onderwijs- of vormingsinstellingen of de | en de ondernemingen, de onderwijs- of vormingsinstellingen of de |
gewestelijke arbeidsbemiddelings- of opleidingsdiensten. | gewestelijke arbeidsbemiddelings- of opleidingsdiensten. |
§ 7. De in § 5 bedoelde inspanningen worden uitgevoerd door : | § 7. De in § 5 bedoelde inspanningen worden uitgevoerd door : |
- ingroeibanen zoals beschreven in artikel 3°/1 van het koninklijk | - ingroeibanen zoals beschreven in artikel 3°/1 van het koninklijk |
besluit van 26 november 2013; | besluit van 26 november 2013; |
- het stageaanbod in de onderneming; | - het stageaanbod in de onderneming; |
- de aanwerving in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde | - de aanwerving in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde |
of onbepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk zoals bedoeld | of onbepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk zoals bedoeld |
in artikel 7 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de | in artikel 7 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de |
arbeidsovereenkomsten; | arbeidsovereenkomsten; |
- het opleidingsaanbod in ondernemingen of in externe instellingen; | - het opleidingsaanbod in ondernemingen of in externe instellingen; |
- de vorming van opleiders; | - de vorming van opleiders; |
- de investering in het technologisch materiaal; | - de investering in het technologisch materiaal; |
- het gezamenlijk gebruik van opleidingsmateriaal; | - het gezamenlijk gebruik van opleidingsmateriaal; |
- de investering in laaggeschoolde jongeren jonger dan 26 jaar die | - de investering in laaggeschoolde jongeren jonger dan 26 jaar die |
gedurende hun eerste 12 maanden van tewerkstelling recht hebben op een | gedurende hun eerste 12 maanden van tewerkstelling recht hebben op een |
budget van 2 500 EUR voor het volgen van opleidingen via IPV. De | budget van 2 500 EUR voor het volgen van opleidingen via IPV. De |
modaliteiten zullen afgesproken worden binnen de raad van beheer van | modaliteiten zullen afgesproken worden binnen de raad van beheer van |
IPV. | IPV. |
HOOFDSTUK V. - Berekening van de theoretische verplichting tot het | HOOFDSTUK V. - Berekening van de theoretische verplichting tot het |
aanwerven van jongeren met een startbaanovereenkomst voor de sector | aanwerven van jongeren met een startbaanovereenkomst voor de sector |
Art. 8.Volgens de recentste statistische gegevens van de Centrale |
Art. 8.Volgens de recentste statistische gegevens van de Centrale |
Raad voor het Bedrijfsleven stelden de ondernemingen van de sector met | Raad voor het Bedrijfsleven stelden de ondernemingen van de sector met |
50 of meer werknemers, op 30 juni 2012 58 308 werknemers tewerk. | 50 of meer werknemers, op 30 juni 2012 58 308 werknemers tewerk. |
Op basis van deze gegevens is de sector verplicht om voor 1 749 | Op basis van deze gegevens is de sector verplicht om voor 1 749 |
personen een startbaanovereenkomst te sluiten. | personen een startbaanovereenkomst te sluiten. |
HOOFDSTUK VI. - Outplacement | HOOFDSTUK VI. - Outplacement |
Art. 9.In de schoot van de raad van bestuur van IPV zullen de |
Art. 9.In de schoot van de raad van bestuur van IPV zullen de |
partijen de modaliteiten en het nodige budget onderzoeken om de | partijen de modaliteiten en het nodige budget onderzoeken om de |
ontslagen bedienden een outplacement te kunnen aanbieden. | ontslagen bedienden een outplacement te kunnen aanbieden. |
HOOFDSTUK VII. - Financiering IPV | HOOFDSTUK VII. - Financiering IPV |
Art. 10.De bijdrage van de werkgever is per bediende vastgesteld op |
Art. 10.De bijdrage van de werkgever is per bediende vastgesteld op |
0,20 pct. van de lonen en dit voor onbepaalde duur. | 0,20 pct. van de lonen en dit voor onbepaalde duur. |
HOOFDSTUK VIII. - Geldigheidsduur | HOOFDSTUK VIII. - Geldigheidsduur |
Art. 11.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking |
Art. 11.§ 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking |
op 1 januari 2017 en geldt voor onbepaalde tijd. | op 1 januari 2017 en geldt voor onbepaalde tijd. |
§ 2. Zij vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 september | § 2. Zij vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 september |
2015 beftreffende de permanente vorming voor de bedienden uit de | 2015 beftreffende de permanente vorming voor de bedienden uit de |
voedingsnijverheid, afgesloten in de schoot van het Paritair Comité | voedingsnijverheid, afgesloten in de schoot van het Paritair Comité |
voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, geregistreerd onder het | voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, geregistreerd onder het |
nr. 129869/CO/220. | nr. 129869/CO/220. |
§ 3. De collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door één | § 3. De collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door één |
der partijen, met een opzegging van drie maanden betekend bij een ter | der partijen, met een opzegging van drie maanden betekend bij een ter |
post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair | post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair |
Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid en aan de erin | Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid en aan de erin |
vertegenwoordigde organisaties. | vertegenwoordigde organisaties. |
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 17 augustus | Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 17 augustus |
2018. | 2018. |
De Minister van Werk, | De Minister van Werk, |
K. PEETERS | K. PEETERS |