Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 17 september 2000
gepubliceerd op 13 december 2000

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2000012654
pub.
13/12/2000
prom.
17/09/2000
ELI
eli/besluit/2000/09/17/2000012654/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
Document Qrcode

17 SEPTEMBER 2000. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk betreffende de arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 17 september 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk Collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 1999 Arbeidsvoorwaarden van de werklieden en werksters (Overeenkomst geregistreerd op 12 augustus 1999 onder het nummer 51856/COF/102.09) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op alle werkgevers en werknemers van de ondernemingen van de sector "kalk - kalksteen", met uitzondering van de ondernemingen van de sector "bitterspaat", die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk.

Onder "werknemers" worden de werklieden en de werksters verstaan. HOOFDSTUK II. - Beroepenclassificatie en beroepsbekwaamheid

Art. 2.De hierna volgende classificatie wordt vastgesteld om de hiërarchie in het beroep volgens de aard van de arbeid te bepalen.

Art. 3.De werknemers in de in artikel 1 bedoelde ondernemingen, worden in de volgende beroepencategorieën ingedeeld; degenen die in deze opsomming niet zijn opgenomen, worden op het niveau van de onderneming ingedeeld. De werkgever zal zich daarom zoveel mogelijk laten leiden door de verschillende bepalingen en de vakbondsafvaardiging inlichten, zo deze bestaat, of, bij ontstentenis ervan, de meerderheid van de werknemers.

Categorie A. Bepaling : de werknemers die een gedeelte van de verantwoordelijkheid en een gedeelte van het gezag dragen in een bepaalde dienst.

Tot deze categorie behoren onder meer : de chef-schietmeester, die wordt beschouwd als een werknemer die bevelen mag geven aan het personeel dat belast is met het boren en het schieten van mijnen, zonder van het bedrijfshoofd omstandige onderrichtingen te ontvangen; de chef-kalkbrander, die wordt beschouwd als een werknemer die bevelen mag geven aan het personeel dat belast is met het vullen van de ovens en dat verantwoordelijk is voor het inschieten, zonder van het bedrijfshoofd omstandige onderrichtingen te ontvangen, onder meer inzake het doseren van de steenkolen en het aflaten van de ladingen; de onderhoudschef, die wordt beschouwd als een werknemer of een ploegbaas die bevelen mag geven aan het personeel belast met het onderhoud van al of een gedeelte van het materiëel, zonder van het bedrijfshoofd omstandige onderrichtingen te ontvangen.

Categorie B. Bepaling : de vaklieden Tot deze categorie behoren onder meer : de mecaniciens, schietmeesters, leggers van spoorverbindingen, smeden, electriciens, lassers, bankwerkers, draaiers, metselaars, schrijnwerkers, bestuurders van locomotieven, die kunnen meewerken aan het herstellen, het monteren en het regelen, de schop-, kraan- of bulldozerconducteurs die uitdelven, de stokers van moderne ovens, de steenbrekers.

Categorie C. Bepaling : de vaklieden van de sector "steengroeven" die een passende opleiding moeten ontvangen.

Tot deze categorie behoren onder meer : de boorders voor mijnen of voor springbussen in rotsen, op puin en op blokken op de grond, kalkbranders, fabricagearbeiders die instaan voor de goede werking van de mechanische werktuigen welke zij moeten bedienen, de vrachtwagenbestuurders die een intensief en aanhoudend werk verrichten.

Categorie D. Bepaling : de schieters van springbussen op blokken op de grond, de vrachtwagenbestuurders die niet in categorie C opgenomen zijn, de wagen aanhakers met volledige dagtaak.

Categorie E. Bepaling : de meerderjarige werknemers die in een nieuw vak worden opgeleid en zij die een bepaalde arbeid uitvoeren en door de gewoonte een zekere handigheid en vaardigheid verkrijgen zonder dat er van hen speciale kundigheden worden gevergd.

Tot deze categorie behoren onder meer : de helpers-mecaniciens, de operateurs van moderne ovens die niet verantwoordelijk zijn voor het bakken, de uithalers, de bestuurders van locomotieven op smalspoor, de leggers van "Decauvillesporen", de lossers-kraanmannen, de zakkenvullers, de wegers-pointeerders.

Categorie F. Bepaling : de werknemers die een lastige arbeid verrichten of welke een intensieve en aanhoudende lichaamsinspanning vergt.

Tot deze categorie behoren onder meer : de vullers, de sorteerders, de "taqueurs", de lossers aangesteld aan het laden en lossen van steenkolen, kalkstenen en sintels aan de oven, de helpers-metselaars.

Categorie G. Bepaling : de werknemers die lichte arbeid verrichten waarvoor geen opleiding wordt vereist. HOOFDSTUK III. - Arbeidsduur

Art. 4.A. De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, berekend op jaarbasis, blijft behouden op 36 uur 40 minuten en moet nauwgezet worden toegepast.

B. In de meeste gevallen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur 40 minuten. Deze arbeidstijdregeling gaat gepaard met de toekenning van tegen het normale loon betaalde inhaalrustdagen, in de zin van de wetgeving op de feestdagen.

Per schijf van 38 uur 40 minuten werkelijk gewerkte of hiermee gelijkgestelde uren, heeft de werknemer recht op twee uren inhaalrust.

Het bedrag van het loon blijft hetzelfde als in het 40-urenstelsel.

Maar, om het behoud van het inkomen te garanderen wordt het aantal gewerkte of gelijkgestelde uren vermenigvuldigd met de coëfficient 1,0345 (in het stelsel 38 uur 40 minuten).

C. Voor de werknemers die volcontinu of in opeenvolgende ploegen werken, blijft de wekelijkse arbeidsduur behouden op 40 uur. In deze arbeidstijdregeling worden eveneens tegen het normale loon betaalde inhaalrustdagen toegekend, in de zin van de wetgeving op de feestdagen.

Per schijf van 40 werkelijk gewerkte of hiermee gelijkgestelde uren heeft de werknemer recht op 3 uur en 20 minuten inhaalrust.

D. Indien door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, door de werkgever en de vertegenwoordigers van de vakorganisaties andere arbeidstijdregelingen worden vastgesteld betekent dit of zal dit betekenen dat deze bedragen en coëfficiënten verhoudingsgewijs moeten worden aangepast.

E. Per werknemer wordt een individuele rekening bijgehouden, waarin het aantal normale werkelijk gewerkte of gelijkgestelde uren, zoals hierna wordt omschreven, wordt vermeld.

Met normale wettelijke arbeidsprestaties met het oog op de toekenning van inhaalrustdagen worden gelijkgesteld : - de tien betaalde feestdagen; - de dagen kort verzuim; - de dagen die recht geven op een gewaarborgd weekloon; - de dagen die recht geven op een vergoeding waarin de collectieve arbeidsovereenkomst nr 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandinkomen aan de werklieden in geval van arbeidsongeschiktheid, ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, voorziet; - de dagen recuperatie van overuren; - de inhaalrustdagen (met inbegrip van de dag van "Sinte-Barbara"); - de verlofdagen voor vakbondsopleiding; - de dagen afwezigheid genomen in het kader van het educatief betaald verlof.

Met arbeidsdagen worden evenwel niet gelijkgesteld : - de dagen betaald verlof; - de dagen werkloosheid.

De programmatie van de inhaalrustdagen wordt vastgesteld op het niveau van de ondernemingen, rekening houdend met de eigenheid en de vereisten inzake de werking van elke dienst.

De ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, de werkgever en de vakbondsafvaardiging, moeten ten minste zes collectieve inhaalrustdagen - waaronder "Sinte-Barbara" vaststellen die voor de werknemers zullen gelden.

De dagen die eventueel reeds collectief werden vastgesteld, zullen worden meegerekend in dit quota.

Behalve indien een akkoord in het tegenovergestelde voorziet, mag elke inhaalrustdag niet in halve dagen of samen met dagen jaarlijkse vakantie worden genomen.

Zij worden slechts betaald op het ogenblik waarop zij werkelijk worden genomen. Zij worden gelijkgesteld met gewerkte dagen voor de toepassing van de sociale wetten.

F. Over de problemen betreffende het tewerkstellingsvolume in de ondernemingen, welke het gevolg zijn van de arbeidstijdverkorting, alsmede van de meest strikte naleving van de arbeidstijdregelingen, zal er voortdurend overleg worden gepleegd in de ondernemingsraden of, bij ontstentenis hiervan, met de vakbondsafvaardigingen. HOOFDSTUK IV. - Tewerkstelling en tewerkstelling van jongeren

Art. 5.a) De inspanningen voor tewerkstelling in 1999 en 2000 zullen onder meer geleverd worden door de uitvoering van de bepalingen betreffende de RVA-stage, via de aanwerving van werknemers ter vervanging van voltijdse of halftijdse bruggepensioneerde arbeiders, via de aanwerving van werknemers voor onbepaalde duur, via de aanwerving van werknemers ter vervanging van arbeiders die hun recht op loopbaanonderbreking opnemen (3 pct.) of die in een stelsel van vrijwillig deeltijdse arbeid wensen te stappen, door 0,10 pct. van de loonmassa te wijden aan vorming en/of beroepsinschakeling van risicogroepen en door de vorming van jongeren in het raam van het industrieel leerlingwezen en het alternerend leren en werken.

De doelstellingen en perspectieven inzake tewerkstelling zullen het voorwerp uitmaken van een mededeling en er zal een evaluatie van het positief effect van de tewerkstellingsmaatregelen op het niveau van de bedrijvengroepen uitgevoerd worden bij de driemaandelijkse en jaarlijkse mededelingen aan de ondernemingsraden.

Voor de toepassing van dit artikel dient onder "onderneming" te worden verstaan het geheel van de zetels van eenzelfde industriële groep die vallen onder de bevoegdheid van het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk.

Het tewerkstellingsniveau in de sector zal einde maart 2000 en einde maart 2001 geëvalueerd worden in het paritair subcomité. b) In de ondernemingen zoals hierboven bepaald, en die minstens 100 arbeiders tewerkstellen, zullen voor 30 juni 1999 werknemers worden aangeworven voor een onbepaalde duur ten belope van 1 pct.van het arbeidersbestand, volgens de in de ondernemingen gebruikelijke selectiecriteria. c) Om de kansen op een duurzame inschakeling van de jongeren op de arbeidsmarkt te vergroten, verbinden de ondernemingen zich ertoe de jongeren naar verhouding van 1 pct.van de personeelssterkte in werklieden van de sector in 1999 en 2000 een opleiding met kwalificatie aan te bieden in het kader van het industrieel leerlingwezen en/of van de alternerende opleiding, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die gelden in deze domeinen.

Voor het industrieel leerlingwezen komt het aan het paritair leercomité - dat in het paritair subcomité moet worden opgericht - toe de voorwaarden inzake tewerkstelling en loon van de leerlingen vast te stellen.

De opleidingsprogramma's en hun uitvoering zullen ter kennis worden gebracht van de vakbondsorganisaties via de mededeling van deze programma's in de ondernemingsraad en, bij ontstentenis van een raad, aan de vakbondsafvaardiging.

Deze opleidingsregeling mag niet tot gevolg hebben dat een titularis door een leerling wordt vervangen.

De jongere die wordt opgeleid wordt bijgestaan door een stagemeester.

De jongeren die na afloop van hun opleiding geen betrekking zouden hebben gevonden, zullen worden opgenomen in een wervingsreserve die niet alleen bestemd is voor de ondernemingen van de sector, maar ook voor de ondernemingen die ressorteren onder de "Fédération des industries extractives et transformatrices de roches non combustibles (FEDIEX)".

De paritaire campagnes ter intensivering van de stappen ondernomen voor de bevordering van deze vormingen en van de sector zullen gevoerd worden bij de jongeren en de scholen voor technisch en beroepsonderwijs, waarbij de vakbondsorganisaties een actieve bijdrage leveren aan deze campagnes. d) De ondernemingen verbinden zich ertoe om op iedere aanvraag van een werknemer die zijn arbeidsprestaties wil halveren, waardoor een regeling van arbeidstijdverdeling kan worden ingevoerd, gunstig te beschikken met inachtneming van een percentage van 1 pct.van hun personeelssterkte en binnen een redelijke termijn.

De wijzen van vervanging van deze werknemers zullen worden bepaald op het niveau van de ondernemingen naargelang de vereisten inzake de arbeidsorganisatie.

Art. 6.In 1999 en 2000 wordt de bijdrage voor de risicogroepen vastgelegd op 0,10 pct. Deze wordt per kwartaal gestort aan het paritair vormingsfonds voor de werklieden van de sector kalksteen kalkovens op rekeningnummer 310-1117468-17.

Met de geïnde bedragen, onder meer met de eventuele noodzakelijke medewerking van buitenaf, zal worden gezorgd voor de opleiding en de beroepsvervolmaking van de werknemers die in dienst worden genomen in het kader van de brugpensioneringen of van de werknemers aan wie in hetzelfde kader wordt gevraagd andere functies uit te oefenen.

Art. 7.Over specifieke en gepaste oplossingen voor de problemen inzake arbeidsorganisatie zal op het niveau van de onderneming worden onderhandeld zonder dat enig vooroordeel wordt geuit.

Art. 8.A. De werkgevers verbinden er zich toe tijdens de duur van de collectieve arbeidsovereenkomst alles in het werk te stellen om geen personeel te ontslaan om conjuncturele redenen.

De gedeeltelijke werkloosheid zal slechts worden ingevoerd indien dit absoluut noodzakelijk is en enkel na overleg in de ondernemingsraden of, bij onstentenis hiervan, met de vakbondsafvaardigingen.

Dit overleg zal tot doel hebben de toerbeurten en de omvang van de werkloosheid zo vast te stellen dat de individuele weerslag ervan voor de werknemers zo weinig mogelijk nadelig is.

Over alle problemen betreffende het behoud van het tewerkstellingsniveau in de ondernemingen zal er voortdurend op paritair niveau overleg worden gepleegd in de ondernemingsraden of met de vakbondsafvaardigingen.

B. Arbeidsovereenkomst voor tijdelijke en/of uitzendarbeid Het beroep op de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid wordt geregeld door de wet van 24 juli 1987. De aanwending ervan zal worden beperkt tot de gevallen bepaald in de wet.

De procedure betreffende de informatie naar de vakbondsafvaardiging en de werknemersorganisaties, zal verlopen zoals zij georganiseerd werd door collectieve arbeidsovereenkomst nr 36.

De informatie betreffende de evolutie en de vooruitzichten inzake arbeid zal bij de jaarlijkse en driemaandelijkse mededelingen aan de ondernemingsraad worden verstrekt, overeenkomstig de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomst nr 9, gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst nr 37.

C. Arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd, voor een duidelijk omschreven werk, ter vervanging van een vaste werknemer en voor uitvoering van tijdelijke arbeid Specifieke gegevens betreffende de arbeidsovereenkomsten met precair statuut zullen aan de ondernemingsraad worden verstrekt met de jaarlijkse en driemaandelijkse mededelingen, overeenkomstig de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomst nr 9 gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst nr 37.

Bij die gelegenheid kan eveneens informatie verstrekt worden in verband met onderaanneming.

D. Overuren Er zal slechts beroep worden gedaan op overuren ingeval deze om economische of technische redenen noodzakelijk zouden zijn. Zij zullen worden verricht met inachtneming van de wet van 16 maart 1971. HOOFDSTUK V. - Lonen

Art. 9.De minimumbasisuurlonen die op 1 januari 1999 toepasselijk zijn voor de meerderjarige werknemers die tegen het maximum rendement werken en die behoren tot de beroepencategorieën vastgesteld in artikel 3, worden als volgt vastgesteld in een wekelijkse 40-urige arbeidstijdregeling : Categorieën : A390,04 BEF (t.t.z. 9,6688 Euros) B384,58 BEF (t.t.z. 9,5335 Euros) C378,89 BEF (t.t.z. 9,3924 Euros) D372,97 BEF (t.t.z. 9,2457 Euros) E368,85 BEF (t.t.z. 9,1436 Euros) F364,65 BEF (t.t.z. 9,0394 Euros) G361,59 BEF (t.t.z. 8,9636 Euros) Deze lonen stemmen overeen met de schijf 102,32 tot 103,33 van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Art. 9bis.Bij de datum van de opening van de rekeningen die het dichtst ligt bij 1 april 1999 worden de uurlonen verhoogd met 7 BEF (t.t.z. 0,1735 Euros).

Bij de datum van de opening van de rekeningen die het dichtst ligt bij 1 januari 2000 worden de uurlonen verhoogd met 5 BEF (t.t.z. 0,1239 Euros).

Een eenmalige compensatiepremie van 3.640 BEF (t.t.z. 90,23 Euros), die betrekking heeft op de periode van 1 januari tot 31 maart 1999, is betaalbaar in de loop van april 1999.

Art. 10.De werknemers die volledige voldoening schenken omdat zij hun vakbekwaamheid hebben verbeterd, mogen normaal binnen hun categorie op een hoger loon aanspraak maken.

Art. 11.De in artikel 9 vermelde loonbedragen mogen geen afbreuk doen aan gunstigere toestanden die in de ondernemingen bestaan, noch aan de individuele gevallen die een onderzoek op het niveau van de onderneming zouden vereisen.

Art. 12.De minimumuurlonen van de werknemers die minder dan 20 jaar oud zijn worden berekend op grond van het minimumuurloon van de werknemer van ten minste 20 jaar oud van de beroepencategorie waartoe de betrokkenen behoren, verlaagd tot de volgende percentages : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 13.De werknemer die minder dan 20 jaar oud is en die de normale arbeid verricht van een werknemer van ten minste 20 jaar heeft recht op het loon dat overeenstemt met de beroepencategorie waartoe deze laatste behoort.

C. Werknemers die belast zijn met de schoonmaak

Art. 14.Het minimumuurloon van de werknemers die belast zijn met de schoonmaak van de lokalen, en die niet worden vermeld in de artikelen 3 en 9, wordt op 1 januari 1999 vastgesteld op 315,43 BEF (t.t.z. 7,8193 Euros) in een wekelijkse arbeidstijdregeling van 40 uren. Dat stemt overeen met de schijf 102,32 tot 103,33 van het indexcijfer van de consumptieprijzen. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen

Art. 15.Vanaf 1 januari 1993 heeft iedere arbeider die afwezig is wegens ziekte of ongeval van gemeen recht, recht op de betaling van één carensdag per burgerlijk jaar.

Voor het jaar 1999 en voor het jaar 2000 wordt het aantal carensdagen, per kalenderjaar betaald aan arbeiders die afwezig zijn wegens ziekte of een ongeval van gemeen recht, van één op twee gebracht. Tijdens die periode zal een analyse van de oorzaken van het absenteïsme worden uitgevoerd en bovenvermelde maatregel evenals andere maatregelen ter vermindering van het absenteïsme zullen opgevolgd en geëvalueerd worden in de ondernemingsraden.

Art. 16.De werknemer heeft recht op het loon van zijn in artikel 3 bepaalde looncategorie. Wanneer hij bij gelegenheid in een lagere categorie moet werken, heeft hij recht op zijn gewone loon. Wanneer hij bij gelegenheid in een hogere categorie moet werken, heeft hij recht op het loon van deze categorie.

Art. 17.Ingeval de structuur van de onderneming aanzienlijk wordt gewijzigd, worden de werknemers die eventueel beschikbaar zijn, volgens de mogelijkheden en met hun instemming, opnieuw gerangschikt in andere beroepencategorieën of hebben zij bij de wederindienstneming voorrang op de andere werknemers die dezelfde beroepsbekwaamheid hebben; zij worden betaald tegen het loon van de nieuwe categorie waarin zij worden tewerkgesteld.

De bijzondere gevallen mogen ter onderzoek worden voorgelegd aan het contactcomité.

Art. 18.Het loon van de werknemer die niet uitsluitend per uur wordt betaald, is het gemiddelde van de lonen die worden betaald tijdens de periode van vier opeenvolgende weken die aan elke betwisting dienaangaande voorafgaat. De verhogingen die het gevolg zijn van maatregelen die door het paritair subcomité worden getroffen, moeten ook worden toegepast voor de werknemers aan wie een stukloon wordt betaald.

Art. 19.De overuren worden betaald volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen. HOOFDSTUK VII. - Koppeling van de lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen

Art. 20.De werkelijk betaalde lonen en de bij deze collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde lonen, alsmede de bij de artikelen 21, 22, 23 en 28 vastgestelde toeslagen, worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, maandelijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door het Ministerie van Economische Zaken.

Zij worden beschouwd als gestabiliseerde lonen zolang het indexcijfer van de consumptieprijzen begrepen is in de indexschijf van 102,32 tot 103,33.

Zij schommelen zowel naar boven als naar beneden met schijven van 1 pct. die volledig ten einde zijn gelopen zowel naar boven als naar beneden, en overeenkomstig de volgende tabel die de overschrijdingsindexcijfers naar boven en naar beneden weergeeft : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De loonschommelingen worden berekend op het laatste loon dat wordt betaald op het ogenblik van de bekendmaking van het indexcijfer dat deze schommelingen heeft veroorzaakt en zij zijn van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarop dit indexcijfer betrekking heeft. HOOFDSTUK VIII. - Toeslagen voor ploegenarbeid, voor arbeid volgens een schuivende arbeidstijdregeling, voor arbeid op zaterdag, zondag en feestdagen A. Toeslagen voor ploegenarbeid

Art. 21.Onverminderd de bepalingen van de artikelen 6 en 36 van de arbeidswet van 16 maart 1971, ontvangen de werknemers die in twee of drie opeenvolgende ploegen werken een toeslag die wordt berekend op basis van het regelingsloon van de categorie G. Per 1 januari 1999 worden deze toeslagen bepaald op : 10 pct. voor de arbeidsprestaties van 14 tot 22 uur; 20 pct. voor de arbeidsprestaties van 22 tot 6 uur.

B. Toeslagen voor arbeid volgens een "schuivende arbeidstijdregeling"

Art. 22.Wanneer de arbeid niet in opeenvolgende ploegen wordt georganiseerd, maar volgens een arbeidstijdregeling die "verschuift" ten opzichte van de normale arbeidstijdregeling, hebben de werknemers recht op een toeslag van 40,47 BEF (t.t.z. 1,0032 Euros) per uur voor de uren die zij tussen 22 en 6 uur hebben gewerkt.

Wanneer de "schuivende arbeidstijdregeling" begint tussen 10 uur en 14 uur, hebben de werknemers recht op een toeslag van 12,76 BEF (t.t.z. 0,3163 Euros) voor de uren die zij tussen 10 uur en 14 uur hebben gewerkt, alsook op een toeslag van 23,57 BEF (t.t.z. 0,5843 Euros) voor de vanaf 14 uur gewerkte uren.

Wanneer de "schuivende arbeidstijdregeling" van 14 uur af begint, hebben de werknemers recht op een toeslag van 23,57 BEF (t.t.z. 0,5843 Euros) per uur voor de tussen 14 en 22 uur gewerkte uren.

De "schuivende arbeidstijdregelingen" die worden ingevoerd op gemeenschappelijk verzoek van de werknemers geven geen recht op betaling van een toeslag.

De toestanden die, in hun geheel, gunstiger zijn op het niveau van de onderneming blijven verkregen.

C. Toeslagen voor zaterdagarbeid

Art. 23.Vanaf 1 januari 1993 ontvangen de werknemers wier arbeidstijdregeling een normale arbeidsprestatie op zaterdag meebrengt, een toeslag van 87,50 BEF (t.t.z. 2,1691 Euros) per gewerkt uur. De werkgeversafvaardiging neemt akte van de wens van de vakorganisaties dat de ondernemingen zouden ingaan op het verzoek van de werknemers om, bij het onderzoek van de arbeidsorganisatie en van de arbeidstijdregelingen, er zo mogelijk voor te zorgen dat er geen zaterdagarbeid wordt ingevoerd.

D. Toeslagen voor zondagarbeid en arbeid op feestdagen (volcontinu)

Art. 24.De in artikel 21 bepaalde ploegenpremies worden verdubbeld voor de arbeidsprestaties die op zon- en feestdagen worden verricht.

Art. 25.Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen stemmen de toeslagen waarvan sprake is in de artikelen 21, 22, 23 en 24 en welke van toepassing zijn op 1 januari 1999, overeen met de schijf 102,32 tot 103,33 van het indexcijfer van de consumptieprijzen. HOOFDSTUK IX. - Speciale vergoedingen A. Vergoedingen voor "volcontinue" arbeid

Art. 26.De vergoedingen die in artikel 21 worden bepaald, moeten eveneens worden betaald aan de werknemers die onderworpen zijn aan de arbeidstijdregeling voor "volcontinudienst".

Art. 27.De overlonen voor overuren worden gevoegd bij de toeslagen voor ploegenarbeid of volgens een verschoven arbeidstijdregeling.

De overuren geven daarentegen geen aanleiding tot de betaling van de in artikel 23 vermelde vergoeding.

De ploegenpremies (14 uur - 22 uur, 22 uur - 6 uur of verschoven arbeidstijdregeling) en het overloon voor overuren worden samengevoegd volgens de volgende modaliteiten : a) Wanneer een werkman die in een bepaalde ploeg werkt, zijn werk voortzet in de volgende ploeg, zal hij voor de gewerkte overuren, benevens het overloon, de premie voor de ploeg die zijn gewone ploeg was ontvangen.b) De samenvoeging van het overloon en de ploegenpremie geldt eveneens voor een werknemer die tijdens zijn rustweek wordt teruggeroepen, voor zover : - de uren die hij zal werken overuren zullen zijn; - de uren worden gewerkt in ploeg en niet volgens een normale arbeidstijdregeling.

In dit geval stemt het bedrag van de premie overeen met dat van de ploeg waarin wordt gewerkt. c) Wanneer een werknemer, die in een bepaalde ploeg (bijvoorbeeld : van 22 uur tot 6 uur) moet werken, wordt opgeroepen om vóór deze ploeg overuren te verrichten (in het gekozen voorbeeld beginnen om 18 uur), geldt de regel en is de premie die voor een gewone ploeg (in het gekozen voorbeeld de premie voor de ploeg 22 uur - 6 uur) voor alle gewerkte uren. B. Vergoedingen voor ongezonde of hinderlijke arbeid

Art. 28.De werknemers die werkelijk in ongezonde omstandigheden moeten werken, genieten een toeslag van 14,18 BEF (t.t.z. 0,3515 Euros) per gewerkt uur.

De werknemers die aangewezen zijn om in lastige omstandigheden ovens te herstellen, genieten een toeslag van 28,42 BEF (t.t.z. 0,7045 Euros) per gewerkt uur.

Deze toeslagen zijn slechts verschuldigd voor de duur van de arbeid die in deze omstandigheden van buitengewone aard wordt verricht.

Art. 29.Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen, stemmen de in artikel 28 bedoelde en vanaf 1 januari 1999 van toepassing zijnde vergoedingen overeen met de schijf 102,32 tot 103,33 van het indexcijfer van de consumptieprijzen. HOOFDSTUK X. - Speciale uitkeringen in geval van werkloosheid

Art. 30.Met het doel de loonderving te compenseren die het gevolg kan zijn van de werkloosheid waartoe de werkgever beslist in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden, zoals hevig vriesweer of onbevaarbaarheid van de Maas, wordt er door de werkgevers aan de werknemers van de in artikel 1 bedoelde ondernemingen een dagelijkse uitkering toegekend.

De dagelijkse uitkering wordt vastgesteld op 260 BEF (t.t.z. 6,4452 Euros). Deze uitkering is gedurende maximum veertig dagen per kalenderjaar verschuldigd.

Art. 31.In geval van economische werkloosheid, kent de werkgever aan de werknemers een bijkomende werkloosheidsuitkering toe van 260 BEF (t.t.z. 6,4452 Euros) per dag en gedurende maximum 90 dagen per kalenderjaar.

Art. 32.In geval van werkloosheid om andere redenen dan die waarin is voorzien in de artikelen 30 en 31, en die vreemd zijn aan de onderneming, kent de werkgever aan de werknemers een bijkomende werkloosheidsuitkering toe van 260 BEF (t.t.z. 6,4452 Euros) per dag gedurende maximum 5 dagen per kalenderjaar. HOOFDSTUK XI. - Bijzonder verlof

Art. 33.Met het oog op een maximaal behoud van activiteit in de ondernemingen wordt : - vanaf 1995 een betaalde verlofdag toegekend ter gelegenheid van het feest van Sinte-Barbara; - vanaf 1996 een betaalde verlofdag toegekend ter gelegenheid van het feest van de Franse Gemeenschap.

De wijzen van toekenning van deze dagen zullen worden bepaald op het niveau van de ondernemingen. HOOFDSTUK XII. - Premie voor "Sinte-Barbara"

Art. 34.Op de feestdag van "Sinte-Barbara" wordt een geschenkcheque ter waarde van 1.000 BEF (t.t.z. 24,79 Euros) toegekend aan alle werknemers die op deze datum in het personeelsregister van de onderneming ingeschreven zijn en die, ofwel : a) de laatste werkdag vóór "Sinte-Barbara" in de onderneming voor een normale produktie hebben gezorgd;b) hoewel zij gewond of ziek zijn, minstens één dag gedurende het lopende jaar in de onderneming hebben gewerkt;c) hun eventueel verzuim op de laatste werkdag vóór "Sinte-Barbara" hebben verantwoord. Deze geschenkcheque moet uiterlijk op 31 december van elk jaar aan de rechthebbenden worden uitgereikt. HOOFDSTUK XIII. - Eindejaarspremie

Art. 35.A. Principe De eindejaarspremie bedraagt 45.000 BEF (t.t.z. 1115,52 Euros) voor een volledig dienstjaar.

Deze premie wordt uiterlijk op 15 februari van het volgende dienstjaar betaald.

Er kan vóór 24 december een eerste afbetaling worden gedaan. In dat geval moet het overblijvend gedeelte van de eindejaarspremie uiterlijk op 31 januari na het dienstjaar worden betaald.

B. Toekenningsvoorwaarde : werkelijke arbeid De werknemer die is ingeschreven in het personeelsregister gedurende het volledige dienstjaar geniet zijn volledige eindejaarspremie voor zover hij minstens 4 maanden werkelijke arbeid in de loop van dat dienstjaar aantoont.

Indien hij slechts 3 maanden werkelijke arbeid in de loop van het dienstjaar kan aantonen, zal zijn premie worden verminderd tot drie vierden.

Indien hij slechts 2 maanden werkelijke arbeid in de loop van het dienstjaar kan aantonen, zal zijn premie worden verminderd met de helft.

Indien hij slechts 1 maand werkelijke arbeid in de loop van het dienstjaar kan aantonen, zal zijn premie worden verminderd tot één twaalfde.

De premie wordt afgeschaft indien de werknemer niet minstens 1 maand werkelijke arbeid in de loop van het dienstjaar kan aantonen.

C. Van de betaling pro rata temporis genieten : a) de stagiairs;b) de werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk;c) de werknemers die in de loop van het dienstjaar werden ontslagen om een economische reden;d) de werknemers die in de loop van het dienstjaar met pensioen, brugpensioen of brugrustpensioen zijn gegaan;e) de rechtverkrijgenden van een werknemer die in de loop van het dienstjaar is overleden. D. Uitzondering Een bedrag van 5 BEF per normaal gewerkt uur tijdens het dienstjaar genieten : a) de werknemers die vóór het einde van het dienstjaar zelf hun arbeidsovereenkomst hebben beëindigd;b) de werknemers die in de loop van het dienstjaar werden ontslagen om andere dan economische redenen. Wat voorafgaat doet geen afbreuk aan bij overeenkomst bedongen voordeliger toestanden die op plaatselijk niveau bestaan, waar zij in het bijzonder kunnen worden onderzocht.

Deze opmerking geldt niet voor de bestaande wijze van betaling van de eindejaarspremie, die wordt geregeld door op het niveau van de ondernemingen gesloten akkoorden. HOOFDSTUK XIV. - Maaltijdcheque

Art. 36.Voor iedere werkelijke arbeidsdag zal aan elke arbeider een maaltijdcheque worden toegekend.

Vanaf 1 april 1999 zal de nominale waarde van de maaltijdcheque 150 BEF (t.t.z. 3,72 Euros) bedragen. De tegemoetkoming van de onderneming in de prijs van de maaltijdcheque zal 106 BEF (t.t.z. 2,63 Euros) bedragen. De bijdrage van de arbeider zal 44 BEF (t.t.z. 1,09 Euros) per maaltijdcheque bedragen.

Vanaf 1 januari 2000 zal de nominale waarde van de maaltijdcheque 165 BEF (t.t.z. 4,09 Euros) bedragen. De tegemoetkoming van de onderneming in de prijs van de maaltijdcheque zal 121 BEF (t.t.z. 3 Euros) bedragen. De bijdrage van de arbeider zal 44 BEF (t.t.z. 1,09 Euros) per maaltijdcheque bedragen.

Deze bijdrage zal worden ingehouden op het loonbriefje volgens modaliteiten die moeten worden vastgesteld op ondernemingsniveau.

De maaltijdcheques zullen worden afgeleverd op naam van de arbeider.

Om aan deze voorwaarde te voldoen zal de toekenning van de maaltijdcheques, evenals de gegevens die erop betrekking hebben, vermeld worden op de individuele rekening van de arbeider.

Op elke maaltijdcheque zal duidelijk worden vermeld dat deze slechts kan worden gebruikt voor het betalen van een maaltijd of voor de aankoop van gebruiksklare levensmiddelen. HOOFDSTUK XV. - Opzeggingstermijnen

Art. 37.a) Algemene regeling Bij afwijking van de bepalingen van artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wanneer de arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor onbepaalde tijd, wordt de opzeggingstermijn vastgesteld op : 1° achtentwintig dagen ingeval de werkgever opzegt, wanneer het gaat om een werkman die zonder onderbreking gedurende minder dan 5 jaar bij dezelfde onderneming in dienst is geweest;2° vijfenzestig dagen ingeval de werkgever opzegt, wanneer het gaat om een werkman die zonder onderbreking gedurende 5 tot minder dan 20 jaar bij dezelfde onderneming in dienst is geweest;3° honderdentwaalf dagen ingeval de werkgever opzegt, wanneer het gaat om een werkman die gedurende 20 jaar en meer bij dezelfde onderneming in dienst is geweest.b) Opzeggingstermijnen in geval van brugpensioen De opzeggingstermijnen bepaald bij artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gehandhaafd in geval van ontslag met het oog op brugpensionering, op voorwaarde dat deze opzeggingstermijnen worden bevestigd bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op het niveau van de onderneming. HOOFDSTUK XVI. - Brugpensioen

Art. 38.1. Principe - De invoering van een stelsel van voltijds brugpensioen voor de werknemers die 58 jaar oud zijn en meer en die minstens 25 jaar in loondienst hebben. - Op basis van artikel 110 van de wet van 26 maart 1999, invoering van een stelsel van voltijds brugpensioen voor de werknemers van 56 jaar en ouder in 1999 en 2000 en die, op het ogenblik van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende, waarvan 20 jaar arbeid in een stelsel van ploegenarbeid met nachtprestaties, kunnen aantonen, zoals bepaald in artikel 1 van collectieve arbeidsovereenkomst nummer 46, gesloten op 23 maart 1990 in de Nationale Arbeidsraad, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990. - Op basis van artikel 112 van de wet van 26 maart 1999, de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen voor de werknemers van 55 jaar en ouder in de periode waarop deze overeenkomst betrekking heeft en 25 jaar arbeid in loondienst kunnen aantonen. 2. Toekenningsvoorwaarden De in punt 1 genoemde werklieden die minstens 6 maanden zullen hebben gewerkt in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan hun vertrek met brugpensioen hebben recht op brugpensioen. De werknemer ontslagen om dringende reden kan niet van de brugpensioenregeling genieten. 3. Wijzen van vertrek De aanvragen voor brugpensioen zullen geval per geval worden onderzocht, in een positieve geest, waarbij echter naar behoren rekening wordt gehouden met de vereisten van de organisatie van de ondernemingen. De criteria die in overweging zullen worden genomen zijn : - de mogelijkheid om al dan niet te worden overgeplaatst (met inbegrip van de loonvoorwaarden); - de noodzaak om al dan niet de bruggepensioneerde in zijn functie te vervangen.

Ingeval geen akkoord wordt bereikt op het vlak van de onderneming, kan het probleem eventueel worden voorgelegd aan de contactcommissie, op initiatief van de meest gerede partij. 4. Financiële voorwaarden De aanvullende brugpensioenuitkering wordt berekend overeenkomstig de regels vervat in collectieve arbeidsovereenkomst nr 17 voor het voltijds brugpensioen en in overeenkomst nr 55 van de Nationale Arbeidsraad voor het halftijds brugpensioen. In het brutoloon dat zal dienen voor de berekening van het netto referentieloon zal rekening worden gehouden met de eindejaarspremie en met het aandeel van de werkgever in de maaltijdbewijzen.

De formule die moet worden toegepast voor de berekening van het maandelijks bruto referentieloon is de volgende : 173 u 33 * + GJP + EP/11 + (21 x MBW) * 173 u 33 : uitgedrukt in een 40-urenregeling GJP : jaarlijks gemiddelde van de terugkerende premies (zonder overuren) EP : eindejaarspremie MBW : tegemoetkoming van de werkgever in de maaltijdbewijzen Deze formule geldt, onverminderd voordeliger conventionele toestanden die vroeger bestonden. 5. Wijzen van vervanging De vervanging van de voltijds bruggepensioneerde werknemers zal geschieden door aanwerving binnen de onderneming van een werknemer van dezelfde categorie, waarbij elk geval evenwel met de nodige soepelheid wordt benaderd, rekening houdend, meer bepaald, met andere vervangingen van bruggepensioneerden die op het vlak van de onderneming zijn gebeurd of nog moeten gebeuren. Die vervanging zal geschieden : - bij voorkeur door de indienstneming met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van werknemers die beantwoorden aan de eisen van de betrekking waarin moet worden voorzien en die voorheen in de onderneming tewerkgesteld zijn geweest gedurende een periode van 6 maanden, hetzij met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een stage overeenkomst of nog als uitzendkracht; - zoniet, door de indienstneming van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd.

De vervanging van de bruggepensioneerde werknemers geschiedt overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

Bij de overgang van een werknemer naar een stelsel van halftijds brugpensioen moet rekening worden gehouden met de eisen inzake arbeidsorganisatie en met de mogelijkheden inzake halftijdse vervanging.

In geval van moeilijkheden in de uitvoering van deze bepaling zal de contactcommissie aangaande het probleem worden gecontacteerd door de meest gerede partij. HOOFDSTUK XVII. - Levering van veiligheidsschoenen

Art. 39.De werknemers hebben recht op de voordelen waarin hierna is voorzien, voor zover veiligheidsschoenen hun niet ter beschikking worden gesteld door de werkgever : 1) hetzij krachtens de artikelen van het Algemeen Reglement betreffende de arbeidsbescherming die toepasselijk zijn in de ondernemingen die worden beschouwd als open luchtgroeven;2) hetzij krachtens besluiten waarbij wordt beslist over de aanvragen om vergunning tot exploitatie van groeven, genomen ter uitvoering van de gecoördineerde wetten op de mijnen, groeven en graverijen, wanneer voorwaarden betreffende de kosteloze levering van veiligheidsschoenen aan de werknemers worden vastgesteld.

Art. 40.De werkgevers leveren kosteloos aan elke werknemer twee paar veiligheidsschoenen per jaar.

Art. 41.De veiligheidsschoenen worden gekozen in overleg met het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, met de syndicale afvaardiging van de werklieden van de onderneming.

Art. 42.De in artikel 40 vermelde termijn voor de verdeling waarin is voorzien wordt als volgt vastgesteld : a) de werknemers die vóór 1 november in dienst worden genomen, ontvangen uiterlijk op 28 februari een paar veiligheidsschoenen en uiterlijk op 31 augustus een tweede paar veiligheidsschoenen;b) de werknemers die na 1 november in dienst worden genomen, ontvangen : - één paar veiligheidsschoenen binnen een termijn van één maand na het verstrijken van de proeftijd; - een tweede paar veiligheidsschoenen zes maanden na de indienstneming.

Art. 43.De waarde van de veiligheidsschoenen wordt teruggevorderd tegen 50 pct. van de aankoopprijs, indien de werknemer die de onderneming verlaat binnen een termijn van zes maanden na de indienstneming, ze niet teruggeeft.

Deze waarde wordt teruggevorderd door van het laatste loon dat aan de werknemer werd toegekend een bepaalde som af te houden. Deze inhouding mag evenwel geen afbreuk doen aan de bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. HOOFDSTUK XVIII. - Vervoer van de werknemers

Art. 44.Onverminderd de bepalingen van het Nationaal Interprofessioneel Akkoord van 15 juni 1971 betreffende het vervoer van de werknemers, komt de werkgever tegemoet in de vervoerkosten van de werknemers die geen openbaar vervoermiddel gebruiken en die op 5 km of meer van de onderneming wonen.

Art. 45.De tegemoetkoming van de werkgever wordt berekend op basis van de degressieve schaal voor de tegemoetkoming per kilometer in de sociale abonnementen 2e klasse van de Nationale Maatschappij voor Belgische Spoorwegen.

De afstanden worden vastgesteld, overeenkomstig de officiële dictionnaire van de wettelijke afstanden langs de gewone wegen tussen al de gemeenten van België, die als bijlage bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1969 is overgenomen.

In geval er evenwel, wegens de plaats van de onderneming en/of de verblijfplaats van de werknemer, onregelmatige geografische toestanden zouden bestaan, mag de tegemoetkoming van de werkgever worden vastgesteld op basis van de werkelijke afstanden, krachtens een op het niveau van de onderneming gesloten paritair akkoord. HOOFDSTUK XIX. - Vakbondsopleiding

Art. 46.Kunnen aanspraak maken op het recht om een vakbondsopdracht te vervullen, wanneer zij worden aangewezen door de vakorganisaties die in het paritair subcomité vertegenwoordigd zijn : a) de vakbondsafgevaardigden;b) de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad;c) de vertegenwoordigers van het personeel in het comité voor preventie en bescherming op het werk;d) en in akkoord met het ondernemingshoofd of met de persoon die deze heeft aangewezen, andere werknemers.

Art. 47.Het recht om vakbondsopdrachten te vervullen wordt uitsluitend toegekend met het oog op de deelneming aan cursussen of seminaries : a) georganiseerd door de interprofessionele vakverenigingen, de vakcentrales ervan, de gewestelijke federaties van deze verenigingen of centrales;b) die tot doel hebben de economische, sociale en technische kennis te vervolmaken, welke kennis de rechthebbenden zich ten nutte zouden kunnen maken om hun rol als vertegenwoordigers van de werklieden en werksters te vervullen.

Art. 48.Elke onderneming stelt alle in artikel 46 bedoelde rechthebbenden een globaal krediet ter beschikking dat is vastgesteld op 5 dagen per gewoon mandaat en voor de duur van dit mandaat, om hun de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan activiteiten voor vakbondsopleiding.

Art. 49.Het in artikel 48 bepaalde globale krediet wordt op het niveau van elke onderneming verdeeld onder de verschillende vakorganisaties, naar verhouding van hun gemiddelde representativiteit in de verschillende organen waarin de werknemers vertegenwoordigd zijn die in de ondernemingen werken.

Deze verdeling, alsmede elke wijziging ervan, zullen onverwijld aan het ondernemingshoofd worden medegedeeld.

Art. 50.Met het oog op de uitoefening door één van de in artikel 46 bedoelde rechthebbenden, van het recht om vakbondsopdrachten te vervullen, dient de in het paritair subcomité vertegenwoordigde vakorganisatie, die de kandidatuur van deze rechthebbende heeft voorgedragen, of de gewestelijke vertegenwoordiger van deze organisatie een aanvraag in bij het ondernemingshoofd of de directie van het personeel.

Deze aanvraag moet zo vlug mogelijk, en in elk geval ten minste 15 dagen voor het begin van de cursussen of seminaries waaraan de rechthebbende wenst deel te nemen, worden toegezonden.

Zij gaat vergezeld van de mededeling van de programma's en de roosters van de cursussen of seminaries, en er worden met name alle dagen in gepreciseerd waarvoor om uitoefening van het recht om vakbondsopdrachten te vervullen wordt gevraagd.

Art. 51.Het ondernemingshoofd kan de aandacht van de vragende vakorganisatie vestigen op het feit dat de gekozen periode voor de deelneming aan de vormingsaktiviteiten voor de vakbondsopleiding de arbeidsorganisatie en de activiteit van de onderneming ten zeerste verstoort. In dit geval zoeken het ondernemingshoofd en de vragende vakorganisatie samen naar de middelen die moeten worden aangewend om dit nadeel te verhelpen.

Indien het ondernemingshoofd en de vragende vakorganisatie het hierover niet eens kunnen worden, kan deze laatste een beroep doen op de contactcommissie.

Art. 52.Ten einde de arbeidsorganisatie niet te verstoren, verbinden de vakorganisaties zich er toe zoveel mogelijk te voorkomen dat het recht om vakbondsopdrachten te vervullen gelijktijdig wordt uitgeoefend door verschillende rechthebbenden die tot dezelfde dienst behoren.

Art. 53.Het gebruik van arbeidsdagen voor vakbondsopleiding, hetwelk in het kader van deze overeenkomst is toegestaan, mag voor de rechthebbenden geen loonderving of verlies van sociale voordelen tot gevolg hebben.

Ten dien einde betaalt de onderneming aan de werknemer die wordt opgeleid het loon dat hij zou hebben verdiend indien hij zijn gewoon werk had uitgevoerd.

De vakbondsopdracht wordt gelijkgesteld met werkelijke arbeid, wat ook geldt met het oog op de toekenning van het recht op inhaalrust ten gevolge van arbeidstijdverkorting.

De onderneming zendt de vragende vakorganisatie het overzicht toe van de brutolonen die voor de vormingsperiodes van de deelnemers werden aangegeven. De staat van de voorschotten wordt uitgesplitst per rechthebbende.

De vakorganisatie betaalt aan de onderneming de voorschotten terug of geeft hiertoe de opdracht, die overeenkomstig dit artikel werden gestort.

Art. 54.Ten einde het voor de vakorganisaties te vergemakkelijken de kosten te dekken die het gevolg zijn van het op touw zetten van de cursussen voor vakbondsopleiding, alsook de kosten van de vakbondsopdrachten te vergoeden, zal elke in artikel 1 bedoelde onderneming op het einde van de maand die volgt op het verstrijken van de in artikel 55 bedoelde periodes, ten voordele van de "Union des Producteurs Belges de Chaux, Calcaires, Dolomies et Produits connexes", rekeningnummer 310-0140494-27, per werknemer een som storten van 275 BEF (t.t.z. 6,82 Euros) per maand gedeeld door 12. De "Union des Producteurs Belges de Chaux, Calcaires, Dolomies et Produits connexes" zal de ontvangen bedragen storten in het Sociaal Fonds voor de arbeiders van het groefbedrijf, dat ze zal verdelen onder de vakorganisaties.

De berekening zal geschieden op basis van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven personeelssterkte.

In geval van betwisting in de onderneming zal aan de R.S.Z. een attest worden gevraagd waarin het aangegeven aantal arbeiders wordt bevestigd.

Art. 55.De partijen zullen drie personen mandateren, die samen zullen handelen om de gestorte fondsen te deblokkeren en die respectievelijk het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond van België en de "Union des Producteurs Belges de Chaux, Calcaires, Dolomies et Produits Connexes" zullen vertegenwoordigen.

De vakorganisaties zullen volgens de volgende kalender beschikken over de gestorte fondsen : - op 15 augustus 1999 voor het 1ste semester 1999; - op 15 februari 2000 voor het 2de semester 1999; - op 15 augustus 2000 voor het 1ste semester 2000; - op 15 februari 2001 voor het 2de semester 2000. HOOFDSTUK XX. - Betaald educatief verlof

Art. 56.Om hun respectieve rechten op betaald educatief verlof aan te tonen, moeten de werknemers aan hun werkgever de bewijskrachtige documenten overhandigen die het hoofd van de onderwijsinrichting hun moet uitreiken, met name : 1° een getuigschrift waaruit de regelmatige inschrijving blijkt en waarin de vorming (en) waarvoor de werknemer is ingeschreven, het aantal uren vorming en het tijdschema worden vermeld;2° een getuigschrift waaruit de regelmatige aanwezigheid blijkt en waarin het aantal uren cursus waaruit het kwartaal bestaat, het werkelijk gegeven aantal uren vorming, het aantal uren aanwezigheid van de werknemer en het aantal uren geoorloofd en ongeoorloofd verzuim worden vermeld;3° in voorkomend geval, voor de werknemer die van het betaald educatief verlof gebruik wenst te maken om examens van de tweede zittijd voor te bereiden en af te leggen, een getuigschrift waaruit blijkt dat hij aan deze tweede zittijd moet deelnemen en waarin de data hiervan worden aangegeven.

Art. 57.De werknemers verwittigen onmiddellijk hun werkgever wanneer zij de aan gang zijnde cursussen niet meer volgen of onderbreken.

Art. 58.Het betaald educatief verlof wordt in de onderneming door de ondernemingsraad vastgesteld of, bij ontstentenis ervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging of bij gebrek hiervan, tussen de werkgever en de werknemer.

Bij deze vaststelling wordt er zowel rekening gehouden met de vereisten van de arbeidsorganisatie in de onderneming, als met de belangen en de eigen toestand van elke werknemer. Dit betaald educatief verlof wordt vastgesteld bij toepassing en in het kader van artikel 113 van de wet van 22 januari 1985.

De ondernemingshoofden verbinden er zich evenwel toe alles in het werk te stellen om het de werknemers mogelijk te maken zich in te schrijven voor de in deze wet voorziene cursussen. Indien men het hierover niet eens kan worden op het niveau van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging, kunnen de vakorganisaties een beroep doen op de in artikel 67 vermelde contactcommissie, die haar goede diensten zal aanbieden om het geschil te regelen.

Art. 59.De vereisten inzake arbeidsorganisatie en de noodzaak om het werk degelijk te organiseren, rekening houdend met het aantal afwezigheden en met de duur ervan voor de toekenning van kredieturen, impliceren dat de rechthebbende werknemers de werkgever ten minste 15 dagen op voorhand moeten verwittigen, behalve in geval van overmacht. HOOFDSTUK XXI. - Instandhouding van het gereedschap

Art. 60.Er wordt door de werkgeversafgevaardigden en de afvaardiging van de werklieden overeengekomen dat er op het niveau van de onderneming kan worden onderhandeld over akkoorden in verband met de instandhouding van het gereedschap.

Deze akkoorden zullen slechts gelden nadat zij door de nationale vakorganisaties zijn bekrachtigd. HOOFDSTUK XXII. - Sociale vrede

Art. 61.De sociale vrede wordt gewaarborgd voor de duur van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst.

Bijgevolg zal geen enkele complementaire of aanvullende eis van algemene of collectieve aard die van aard zou zijn de door deze collectieve arbeidsovereenkomst voorziene verplichtingen van de ondernemingen uit te breiden of te wijzigen, op regionaal of ondernemingsvlak, van 1 januari 1999 tot 31 december 2000, hetzij samen, hetzij afzonderlijk, worden ingeleid of gesteund door de betrokken representatieve werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en -ovens op het gehele grondgebied van het Rijk.

Onverminderd de wijzigingen van de loonregeling en van de arbeidsvoorwaarden van één of verschillende werknemers, welke het gevolg zijn van een reorganisatie van de arbeid of van grondige veranderingen in de onderneming, mag geen enkele aanvraag om verhoging leiden tot een algemene verhoging, op korte of lange termijn, voor één of verschillende categorieën van werknemers.

Deze bepalingen gelden niet voor een werkgever die de sociale wetten of de paritaire overeenkomsten slechts gebrekkig toepast, nadat de normale verzoeningsprocedure is uitgeput.

Art. 62.Elke onderneming die onder het toepassingsgebied valt van deze overeenkomst zal op rekening 310-0144888-56 van het Fonds voor arbeidsvrede, op het einde van de maand die volgt op het verstrijken van de in artikel 66 bedoelde periodes, ten voordele van de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het paritair subcomité, een som storten van 3.750 BEF (t.t.z 92,96 Euros) : 12, per werknemer en per maand. Fediex zal de ontvangen bedragen storten in het Sociaal Fonds voor de arbeiders van het groefbedrijf, dat ze zal verdelen onder de vakorganisaties.

De berekening zal geschieden op basis van de aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven personeelssterkte.

In geval van betwisting over het aantal werknemers die in een onderneming zijn tewerkgesteld, zal er aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een getuigschrift worden gevraagd waaruit het aantal aangegeven werknemers blijkt.

Art. 63.Die storting is evenwel onderhevig aan de uitdrukkelijke voorwaarde dat geen enkel sociaal conflict uitbreekt tussen 1 januari 1999 en 31 december 2000, zoals wordt bepaald in artikel 64.

Art. 64.Als een onregelmatige, gehele of gedeeltelijke staking van meer dan twee werkdagen uitbreekt, dan heeft dit voor de onderneming die in het conflict is betrokken, automatisch de vrijstelling van de bijdragen aan het "Fonds voor arbeidsvrede" tot gevolg. Deze vrijstelling stemt overeen met : - de bijdragen van 1 maand, indien het conflict niet langer duurt dan 5 werkdagen; - de bijdragen voor 3 maanden indien het conflict langer duurt dan 5 werkdagen maar niet langer dan 10 werkdagen; - de bijdragen van 6 maanden indien het conflict langer duurt dan 10 werkdagen.

Onder onregelmatige staking moet worden verstaan elke staking die is uitgebroken zonder dat de verzoeningsprocedures werden toegepast, of elke staking die tot doel heeft een eis kracht bij te zetten betreffende een bepaald onderwerp dat door een nationale of regionale collectieve overeenkomst of door een ondernemingsovereenkomst wordt geregeld.

Art. 65.Elke betwisting betreffende het onregelmatige aspect van de staking en bijgevolg betreffende de toepassing van artikel 64 zal worden voorgelegd aan de Directeur-Generaal van het Mijnwezen of zijn afgevaardigde die als bemiddelaars zullen optreden, alvorens eventueel enige andere gerechtelijke procedure wordt aangevat.

Art. 66.De partijen zullen drie personen mandateren, die gezamenlijk zullen handelen om de gestorte fondsen te deblokeren en die respectievelijk het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond en de "Union des Producteurs Belges de Chaux, Calcaires, Dolomies et Produits Connexes" zullen vertegenwoordigen.

Op voorwaarde dat de voorwaarden van dit akkoord worden nageleefd zullen de vakorganisaties over de gestorte fondsen kunnen beschikken volgens het volgende tijdschema : - op 15 augustus 1999 voor het 1ste semester 1999; - op 15 februari 2000 voor het 2de semester 1999; - op 15 augustus 2000 voor het 1ste semester 2000; - op 15 februari 2001 voor het 2de semester 2000. HOOFDSTUK XXIII. - Betwistingen

Art. 67.Elke betwisting betreffende de interpretatie of de toepassing van deze collectieve overeenkomst zal, op initiatief van de meeste gerede partij, worden voorgelegd aan ofwel het contactcomité ofwel het verzoeningsbureau dat op het niveau van het paritair subcomité wordt bijeengeroepen. HOOFDSTUK XXIV. - Duur van de collectieve arbeidsovereenkomst

Art. 68.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2000, uitgezonderd artikel 69 dat wordt gesloten voor onbepaalde duur en dat kan worden opgezegd door elk van de partijen mits een opzeggingstermijn van 6 maanden, bij ter post aangetekende brief gericht aan de andere partij, en dat ten vroegste vanaf 1 januari 2004. HOOFDSTUK XXV. - Bijzondere bepaling

Art. 69.Dit artikel heeft tot doel de praktisch uitwerkingsmodaliteiten te omschrijven van de wet van 26 juli 1996, en inzonderheid de maximale beschikbare marge te bepalen voor de onderhandelingen voor de periode 1999-2000 en de volgende periodes.

Voor de sector bepaald in artikel 1 hierboven is de maximale beschikbare onderhandelingsmarge voor het akkoord voor de periode 1999-2000 en de volgende periodes voor elke periode van twee jaar gelijk aan de maximale marge voor de evolutie van de loonkosten, bepaald op interprofessioneel vlak, door de regering en/of de sociale partners (CRB en/of NAR), verminderd met de gecumuleerde percentages van de indexaanpassingen die op eender welk moment gedurende de voorafgaande twee kalenderjaren hebben plaatsgehad.

Afgezien van de toepassing van artikel 68 hierboven houdt dit artikel op van kracht te zijn in geval van opheffing van elk mechanisme van maximale marges van de evolutie van de loonkosten zoals bepaald door de wet van 26 juli 1996.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 17 september 2000.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^