← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 139/2019 van 17 oktober 2019 Rolnummers 6879 en 6882 In
zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 479, 480 en 482bis of 483 van het Wetboek van strafvordering,
ingesteld door A.M. en door L.M. Het Grond samengesteld uit de voorzitters
F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 139/2019 van 17 oktober 2019 Rolnummers 6879 en 6882 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 479, 480 en 482bis of 483 van het Wetboek van strafvordering, ingesteld door A.M. en door L.M. Het Grond samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P(...) | Extrait de l'arrêt n° 139/2019 du 17 octobre 2019 Numéros du rôle : 6879 et 6882 En cause : les recours en annulation des articles 479, 480 et 482bis ou 483 du Code d'instruction criminelle, introduits par A.M. et par L.M. La Cour constitu composée des présidents F. Daoût et A. Alen, et des juges L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman,(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | COUR CONSTITUTIONNELLE |
Uittreksel uit arrest nr. 139/2019 van 17 oktober 2019 | Extrait de l'arrêt n° 139/2019 du 17 octobre 2019 |
Rolnummers 6879 en 6882 | Numéros du rôle : 6879 et 6882 |
In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 479, 480 en | En cause : les recours en annulation des articles 479, 480 et 482bis |
482bis of 483 van het Wetboek van strafvordering, ingesteld door A.M. | ou 483 du Code d'instruction criminelle, introduits par A.M. et par |
en door L.M. | L.M. |
Het Grondwettelijk Hof, | La Cour constitutionnelle, |
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. | composée des présidents F. Daoût et A. Alen, et des juges L. Lavrysen, |
Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, | J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. |
P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan | Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman et M. Pâques, assistée du |
door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter | greffier F. Meersschaut, présidée par le président F. Daoût, |
F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : | après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : |
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging | I. Objet des recours et procédure |
a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 maart | a. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le |
2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 | |
maart 2018, heeft A.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. | 22 mars 2018 et parvenue au greffe le 23 mars 2018, A.M., assisté et |
Mouffe, advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het | représenté par Me B. Mouffe, avocat au barreau de Bruxelles, a |
Hof nr. 9/2018 van 1 februari 2018, beroep tot vernietiging ingesteld | introduit, à la suite de l'arrêt de la Cour n° 9/2018 du 1er février |
van de artikelen 479, 480 en 482bis van het Wetboek van | 2018, un recours en annulation des articles 479, 480 et 482bis du Code |
strafvordering. | d'instruction criminelle. |
Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens | Par la même requête, la partie requérante demandait également la |
de schorsing van dezelfde normen. Bij het arrest nr. 82/2018 van 28 | suspension des mêmes normes. Par l'arrêt n° 82/2018 du 28 juin 2018, |
juni 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 september | publié au Moniteur belge du 17 septembre 2018, la Cour a rejeté la |
2018, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. | demande de suspension. |
b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 maart | b. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le |
2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 | |
maart 2018, heeft L.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. | 23 mars 2018 et parvenue au greffe le 26 mars 2018, L.M., assisté et |
Uyttendaele en Mr. M.-L. Levaux, advocaten bij de balie te Brussel, | représenté par Me M. Uyttendaele et Me M.-L. Levaux, avocats au |
ingevolge de arresten van het Hof nrs. 9/2018 van 1 februari 2018 en | barreau de Bruxelles, a, à la suite des arrêts de la Cour nos 9/2018 |
35/2018 van 22 maart 2018, beroep tot vernietiging ingesteld van de | du 1er février 2018 et 35/2018 du 22 mars 2018, introduit un recours |
artikelen 479, 480 en 483 van het Wetboek van strafvordering. | en annulation des articles 479, 480 et 483 du Code d'instruction |
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6879 en 6882 van de rol van | criminelle. Ces affaires, inscrites sous les numéros 6879 et 6882 du rôle de la |
het Hof, werden samengevoegd. | Cour, ont été jointes. |
(...) | (...) |
II. In rechte | II. En droit |
(...) | (...) |
Ten aanzien van de bestreden bepalingen | Quant aux dispositions attaquées |
B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de | B.1.1. Les parties requérantes demandent l'annulation des articles |
artikelen 479, 480, 482bis en 483 van het Wetboek van strafvordering. | 479, 480, 482bis et 483 du Code d'instruction criminelle. |
De beroepen tot vernietiging, die aanhangig zijn gemaakt ingevolge het | Les recours en annulation, qui sont formés à la suite de l'arrêt n° |
arrest nr. 9/2018 van 1 februari 2018 en het arrest nr. 35/2018 van 22 | 9/2018 du 1er février 2018 et de l'arrêt n° 35/2018 du 22 mars 2018, |
maart 2018, worden ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van | sont introduits sur la base de l'article 4, alinéa 2, de la loi |
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. | spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle. En vertu de |
Krachtens die bepaling staat voor onder meer iedere natuurlijke | cette disposition, un nouveau délai de six mois est ouvert pour |
persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe | l'introduction par, entre autres, toute personne physique ou morale |
termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot | justifiant d'un intérêt, d'un recours en annulation d'une loi, d'un |
vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer het | décret ou d'une ordonnance lorsque la Cour, statuant sur une question |
Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat | préjudicielle, a déclaré que cette loi, ce décret ou cette ordonnance |
die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in artikel | viole, notamment, une des règles visées à l'article 1er. |
1 bedoelde regels schendt. | |
B.1.2. De bestreden artikelen 479, 480, 482bis en 483 van het Wetboek | B.1.2. Les articles 479, 480, 482bis et 483, attaqués, du Code |
van strafvordering, die deel uitmaken van boek II, titel IV (« Enige | d'instruction criminelle, qui font partie du livre II, titre IV (« De |
rechtsplegingen van bijzondere aard »), hoofdstuk III (« Misdaden door | quelques procédures particulières »), chapitre III (« Des crimes |
rechters gepleegd buiten hun ambt en in de uitoefening van hun ambt | commis par des juges, hors de leurs fonctions et dans l'exercice de |
»), van dat Wetboek, bepalen : | leurs fonctions »), de ce Code, disposent : |
« Art. 479.Wanneer een vrederechter, een rechter in de |
« Art. 479.Lorsqu'un juge de paix, un juge au tribunal de police, un |
politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de | juge au tribunal de première instance, au tribunal du travail ou au |
arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder | tribunal de commerce, un conseiller à la cour d'appel ou à la cour du travail, un conseiller à la Cour de cassation, un magistrat du parquet près un tribunal ou une cour, un référendaire près la Cour de cassation, un membre de la Cour des comptes, un membre du Conseil d'Etat de l'auditorat ou du bureau de coordination près le Conseil d'Etat, un membre de la Cour constitutionnelle, un référendaire près cette Cour, les membres du Conseil du Contentieux des étrangers, un gouverneur de province est prévenu d'avoir commis, hors de ses fonctions, un délit emportant une peine correctionnelle, le procureur général près la cour d'appel le fait citer devant cette cour, qui |
dat beroep kan worden ingesteld. | prononce sans qu'il puisse y avoir appel. |
Art. 480.Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf |
Art. 480.S'il s'agit d'une infraction punissable d'une peine |
is gesteld, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep de | criminelle, le procureur général près la cour d'appel et le premier |
magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal | président de cette cour désigneront, le premier, le magistrat qui |
waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de magistraat die het | exercera les fonctions d'officier de police judiciaire; le second, le |
ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen ». | magistrat qui exercera les fonctions de juge d'instruction ». |
« Art. 482bis.De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf |
« Art. 482bis.Les coauteurs et les complices de l'infraction pour |
waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 479 | laquelle un fonctionnaire de la qualité exprimée à l'article 479 est |
wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven worden samen | poursuivi, et les auteurs des infractions connexes sont poursuivis et |
met de ambtenaar vervolgd en berecht. | jugés en même temps que le fonctionnaire. |
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van | L'alinéa 1er ne s'applique toutefois pas aux auteurs de crimes et de |
misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die | délits politiques et délits de presse qui sont connexes avec |
samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar wordt vervolgd ». | l'infraction pour laquelle le fonctionnaire est poursuivi ». |
« Art. 483.Wanneer een vrederechter, een rechter in de |
« Art. 483.Lorsqu'un juge de paix, un juge au tribunal de police, un |
politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de | juge au tribunal de première instance, au tribunal du travail ou au |
arbeidsrechtbank of in de ondernemingsrechtbank, een raadsheer in het | tribunal de l'entreprise, un conseiller à la cour d'appel ou à la cour |
hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van | du travail, un conseiller à la Cour de cassation, un magistrat du |
Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, | |
een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, | parquet près un tribunal ou une cour, un référendaire près la Cour de |
een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het | cassation, un membre de la Cour des comptes, un membre [du] Conseil |
coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het | d'Etat, de l'auditorat ou du bureau [de] coordination près le Conseil |
Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad | d'Etat, un membre de la Cour constitutionnelle, un référendaire près |
voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan | cette Cour, les membres du Conseil du Contentieux des étrangers, un |
beschuldigd wordt in zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een | gouverneur de province est prévenu d'avoir commis, dans l'exercice de |
correctionele straf meebrengt, dan wordt dat misdrijf vervolgd en | ses fonctions, un délit emportant une peine correctionnelle, ce délit |
gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald ». | est poursuivi et jugé comme il est dit à l'article 479 ». |
B.2.1. Bij zijn arrest nr. 9/2018 van 1 februari 2018, in antwoord op | B.2.1. Par son arrêt n° 9/2018 du 1er février 2018, en réponse à |
verschillende prejudiciële vragen die door de kamer van | plusieurs questions préjudicielles posées par la chambre des mises en |
inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik waren gesteld | accusation de la Cour d'appel de Liège dans le cadre de l'instruction |
in het kader van het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende | à charge des parties requérantes, la Cour a dit pour droit que les |
partijen, heeft het Hof voor recht gezegd dat de artikelen 479 en 480 | articles 479 et 480 du Code d'instruction criminelle violent les |
van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de | articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu'ils ne prévoient pas |
Grondwet schenden in zoverre zij niet voorzien in het optreden van een | |
onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, | l'intervention d'une juridiction d'instruction afin de contrôler, au |
toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als | cours de l'instruction, la régularité de la procédure et de statuer en |
beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat. Het Hof heeft zijn beslissing met name op de volgende motieven gebaseerd : « B.10.3. Wat de magistraten van eerste aanleg betreft, heeft de wetgever, door het ambt van onderzoeksrechter toe te vertrouwen aan een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep en door erin te voorzien dat de betrokken magistraten door de hoogste feitenrechter moeten worden berecht, hun welbepaalde waarborgen willen bieden die een onpartijdige en serene rechtsbedeling kunnen verzekeren, overeenkomstig het in B.4.1 vermelde doel. B.10.4. Zoals in B.4.2 wordt vermeld, is de procureur-generaal bij het hof van beroep evenwel als enige bevoegd om bij het afsluiten van het gevorderde gerechtelijk onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen. Aangezien er aldus bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, voor de magistraten van eerste aanleg, geen tussenkomst is van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling | tant qu'instance de recours sur les décisions du magistrat désigné en tant que juge d'instruction. La Cour a fondé sa décision notamment sur les motifs suivants : « B.10.3. En ce qui concerne les magistrats de première instance, en confiant les fonctions de juge d'instruction à un magistrat désigné à cette fin par le premier président de la cour d'appel et en prévoyant que les magistrats concernés doivent être jugés par le plus haut juge du fond, le législateur a entendu leur offrir des garanties déterminées de nature à assurer une administration de la justice impartiale et sereine, conformément à l'objectif mentionné en B.4.1. B.10.4. Cependant, comme il est dit en B.4.2, le procureur général près la cour d'appel est seul compétent pour décider, au terme de l'instruction requise, si l'affaire doit ou non être renvoyée à la juridiction de jugement. Etant donné qu'au terme de l'instruction, il n'y a pas, pour les magistrats de première instance, d'intervention d'une juridiction d'instruction qui procède, dans le cadre d'une |
van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en | procédure contradictoire, au règlement de la procédure et examine ce |
de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, zoals dat het geval | faisant si les charges sont suffisantes et si la procédure est |
is bij het Hof van Cassatie voor de magistraten van de hoven van | régulière, comme c'est le cas de la Cour de cassation pour les |
beroep, doen de in het geding zijnde bepalingen op onevenredige wijze | magistrats des cours d'appel, les dispositions en cause portent une |
afbreuk aan de rechten van de betrokken magistraten in zoverre zij | atteinte disproportionnée aux droits des magistrats concernés en ce |
niet voorzien in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, in de | qu'elles ne prévoient pas l'intervention d'une juridiction |
loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de | d'instruction afin de contrôler, au cours de l'instruction, la |
regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak | régularité de la procédure et de statuer en tant qu'instance de |
te doen over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen | recours sur les décisions du magistrat désigné en tant que juge |
magistraat ». | d'instruction ». |
Het Hof heeft in B.11 van dat arrest geoordeeld : | La Cour a jugé en B.11 de cet arrêt : |
« In afwachting van een optreden van de wetgever staat het, aangezien | « Dans l'attente d'une intervention du législateur, dès lors que le |
de in B.10.4 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in | constat de la lacune qui a été fait en B.10.4 est exprimé en des |
voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het | termes suffisamment précis et complets qui permettent l'application |
geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van de | des dispositions en cause dans le respect des normes de référence sur |
referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid | la base desquelles la Cour exerce son contrôle, il appartient au juge |
uitoefent, aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de | |
schending van die normen via de toepassing van de gemeenrechtelijke | a quo de mettre fin à la violation de ces normes par l'application des |
regels van de strafrechtspleging ». | règles de droit commun de la procédure pénale ». |
B.2.2. Bij zijn arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 heeft het Hof, op | B.2.2. Par son arrêt n° 35/2018 du 22 mars 2018, la Cour a jugé, sur |
grond van dezelfde motieven, geoordeeld dat de artikelen 479, 483 en | la base des mêmes motifs, que les articles 479, 483 et 503bis du même |
503bis van hetzelfde Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet | Code violent les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu'ils ne |
schenden in zoverre zij, bij het afsluiten van het gerechtelijk | prévoient pas, au terme de l'instruction, l'intervention d'une |
onderzoek, niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht dat | juridiction d'instruction qui procède, dans le cadre d'une procédure |
in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de | contradictoire, au règlement de la procédure et examine ce faisant si |
regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de | les charges sont suffisantes et si la procédure est régulière. |
bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt. | Invitée à statuer sur une demande d'interprétation de l'arrêt n° |
Verzocht zich uit te spreken over een vordering tot uitlegging van | 35/2018 précité, la Cour a répondu, par son arrêt n° 31/2019, du 28 |
zijn voormelde arrest nr. 35/2018, heeft het Hof bij zijn arrest nr. 31/2019 van 28 februari 2019 geantwoord dat dat arrest « aldus [dient] te worden uitgelegd dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten - andere dan die bedoeld in artikel 481 - en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen B.3. Volgens de Ministerraad zijn de beroepen niet ontvankelijk bij gebrek aan belang van de verzoekende partijen. Als partijen bij de procedure die aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest nr. 9/2018, zouden zij genoegdoening hebben gekregen door dat arrest, in zoverre de verwijzende rechter ertoe is gehouden de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging toe te passen om een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid. B.4.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.4.2. Het bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang verschilt niet van datgene dat wordt vereist in artikel 2 van dezelfde wet. B.5. Ter ondersteuning van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zij, in de hoedanigheid van rechter bij de rechtbank van eerste aanleg respectievelijk als mededader van of medeplichtige aan een misdrijf waarvoor die magistraat wordt vervolgd, het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd met toepassing van de bijzondere rechtspleging, zoals die in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » is geregeld in de bestreden bepalingen. B.6.1. Uit de elementen van het dossier blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik zich, rekening houdend met de arresten nrs. 9/2018 en 35/2018 van het Hof, bij een arrest van 31 mei 2018 bevoegd heeft verklaard om bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partijen over te gaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen. Aldus heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te dezen een einde gemaakt aan de door het Hof vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet via de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. B.6.2. Vermits het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partijen bijgevolg is afgesloten, met het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure is overgegaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging heeft beoordeeld en aldus met inachtneming van de vereiste procedurele waarborgen zoals die voortvloeien uit de voormelde arresten nrs. 9/2018, 35/2018 en 31/2019, hebben zij geen belang meer bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. B.7. De beroepen tot vernietiging zijn bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober 2019. De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, | février 2019, que cet arrêt « doit être interprété en ce sens que, dans l'attente d'une intervention du législateur, la chambre des mises en accusation doit se déclarer compétente pour régler, au terme de l'instruction, la procédure à charge des magistrats visés par l'article 479 du Code d'instruction criminelle - autres que ceux visés à l'article 481 - et des auteurs d'une infraction connexe et examiner ce faisant si les charges sont suffisantes et si la procédure est régulière, conformément aux règles de droit commun de la procédure pénale ». Quant à la recevabilité des recours B.3. D'après le Conseil des ministres, les recours sont irrecevables à défaut d'intérêt des parties requérantes. En tant que parties à la procédure qui a donné lieu à l'arrêt n° 9/2018 précité, elles auraient obtenu satisfaction par cet arrêt, en ce que le juge a quo est tenu d'appliquer les règles du droit commun de la procédure pénale pour mettre fin à l'inconstitutionnalité constatée par la Cour. B.4.1. La Constitution et la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle imposent à toute personne physique ou morale qui introduit un recours en annulation de justifier d'un intérêt. Ne justifient de l'intérêt requis que les personnes dont la situation pourrait être affectée directement et défavorablement par la norme attaquée. Cet intérêt doit exister au moment de l'introduction de la requête et subsister jusqu'au prononcé de l'arrêt. B.4.2. L'intérêt requis par l'article 4, alinéa 2, de la loi spéciale du 6 janvier 1989 ne diffère pas de celui qui est requis à l'article 2 de la même loi. B.5. A l'appui de leur intérêt, les parties requérantes font valoir qu'elles ont fait l'objet, en leur qualité respective de juge auprès du tribunal de première instance et de coauteur ou complice d'une infraction pour laquelle ce magistrat est poursuivi, d'une instruction menée par application de la procédure particulière, telle qu'elle est réglée dans le cadre du régime du « privilège de juridiction » par les dispositions attaquées. B.6.1. Il ressort des éléments du dossier que la chambre des mises en accusation de la Cour d'appel de Liège s'est déclarée compétente, par un arrêt du 31 mai 2018, compte tenu des arrêts nos 9/2018 et 35/2018 de la Cour, pour procéder, lors de la clôture de l'instruction à charge des parties requérantes, au règlement de la procédure et pour examiner ce faisant si les charges sont suffisantes et si la procédure est régulière. La chambre des mises en accusation a ainsi mis fin en l'espèce à la violation, constatée par la Cour, des articles 10 et 11 de la Constitution par l'application des règles de droit commun de la procédure pénale. B.6.2. Etant donné que l'instruction à charge des parties requérantes est par conséquent clôturée, avec l'intervention d'une juridiction d'instruction qui, dans le cadre d'une procédure contradictoire, a procédé au règlement de la procédure et a examiné ce faisant si les charges sont suffisantes et si la procédure est régulière et donc dans le respect des garanties procédurales requises, telles qu'elles découlent des arrêts précités nos 9/2018, 35/2018 et 31/2019, elles n'ont plus intérêt à l'annulation des dispositions attaquées. B.7. Les recours en annulation sont dès lors irrecevables à défaut d'intérêt. Par ces motifs, la Cour rejette les recours. Ainsi rendu en langue française, en langue néerlandaise et en langue allemande, conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 17 octobre 2019. Le greffier, F. Meersschaut Le président, |
F. Daoût | F. Daoût |