← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 7/2003 van 22 januari 2003 Rolnummer 2307 In zake : de
prejudiciële vraag over artikel 1, 3 o , eerste lid, van artikel III, Overgangsbepalingen,
van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rec Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 7/2003 van 22 januari 2003 Rolnummer 2307 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3 o , eerste lid, van artikel III, Overgangsbepalingen, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rec Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...) | Uittreksel uit arrest nr. 7/2003 van 22 januari 2003 Rolnummer 2307 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3 o , eerste lid, van artikel III, Overgangsbepalingen, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rec Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | ARBITRAGEHOF |
Uittreksel uit arrest nr. 7/2003 van 22 januari 2003 | Uittreksel uit arrest nr. 7/2003 van 22 januari 2003 |
Rolnummer 2307 | Rolnummer 2307 |
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3o, eerste lid, van | In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3o, eerste lid, van |
artikel III, Overgangsbepalingen, van de wet van 14 juli 1976 | artikel III, Overgangsbepalingen, van de wet van 14 juli 1976 |
betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten | betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten |
en de huwelijksvermogensstelsels, gesteld door de Rechtbank van eerste | en de huwelijksvermogensstelsels, gesteld door de Rechtbank van eerste |
aanleg te Leuven. | aanleg te Leuven. |
Het Arbitragehof, | Het Arbitragehof, |
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters |
L. François, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, | L. François, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van |
voorzitter A. Arts, | voorzitter A. Arts, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag |
Bij vonnis van 4 december 2001 in zake M. Van de Vyver tegen J. | Bij vonnis van 4 december 2001 in zake M. Van de Vyver tegen J. |
Vanlommel, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is | Vanlommel, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is |
ingekomen op 26 december 2001, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te | ingekomen op 26 december 2001, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te |
Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : | Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 1, 3o, eerste lid, van de overgangsbepalingen van de | « Schendt artikel 1, 3o, eerste lid, van de overgangsbepalingen van de |
wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en | wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en |
verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels | verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels |
(artikel 3) dat bepaalt dat indien de verklaring bedoeld in 1o niet | (artikel 3) dat bepaalt dat indien de verklaring bedoeld in 1o niet |
wordt afgelegd, de echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de | wordt afgelegd, de echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de |
aanwinsten hadden aangenomen, onderworpen zullen zijn aan de | aanwinsten hadden aangenomen, onderworpen zullen zijn aan de |
bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor alles wat betrekking | bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor alles wat betrekking |
heeft op het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen, | heeft op het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen, |
alsook aan de bepalingen van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de | alsook aan de bepalingen van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de |
gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers, | gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers, |
geïnterpreteerd in die zin dat artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek | geïnterpreteerd in die zin dat artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek |
op deze echtgenoten niet van toepassing is, de artikelen 10 en 11 van | op deze echtgenoten niet van toepassing is, de artikelen 10 en 11 van |
de Grondwet ? » | de Grondwet ? » |
(...) | (...) |
IV. In rechte | IV. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. Artikel 1, 1o tot 3o, van artikel III, Overgangsbepalingen, van | B.1. Artikel 1, 1o tot 3o, van artikel III, Overgangsbepalingen, van |
de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en | de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en |
verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels | verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels |
(Belgisch Staatsblad , 18 september 1976) luidt : | (Belgisch Staatsblad , 18 september 1976) luidt : |
« Overeenkomstig de volgende regels zijn de bepalingen van deze wet | « Overeenkomstig de volgende regels zijn de bepalingen van deze wet |
van toepassing op de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze | van toepassing op de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze |
wet zijn gehuwd zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt of na | wet zijn gehuwd zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt of na |
het stelsel van gemeenschap te hebben aangenomen dan wel het stelsel | het stelsel van gemeenschap te hebben aangenomen dan wel het stelsel |
van scheiding van goederen of het dotaal stelsel te hebben gekozen, | van scheiding van goederen of het dotaal stelsel te hebben gekozen, |
waarin een gemeenschap van aanwinsten is bedongen als omschreven in de | waarin een gemeenschap van aanwinsten is bedongen als omschreven in de |
artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek : | artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek : |
1o Gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de | 1o Gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de |
inwerkingtreding van deze wet kunnen de echtgenoten ten overstaan van | inwerkingtreding van deze wet kunnen de echtgenoten ten overstaan van |
een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen | een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen |
huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensen te handhaven. | huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensen te handhaven. |
2o Indien een dergelijke verklaring niet wordt afgelegd, zullen de | 2o Indien een dergelijke verklaring niet wordt afgelegd, zullen de |
echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt of het | echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt of het |
stelsel van wettelijke gemeenschap hebben aangenomen, bij het | stelsel van wettelijke gemeenschap hebben aangenomen, bij het |
verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de | verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de |
artikelen 1398 tot 1450 betreffende het wettelijk stelsel, | artikelen 1398 tot 1450 betreffende het wettelijk stelsel, |
onverminderd hetgeen zij bij huwelijkscontract hebben bedongen | onverminderd hetgeen zij bij huwelijkscontract hebben bedongen |
betreffende de voordelen aan beide echtgenoten of aan een van hen. | betreffende de voordelen aan beide echtgenoten of aan een van hen. |
Evenwel kunnen zij, zonder het verstrijken van die termijn af te | Evenwel kunnen zij, zonder het verstrijken van die termijn af te |
wachten, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij zich | wachten, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij zich |
onmiddellijk wensen te onderwerpen aan de bepalingen betreffende het | onmiddellijk wensen te onderwerpen aan de bepalingen betreffende het |
wettelijk stelsel. | wettelijk stelsel. |
3o Indien de verklaring bedoeld in 1o niet wordt afgelegd, zullen de | 3o Indien de verklaring bedoeld in 1o niet wordt afgelegd, zullen de |
echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten of de | echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten of de |
algemene gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die | algemene gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die |
termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot | termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot |
1426 voor alles wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap | 1426 voor alles wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap |
en van de eigen goederen, alsook aan de bepalingen van de artikelen | en van de eigen goederen, alsook aan de bepalingen van de artikelen |
1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten | 1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten |
van de schuldeisers. | van de schuldeisers. |
Hetzelfde geldt voor de echtgenoten die de scheiding van goederen of | Hetzelfde geldt voor de echtgenoten die de scheiding van goederen of |
het dotaal stelsel hebben gekozen onder beding van een gemeenschap van | het dotaal stelsel hebben gekozen onder beding van een gemeenschap van |
aanwinsten als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het | aanwinsten als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het |
Burgerlijk Wetboek, doch uitsluitend wat die gemeenschap betreft. » | Burgerlijk Wetboek, doch uitsluitend wat die gemeenschap betreft. » |
De artikelen 1446 en 1447 van het Burgerlijk Wetboek, die te dezen | De artikelen 1446 en 1447 van het Burgerlijk Wetboek, die te dezen |
eveneens in het geding zijn, luiden : | eveneens in het geding zijn, luiden : |
« Art. 1446.Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door het overlijden |
« Art. 1446.Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door het overlijden |
van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien | van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien |
daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen een van de | daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen een van de |
onroerende goederen die tot gezinswoning dient, samen met het aldaar | onroerende goederen die tot gezinswoning dient, samen met het aldaar |
aanwezige huisraad, en het onroerend goed dat dient voor de | aanwezige huisraad, en het onroerend goed dat dient voor de |
uitoefening van zijn beroep, samen met de roerende zaken die aldaar | uitoefening van zijn beroep, samen met de roerende zaken die aldaar |
aanwezig zijn voor beroepsdoeleinden. | aanwezig zijn voor beroepsdoeleinden. |
Art. 1447.Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door echtscheiding, |
Art. 1447.Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door echtscheiding, |
scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen, kan elk der | scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen, kan elk der |
echtgenoten in de loop van de vereffeningsprocedure aan de rechtbank | echtgenoten in de loop van de vereffeningsprocedure aan de rechtbank |
te zijnen voordele toepassing van artikel 1446 vragen. | te zijnen voordele toepassing van artikel 1446 vragen. |
De rechtbank beslist met inachtneming van de maatschappelijke en | De rechtbank beslist met inachtneming van de maatschappelijke en |
gezinsbelangen die erbij betrokken zijn en van de vergoedings- of | gezinsbelangen die erbij betrokken zijn en van de vergoedings- of |
vorderingsrechten van de andere echtgenoot. | vorderingsrechten van de andere echtgenoot. |
De rechtbank bepaalt de datum waarop de eventuele opleg opeisbaar | De rechtbank bepaalt de datum waarop de eventuele opleg opeisbaar |
wordt. » | wordt. » |
B.2. De in het geding zijnde bepaling voert een verschil in | B.2. De in het geding zijnde bepaling voert een verschil in |
behandeling in tussen echtgenoten die zijn gehuwd vóór de | behandeling in tussen echtgenoten die zijn gehuwd vóór de |
inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 betreffende de | inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 betreffende de |
wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de | wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de |
huwelijksvermogensstelsels, naargelang zij gehuwd waren onder het | huwelijksvermogensstelsels, naargelang zij gehuwd waren onder het |
wettelijk stelsel (artikel 1, 2o), dan wel met een huwelijkscontract | wettelijk stelsel (artikel 1, 2o), dan wel met een huwelijkscontract |
onder de algemene gemeenschap, onder de gemeenschap van aanwinsten | onder de algemene gemeenschap, onder de gemeenschap van aanwinsten |
(artikel 1, 3o, eerste lid), onder de scheiding van goederen met | (artikel 1, 3o, eerste lid), onder de scheiding van goederen met |
gemeenschap van aanwinsten of onder het dotaal stelsel met gemeenschap | gemeenschap van aanwinsten of onder het dotaal stelsel met gemeenschap |
van aanwinsten (artikel 1, 3o, tweede lid). De bij die wet ingevoerde | van aanwinsten (artikel 1, 3o, tweede lid). De bij die wet ingevoerde |
regels met betrekking tot de vereffening en de verdeling, en | regels met betrekking tot de vereffening en de verdeling, en |
inzonderheid het in het bodemgeschil aangevoerde artikel 1447 van het | inzonderheid het in het bodemgeschil aangevoerde artikel 1447 van het |
Burgerlijk Wetboek, dat voorziet in de mogelijkheid van toewijzing bij | Burgerlijk Wetboek, dat voorziet in de mogelijkheid van toewijzing bij |
voorrang van het onroerend goed dat tot gezinswoning dient, zijn van | voorrang van het onroerend goed dat tot gezinswoning dient, zijn van |
toepassing op de eerste categorie van echtgenoten, terwijl zij niet | toepassing op de eerste categorie van echtgenoten, terwijl zij niet |
van toepassing zijn op de tweede categorie van echtgenoten. Dat | van toepassing zijn op de tweede categorie van echtgenoten. Dat |
verschil in behandeling zou discriminatoir zijn, inzonderheid voor de | verschil in behandeling zou discriminatoir zijn, inzonderheid voor de |
echtgenoten die vóór 28 september 1976 gehuwd waren onder het bedongen | echtgenoten die vóór 28 september 1976 gehuwd waren onder het bedongen |
gemeenschapsstelsel van de scheiding van goederen met gemeenschap van | gemeenschapsstelsel van de scheiding van goederen met gemeenschap van |
aanwinsten. | aanwinsten. |
B.3. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën van | B.3. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën van |
echtgenoten berust op een objectief criterium, namelijk de aard van | echtgenoten berust op een objectief criterium, namelijk de aard van |
het huwelijksvermogensstelsel dat zij vóór de inwerkingtreding van de | het huwelijksvermogensstelsel dat zij vóór de inwerkingtreding van de |
wet van 14 juli 1976 hebben aangenomen door al dan niet een | wet van 14 juli 1976 hebben aangenomen door al dan niet een |
huwelijkscontract te hebben gesloten. | huwelijkscontract te hebben gesloten. |
B.4. De pertinentie van dat onderscheid werd als volgt verantwoord : | B.4. De pertinentie van dat onderscheid werd als volgt verantwoord : |
« Uitgaande van de opvatting dat een huwelijkscontract een | « Uitgaande van de opvatting dat een huwelijkscontract een |
overeenkomst tussen echtgenoten is die tussen de overeenkomstsluitende | overeenkomst tussen echtgenoten is die tussen de overeenkomstsluitende |
partijen als wet geldt, wijzigt het de inhoud ervan slechts in die zin | partijen als wet geldt, wijzigt het de inhoud ervan slechts in die zin |
dat het in het stelsel dat zij hebben gekozen, de nieuwe beheersregels | dat het in het stelsel dat zij hebben gekozen, de nieuwe beheersregels |
van de gemeenschap of van de eigen goederen invoegt. » (Parl. St. , | van de gemeenschap of van de eigen goederen invoegt. » (Parl. St. , |
Senaat, 1975-1976, nr. 683/2, p. 92) | Senaat, 1975-1976, nr. 683/2, p. 92) |
B.5. De wet van 14 juli 1976 heeft in hoofdzaak beoogd de juridische | B.5. De wet van 14 juli 1976 heeft in hoofdzaak beoogd de juridische |
ontvoogding van de gehuwde vrouw, tot stand gebracht door de wet van | ontvoogding van de gehuwde vrouw, tot stand gebracht door de wet van |
30 april 1958 betreffende de wederzijdse rechten en plichten van de | 30 april 1958 betreffende de wederzijdse rechten en plichten van de |
echtgenoten, te concretiseren in de wetgeving betreffende de | echtgenoten, te concretiseren in de wetgeving betreffende de |
huwelijksvermogensstelsels : | huwelijksvermogensstelsels : |
« Vanaf het ogenblik dat aan de gehuwde vrouw volle rechtsbekwaamheid | « Vanaf het ogenblik dat aan de gehuwde vrouw volle rechtsbekwaamheid |
wordt toegekend, [...] moet deze onafhankelijkheid haar normale | wordt toegekend, [...] moet deze onafhankelijkheid haar normale |
tegenhanger vinden op het gebied van de huwelijksvermogensstelsels. De | tegenhanger vinden op het gebied van de huwelijksvermogensstelsels. De |
ene hervorming gaat niet zonder de andere. Het bekrachtigen van de | ene hervorming gaat niet zonder de andere. Het bekrachtigen van de |
handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw zonder daarbij de | handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw zonder daarbij de |
huwelijksvermogensstelsels te wijzigen of aan te passen, zou er op | huwelijksvermogensstelsels te wijzigen of aan te passen, zou er op |
neerkomen een theoretisch werk te leveren dat praktisch denkbeeldig | neerkomen een theoretisch werk te leveren dat praktisch denkbeeldig |
blijft. » (Parl. St. , Senaat, 1964-1965, nr. 138, p. 1; Parl. St. , | blijft. » (Parl. St. , Senaat, 1964-1965, nr. 138, p. 1; Parl. St. , |
Senaat, 1976-1977, nr. 683/2, p. 1) | Senaat, 1976-1977, nr. 683/2, p. 1) |
B.6. De in het geding zijnde maatregel kan niet worden beschouwd als | B.6. De in het geding zijnde maatregel kan niet worden beschouwd als |
onevenredig met de doelstelling van de wet van 14 juli 1976, in het | onevenredig met de doelstelling van de wet van 14 juli 1976, in het |
algemeen, en van de overgangsbepaling waarbij de toepassing van de | algemeen, en van de overgangsbepaling waarbij de toepassing van de |
regels inzake de vereffening en de verdeling worden uitgesloten, in | regels inzake de vereffening en de verdeling worden uitgesloten, in |
het bijzonder. | het bijzonder. |
De bevestiging van de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw was | De bevestiging van de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw was |
immers slechts noodzakelijk ten aanzien van het bestuur van de | immers slechts noodzakelijk ten aanzien van het bestuur van de |
gemeenschap en van de eigen goederen (artikelen 1415 tot 1426 van het | gemeenschap en van de eigen goederen (artikelen 1415 tot 1426 van het |
Burgerlijk Wetboek), alsmede de daarmee onlosmakelijk verbonden | Burgerlijk Wetboek), alsmede de daarmee onlosmakelijk verbonden |
problematiek van de regeling van de gemeenschappelijke schulden en de | problematiek van de regeling van de gemeenschappelijke schulden en de |
rechten van de schuldeisers (artikelen 1408 tot 1414 van het | rechten van de schuldeisers (artikelen 1408 tot 1414 van het |
Burgerlijk Wetboek), en vereiste derhalve niet noodzakelijk de | Burgerlijk Wetboek), en vereiste derhalve niet noodzakelijk de |
toepassing van de regels die de vereffening en de verdeling van het | toepassing van de regels die de vereffening en de verdeling van het |
huwelijksvermogensstelsel beheersen. De wetgever vermocht derhalve | huwelijksvermogensstelsel beheersen. De wetgever vermocht derhalve |
ervan uit te gaan dat die rechtsproblematiek, op basis van het | ervan uit te gaan dat die rechtsproblematiek, op basis van het |
beginsel van de voorzienbaarheid voor de betrokken echtgenoten en | beginsel van de voorzienbaarheid voor de betrokken echtgenoten en |
rekening houdend met de diversiteit aan modaliteiten die een | rekening houdend met de diversiteit aan modaliteiten die een |
conventioneel huwelijksvermogensstelsel kan karakteriseren, geregeld | conventioneel huwelijksvermogensstelsel kan karakteriseren, geregeld |
zou blijven door de bepalingen die van toepassing waren bij de | zou blijven door de bepalingen die van toepassing waren bij de |
aanneming van dat stelsel. | aanneming van dat stelsel. |
De bepaling van artikel 47, § 3, van artikel IV van de wet van 14 juli | De bepaling van artikel 47, § 3, van artikel IV van de wet van 14 juli |
1976, dat de opheffings- en wijzigingsbepalingen bevat en de in de | 1976, dat de opheffings- en wijzigingsbepalingen bevat en de in de |
paragrafen 1 en 2 vermelde artikelen toepasselijk verklaart in zoverre | paragrafen 1 en 2 vermelde artikelen toepasselijk verklaart in zoverre |
zij noodzakelijk zijn voor de vereffening van het | zij noodzakelijk zijn voor de vereffening van het |
huwelijksvermogensstelsel, is slechts de bevestiging van de | huwelijksvermogensstelsel, is slechts de bevestiging van de |
uitsluiting van de toepassing van de nieuwe bepalingen betreffende de | uitsluiting van de toepassing van de nieuwe bepalingen betreffende de |
vereffening en de verdeling ten aanzien van die categorie van | vereffening en de verdeling ten aanzien van die categorie van |
echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van die wet een bedongen | echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van die wet een bedongen |
huwelijksvermogensstelsel hebben aangenomen. | huwelijksvermogensstelsel hebben aangenomen. |
Overigens verhindert niets die categorie van echtgenoten hun | Overigens verhindert niets die categorie van echtgenoten hun |
conventioneel stelsel te wijzigen om die maatregelen te bedingen | conventioneel stelsel te wijzigen om die maatregelen te bedingen |
waarin de wetgever voor hen niet heeft voorzien. | waarin de wetgever voor hen niet heeft voorzien. |
De wetgever heeft het imperatief karakter van de aanpassing van de | De wetgever heeft het imperatief karakter van de aanpassing van de |
wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de | wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de |
rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw, willen verzoenen met de | rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw, willen verzoenen met de |
eerbied voor de wilsautonomie van de partijen. | eerbied voor de wilsautonomie van de partijen. |
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 1, 3o, eerste lid, van artikel III, Overgangsbepalingen, van | Artikel 1, 3o, eerste lid, van artikel III, Overgangsbepalingen, van |
de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en | de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en |
verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, aldus | verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, aldus |
geïnterpreteerd dat artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek niet van | geïnterpreteerd dat artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek niet van |
toepassing is op de daarin bedoelde categorieën van echtgenoten, | toepassing is op de daarin bedoelde categorieën van echtgenoten, |
schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. | schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 januari 2003. | Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 januari 2003. |
De griffier, De voorzitter, | De griffier, De voorzitter, |
P.-Y. Dutilleux. A. Arts. | P.-Y. Dutilleux. A. Arts. |