← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 Rolnummer : 5378 In zake :
de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te
Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voo wijst na beraad
het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging"
Uittreksel uit arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 Rolnummer : 5378 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voo wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | Uittreksel uit arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 Rolnummer : 5378 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voo wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 | Uittreksel uit arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 |
Rolnummer : 5378 | Rolnummer : 5378 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het |
Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. | Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de | samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de |
rechters E. De Groot, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey | rechters E. De Groot, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey |
en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder | en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder |
voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, | voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij arrest van 15 maart 2012 in zake het openbaar ministerie en de | Bij arrest van 15 maart 2012 in zake het openbaar ministerie en de |
minister van Financiën tegen V. D.J.S. en de bvba « V. I.-E. », | minister van Financiën tegen V. D.J.S. en de bvba « V. I.-E. », |
waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 april | waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 april |
2012, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag | 2012, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag |
gesteld : | gesteld : |
« Schendt artikel 2, eerste en tweede lid, van het Strafwetboek, in | « Schendt artikel 2, eerste en tweede lid, van het Strafwetboek, in |
die zin geïnterpreteerd dat in geval van misdrijf gepleegd onder de | die zin geïnterpreteerd dat in geval van misdrijf gepleegd onder de |
gelding van de vroegere wet van 10 juni 1997, waarvan artikel 39, | gelding van de vroegere wet van 10 juni 1997, waarvan artikel 39, |
eerste lid, waarbij een geldboete wordt opgelegd, is vernietigd bij | eerste lid, waarbij een geldboete wordt opgelegd, is vernietigd bij |
arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008, dat misdrijf op | arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008, dat misdrijf op |
het ogenblik van het vonnis strafbaar is met een geldboete opgelegd | het ogenblik van het vonnis strafbaar is met een geldboete opgelegd |
bij artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en | bij artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en |
diverse bepalingen en artikel 45, eerste lid, van de wet van 22 | diverse bepalingen en artikel 45, eerste lid, van de wet van 22 |
december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, zodat | december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, zodat |
de beklaagden die berecht worden na de inwerkingtreding van de | de beklaagden die berecht worden na de inwerkingtreding van de |
voormelde bepalingen niet de gedeeltelijke vernietiging van het | voormelde bepalingen niet de gedeeltelijke vernietiging van het |
voormelde artikel 39, eerste lid, kunnen genieten, de artikelen 12 en | voormelde artikel 39, eerste lid, kunnen genieten, de artikelen 12 en |
14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 | 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 |
van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de | van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de |
fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ? ». | fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. Artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende | B.1. Artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende |
de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en | de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en |
het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij | het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij |
artikel 2, nr. 22, van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 « | artikel 2, nr. 22, van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 « |
houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de | houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de |
invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op | invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op |
aangelegenheden zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die | aangelegenheden zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die |
ressorteert onder het Ministerie van Financiën » en bij artikel 42, | ressorteert onder het Ministerie van Financiën » en bij artikel 42, |
5°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2001 « houdende uitvoering | 5°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2001 « houdende uitvoering |
van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de | van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de |
wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden zoals bedoeld in | wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden zoals bedoeld in |
artikel 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het Ministerie van | artikel 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het Ministerie van |
Financiën », bepaalde : | Financiën », bepaalde : |
« Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg | « Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg |
heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van | heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van |
tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 EUR ». | tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 EUR ». |
B.2. Bij zijn arrest nr. 165/2006 van 8 november 2006 heeft het Hof | B.2. Bij zijn arrest nr. 165/2006 van 8 november 2006 heeft het Hof |
voor recht gezegd dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de | voor recht gezegd dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees | Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees |
Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre zij de | Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre zij de |
strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden | strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden |
bestaan, de erin bepaalde geldboete op enigerlei wijze te matigen. Het | bestaan, de erin bepaalde geldboete op enigerlei wijze te matigen. Het |
Hof heeft dezelfde beslissing genomen bij zijn arrest nr. 199/2006 van | Hof heeft dezelfde beslissing genomen bij zijn arrest nr. 199/2006 van |
13 december 2006. | 13 december 2006. |
B.3. Bij zijn arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Hof | B.3. Bij zijn arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Hof |
artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 vernietigd, in | artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 vernietigd, in |
zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende | zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende |
omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te | omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te |
matigen en in zoverre het, door niet te voorzien in een maximum- en | matigen en in zoverre het, door niet te voorzien in een maximum- en |
minimumgeldboete, afbreuk kan doen aan het recht op het ongestoord | minimumgeldboete, afbreuk kan doen aan het recht op het ongestoord |
genot van de eigendom gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste | genot van de eigendom gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste |
Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de | Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de |
mens. | mens. |
B.4. Teneinde rekening te houden met de budgettaire en administratieve | B.4. Teneinde rekening te houden met de budgettaire en administratieve |
moeilijkheden en met het gerechtelijk contentieux die uit dat | moeilijkheden en met het gerechtelijk contentieux die uit dat |
vernietigingsarrest zouden kunnen vloeien, en met het feit dat het | vernietigingsarrest zouden kunnen vloeien, en met het feit dat het |
beroep was ingesteld met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de | beroep was ingesteld met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de |
bijzondere wet van 6 januari 1989, heeft het Hof, in dat arrest nr. | bijzondere wet van 6 januari 1989, heeft het Hof, in dat arrest nr. |
140/2008, behalve ten aanzien van de verzoeker, de gevolgen van de | 140/2008, behalve ten aanzien van de verzoeker, de gevolgen van de |
vernietigde bepaling gehandhaafd die definitief waren op de datum van | vernietigde bepaling gehandhaafd die definitief waren op de datum van |
bekendmaking van dat arrest in het Belgisch Staatsblad, zodanig dat de | bekendmaking van dat arrest in het Belgisch Staatsblad, zodanig dat de |
vernietiging alle hangende zaken ten goede komt. Het arrest is | vernietiging alle hangende zaken ten goede komt. Het arrest is |
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 13 november 2008. | bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 13 november 2008. |
B.5. Teneinde rekening te houden met het voormelde arrest nr. 140/2008 | B.5. Teneinde rekening te houden met het voormelde arrest nr. 140/2008 |
zijn verschillende wetsbepalingen aangenomen. | zijn verschillende wetsbepalingen aangenomen. |
B.6.1. Artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en | B.6.1. Artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en |
diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, tweede | diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, tweede |
editie), in werking getreden op 10 januari 2010, bepaalt : | editie), in werking getreden op 10 januari 2010, bepaalt : |
« Voor het vroegere artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni | « Voor het vroegere artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni |
1997 betreffende algemene regeling voor accijnsproducten, het | 1997 betreffende algemene regeling voor accijnsproducten, het |
voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, dat | voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, dat |
gedeeltelijk werd vernietigd bij arrest nr. 140/2008 van 30 oktober | gedeeltelijk werd vernietigd bij arrest nr. 140/2008 van 30 oktober |
2008 van het Grondwettelijk Hof, treedt een nieuwe artikel 39, eerste | 2008 van het Grondwettelijk Hof, treedt een nieuwe artikel 39, eerste |
lid, in de plaats luidende : | lid, in de plaats luidende : |
' Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg | ' Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg |
heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van | heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van |
vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van | vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van |
250 euro. ' ». | 250 euro. ' ». |
B.6.2. De artikelen 45, 49 en 52 van de wet van 22 december 2009 | B.6.2. De artikelen 45, 49 en 52 van de wet van 22 december 2009 |
betreffende de algemene regeling inzake accijnzen bepalen : | betreffende de algemene regeling inzake accijnzen bepalen : |
« Art. 45.Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot |
« Art. 45.Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot |
gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een | gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een |
boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een | boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een |
minimum van 250 euro. | minimum van 250 euro. |
Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van | Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van |
vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd | vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd |
of zijn bestemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik | of zijn bestemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik |
zijn gesteld zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt | zijn gesteld zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt |
onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk | onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk |
wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen. | wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen. |
In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf | In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf |
verdubbeld. | verdubbeld. |
Benevens vorenvermelde straf worden de goederen waarop de accijnzen | Benevens vorenvermelde straf worden de goederen waarop de accijnzen |
verschuldigd zijn, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en | verschuldigd zijn, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en |
de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te | de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te |
plegen in beslag genomen en wordt de verbeurdverklaring ervan | plegen in beslag genomen en wordt de verbeurdverklaring ervan |
uitgesproken. | uitgesproken. |
De teruggave van in beslag genomen goederen wordt toegestaan aan de | De teruggave van in beslag genomen goederen wordt toegestaan aan de |
persoon die er eigenaar van was op het ogenblik van de inbeslagneming | persoon die er eigenaar van was op het ogenblik van de inbeslagneming |
en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf ». | en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf ». |
« Art. 49.§ 1. De wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene |
« Art. 49.§ 1. De wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene |
regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer | regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer |
daarvan en de controles daarop wordt opgeheven. | daarvan en de controles daarop wordt opgeheven. |
§ 2. Verwijzingen naar de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene | § 2. Verwijzingen naar de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene |
regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer | regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer |
daarvan en de controles daarop, worden geacht verwijzingen naar | daarvan en de controles daarop, worden geacht verwijzingen naar |
onderhavige wet te zijn ». | onderhavige wet te zijn ». |
« Art. 52.Deze wet treedt in werking op 1 april 2010 ». |
« Art. 52.Deze wet treedt in werking op 1 april 2010 ». |
B.7. Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 2 van het Strafwetboek | B.7. Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 2 van het Strafwetboek |
bestaanbaar is met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet | bestaanbaar is met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet |
in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de | in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de |
rechten van de mens. | rechten van de mens. |
Uit het verwijzingsarrest blijkt dat het Hof van Beroep van oordeel is | Uit het verwijzingsarrest blijkt dat het Hof van Beroep van oordeel is |
dat de geldboete waarin de bepalingen voorzien die van kracht waren | dat de geldboete waarin de bepalingen voorzien die van kracht waren |
wanneer de feiten zijn gepleegd (artikel 39, eerste lid, van de wet | wanneer de feiten zijn gepleegd (artikel 39, eerste lid, van de wet |
van 10 juni 1997, intussen gedeeltelijk vernietigd bij het voormelde | van 10 juni 1997, intussen gedeeltelijk vernietigd bij het voormelde |
arrest nr. 140/2008) hoger is dan die waarin is voorzien door de | arrest nr. 140/2008) hoger is dan die waarin is voorzien door de |
bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik van het vonnis zoals | bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik van het vonnis zoals |
die zijn opgenomen in de wetten van 21 en 22 december 2009, maar dat | die zijn opgenomen in de wetten van 21 en 22 december 2009, maar dat |
de daarbij ingevoerde regeling zelf strenger is dan die welke | de daarbij ingevoerde regeling zelf strenger is dan die welke |
voortvloeit uit de bij het arrest nr. 140/2008 besloten gedeeltelijke | voortvloeit uit de bij het arrest nr. 140/2008 besloten gedeeltelijke |
vernietiging die de beklaagde geniet. | vernietiging die de beklaagde geniet. |
B.8.1. Artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt : | B.8.1. Artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt : |
« Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet | « Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet |
waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. | waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. |
Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die | Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die |
welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware | welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware |
straf toegepast ». | straf toegepast ». |
B.8.2. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : | B.8.2. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : |
« De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. | « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. |
Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en | Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en |
in de vorm die zij voorschrijft. | in de vorm die zij voorschrijft. |
Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan | Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan |
krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet | krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet |
worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig | worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig |
uren ». | uren ». |
Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : | Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : |
« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». | « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». |
B.8.3. Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de | B.8.3. Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de |
mens bepaalt : | mens bepaalt : |
« Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat | « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat |
geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte | geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte |
ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een | ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een |
zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan | zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan |
van het strafbare feit van toepassing was ». | van het strafbare feit van toepassing was ». |
B.9. Zowel het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 76/99 van 30 juni 1999, | B.9. Zowel het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 76/99 van 30 juni 1999, |
B.4.3) als het Hof van Cassatie (Cass., 18 februari 2002, Arr. Cass., | B.4.3) als het Hof van Cassatie (Cass., 18 februari 2002, Arr. Cass., |
2002, nr. 115) beschouwen de toepassing van de mildere strafwet als | 2002, nr. 115) beschouwen de toepassing van de mildere strafwet als |
een algemeen rechtsbeginsel. Hetzelfde beginsel is bovendien één van | een algemeen rechtsbeginsel. Hetzelfde beginsel is bovendien één van |
de algemene beginselen van het Unierecht die de nationale rechter in | de algemene beginselen van het Unierecht die de nationale rechter in |
acht moet nemen bij de toepassing van het nationale recht dat is | acht moet nemen bij de toepassing van het nationale recht dat is |
aangenomen ter uitvoering van het Unierecht (HvJ, grote kamer, 3 mei | aangenomen ter uitvoering van het Unierecht (HvJ, grote kamer, 3 mei |
2005, Berlusconi, C-387/02, punt 69). | 2005, Berlusconi, C-387/02, punt 69). |
In het arrest Scoppola van 17 september 2009 heeft de grote kamer van | In het arrest Scoppola van 17 september 2009 heeft de grote kamer van |
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk bevestigd | het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk bevestigd |
dat artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens « | dat artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens « |
niet alleen het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere | niet alleen het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere |
strafwetten waarborgt, maar ook, en impliciet, het beginsel van de | strafwetten waarborgt, maar ook, en impliciet, het beginsel van de |
retroactiviteit van de mildere strafwet ». | retroactiviteit van de mildere strafwet ». |
B.10. Het gegeven dat artikel 2 van het Strafwetboek verwijst naar het | B.10. Het gegeven dat artikel 2 van het Strafwetboek verwijst naar het |
ogenblik waarop de feiten zijn gepleegd en naar dat van het vonnis, | ogenblik waarop de feiten zijn gepleegd en naar dat van het vonnis, |
houdt niet in dat de vergelijking waarin het voorziet, uitsluit dat | houdt niet in dat de vergelijking waarin het voorziet, uitsluit dat |
rekening wordt gehouden met andere ogenblikken dan deze, bijvoorbeeld | rekening wordt gehouden met andere ogenblikken dan deze, bijvoorbeeld |
wanneer de wet twee keer is gewijzigd tussen het ogenblik waarop de | wanneer de wet twee keer is gewijzigd tussen het ogenblik waarop de |
feiten zijn gepleegd en dat waarop zij zijn berecht (zie Cass., 8 | feiten zijn gepleegd en dat waarop zij zijn berecht (zie Cass., 8 |
november 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 572). | november 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 572). |
B.11. Aangezien het Hof ertoe is gemachtigd wetsbepalingen geheel of | B.11. Aangezien het Hof ertoe is gemachtigd wetsbepalingen geheel of |
gedeeltelijk te vernietigen bij wege van arresten die in beginsel een | gedeeltelijk te vernietigen bij wege van arresten die in beginsel een |
terugwerkende kracht erga omnes hebben, beschikt het over de | terugwerkende kracht erga omnes hebben, beschikt het over de |
bevoegdheid de toestand van het recht te wijzigen, met inbegrip van de | bevoegdheid de toestand van het recht te wijzigen, met inbegrip van de |
wet waarnaar de artikelen 12 en 14 van de Grondwet verwijzen. | wet waarnaar de artikelen 12 en 14 van de Grondwet verwijzen. |
B.12. De geldboete waarin artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 | B.12. De geldboete waarin artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 |
juni 1997 voorziet, vormt een straf. Het Hof heeft die bepaling | juni 1997 voorziet, vormt een straf. Het Hof heeft die bepaling |
vernietigd in zoverre zij de strafrechter niet toeliet de geldboete te | vernietigd in zoverre zij de strafrechter niet toeliet de geldboete te |
matigen wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan en in zoverre | matigen wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan en in zoverre |
zij daarvoor niet voorzag in een minimum- en maximumbedrag. | zij daarvoor niet voorzag in een minimum- en maximumbedrag. |
B.13. In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen | B.13. In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen |
vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil, | vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil, |
en die normen te interpreteren. Wanneer evenwel, zoals te dezen, de | en die normen te interpreteren. Wanneer evenwel, zoals te dezen, de |
prejudiciële vraag verband houdt met de gevolgen van een | prejudiciële vraag verband houdt met de gevolgen van een |
vernietigingsarrest, dient het Hof te onderzoeken of de gevolgtrekking | vernietigingsarrest, dient het Hof te onderzoeken of de gevolgtrekking |
waarop de vraag is gesteund, juist is. | waarop de vraag is gesteund, juist is. |
B.14.1. Daar artikel 39 slechts gedeeltelijk is vernietigd, is die | B.14.1. Daar artikel 39 slechts gedeeltelijk is vernietigd, is die |
bepaling, als gevolg van het arrest nr. 140/2008 slechts gedeeltelijk | bepaling, als gevolg van het arrest nr. 140/2008 slechts gedeeltelijk |
uit de rechtsorde verdwenen. | uit de rechtsorde verdwenen. |
B.14.2. De onevenredige gevolgen die de gedeeltelijk vernietigde | B.14.2. De onevenredige gevolgen die de gedeeltelijk vernietigde |
bepaling kon hebben, worden in het voormelde arrest als volgt | bepaling kon hebben, worden in het voormelde arrest als volgt |
uiteengezet : | uiteengezet : |
« B.9.3. De hoge geldboeten die de rechter met toepassing van de in | « B.9.3. De hoge geldboeten die de rechter met toepassing van de in |
het geding zijnde wetgeving dient op te leggen, kunnen van dien aard | het geding zijnde wetgeving dient op te leggen, kunnen van dien aard |
zijn dat zij afbreuk doen aan het recht op het ongestoord genot van | zijn dat zij afbreuk doen aan het recht op het ongestoord genot van |
eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend | eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend |
Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. | Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. |
Die bepaling vermeldt dat de bescherming van het eigendomsrecht ' | Die bepaling vermeldt dat de bescherming van het eigendomsrecht ' |
echter op geen enkele wijze het recht aantast [en] dat een Staat heeft | echter op geen enkele wijze het recht aantast [en] dat een Staat heeft |
om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om | om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om |
toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming | toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming |
met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere | met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere |
heffingen en boeten te verzekeren '. | heffingen en boeten te verzekeren '. |
Een geldboete die is vastgesteld op tienmaal de ontdoken rechten zou, | Een geldboete die is vastgesteld op tienmaal de ontdoken rechten zou, |
in bepaalde gevallen, dermate afbreuk kunnen doen aan de financiële | in bepaalde gevallen, dermate afbreuk kunnen doen aan de financiële |
toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige | toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige |
maatregel zou kunnen vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde | maatregel zou kunnen vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde |
wettige doel en een schending zou kunnen inhouden van het recht op de | wettige doel en een schending zou kunnen inhouden van het recht op de |
eerbiediging van de eigendom, dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het | eerbiediging van de eigendom, dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het |
Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten | Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten |
van de mens (EHRM, 11 januari 2007, Mamidakis t. Griekenland). | van de mens (EHRM, 11 januari 2007, Mamidakis t. Griekenland). |
Een bepaling die de rechter niet in staat stelt een schending van die | Een bepaling die de rechter niet in staat stelt een schending van die |
bepaling te vermijden, schendt het recht op een eerlijk proces dat | bepaling te vermijden, schendt het recht op een eerlijk proces dat |
wordt gewaarborgd in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de | wordt gewaarborgd in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de |
rechten van de mens ». | rechten van de mens ». |
B.15. Uit de gedeeltelijke vernietiging van het voormelde artikel 39 | B.15. Uit de gedeeltelijke vernietiging van het voormelde artikel 39 |
vloeit voort dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de | vloeit voort dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de |
rechter de geldboete waarin die bepaling voorziet nog vermocht uit te | rechter de geldboete waarin die bepaling voorziet nog vermocht uit te |
spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een | spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een |
dergelijke straf met zich mee te brengen, of dat hij een minder zware | dergelijke straf met zich mee te brengen, of dat hij een minder zware |
geldboete vermocht uit te spreken, ofwel wegens het bestaan van | geldboete vermocht uit te spreken, ofwel wegens het bestaan van |
verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het | verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het |
evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 1 van het Eerste Aanvullend | evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 1 van het Eerste Aanvullend |
Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. | Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. |
B.16. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter te dezen te | B.16. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter te dezen te |
bepalen of de op het ogenblik van het vonnis vastgestelde geldboete al | bepalen of de op het ogenblik van het vonnis vastgestelde geldboete al |
dan niet een minder zware straf is in de zin van artikel 2, tweede | dan niet een minder zware straf is in de zin van artikel 2, tweede |
lid, van het Strafwetboek dan die welke de gedeeltelijk door het Hof | lid, van het Strafwetboek dan die welke de gedeeltelijk door het Hof |
vernietigde wetsbepaling toeliet uit te spreken. | vernietigde wetsbepaling toeliet uit te spreken. |
B.17. De prejudiciële vraag, die aan het arrest nr. 140/2008 een | B.17. De prejudiciële vraag, die aan het arrest nr. 140/2008 een |
andere draagwijdte geeft dan die vermeld in B.15, behoeft derhalve | andere draagwijdte geeft dan die vermeld in B.15, behoeft derhalve |
geen antwoord. | geen antwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. | De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. |
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari | Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari |
2013. | 2013. |
De griffier, | De griffier, |
F. Meersschaut | F. Meersschaut |
De voorzitter, | De voorzitter, |
R. Henneuse | R. Henneuse |