← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 9/2010 van 4 februari 2010 Rolnummer 4724 In zake : de
prejudiciële vraag betreffende artikel 931, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het
Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, sa wijst na beraad het volgende arrest
: I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging "
Uittreksel uit arrest nr. 9/2010 van 4 februari 2010 Rolnummer 4724 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 931, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, sa wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | Extrait de l'arrêt n° 9/2010 du 4 février 2010 Numéro du rôle : 4724 En cause : la question préjudicielle relative à l'article 931, alinéa 4, du Code judiciaire, posée par la Cour d'appel de Gand. La Cour constitutionnelle, composée d après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procéd(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | COUR CONSTITUTIONNELLE |
Uittreksel uit arrest nr. 9/2010 van 4 februari 2010 | Extrait de l'arrêt n° 9/2010 du 4 février 2010 |
Rolnummer 4724 | Numéro du rôle : 4724 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 931, vierde lid, | En cause : la question préjudicielle relative à l'article 931, alinéa |
van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. | 4, du Code judiciaire, posée par la Cour d'appel de Gand. |
Het Grondwettelijk Hof, | La Cour constitutionnelle, |
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de | composée des présidents M. Bossuyt et P. Martens, et des juges M. |
rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, | Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. |
J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van | Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels et T. Merckx-Van Goey, |
Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder | assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. |
voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, | Bossuyt, |
wijst na beraad het volgende arrest : | après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Objet de la question préjudicielle et procédure |
Bij arrest van 4 juni 2009 in zake Beatrijs Byttebier tegen Jos | Par arrêt du 4 juin 2009 en cause de Beatrijs Byttebier contre Jos |
Vanstiphout, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen | |
op 12 juni 2009, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende | Vanstiphout, dont l'expédition est parvenue au greffe de la Cour le 12 |
prejudiciële vraag gesteld : | juin 2009, la Cour d'appel de Gand a posé la question préjudicielle suivante : |
« Schendt het artikel 931, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de | « L'article 931, alinéa 4, du Code judicaire viole-t-il les articles |
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat er geen | 10 et 11 de la Constitution dans la mesure où aucune voie de recours |
verhaalsmogelijkheid is tegen de beslissing van de rechter waarin het | n'est prévue contre la décision du juge par laquelle la demande d'un |
verzoek van een minderjarige om te worden gehoord, ondanks zijn | |
onderscheidingsvermogen, toch wordt verworpen om andere reden dan een | mineur visant à être entendu est, malgré sa capacité de discernement, |
gebrek aan onderscheidingsvermogen zodat hij nooit de mogelijkheid zal | néanmoins rejetée pour un autre motif que le manque de discernement, |
krijgen om te worden gehoord, terwijl de wet de rechter verplicht het | de sorte que le mineur n'aura jamais la possibilité d'être entendu, |
verzoek van een minderjarige die over het vereiste | |
onderscheidingsvermogen beschikt in te willigen zodat elke | alors que la loi oblige le juge à accueillir la demande d'un mineur |
minderjarige met het vereiste onderscheidingsvermogen de kans krijgt | capable de discernement afin que tout mineur capable de discernement |
te worden gehoord ? ». | ait l'occasion d'être entendu ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. En droit |
(...) | (...) |
B.1. Een minderjarige beneden de volle leeftijd van vijftien jaar mag niet onder ede worden gehoord en zijn verklaringen kunnen enkel als inlichtingen gelden (artikel 931, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, mag evenwel in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, worden gehoord door de rechter of door de persoon die deze aanwijst, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming (artikel 931, derde lid, van hetzelfde Wetboek). Die gemeenrechtelijke hoorregeling van minderjarigen maakt deel uit | B.1. Le mineur âgé de moins de quinze ans révolus ne peut être entendu sous serment et ses déclarations peuvent être recueillies à titre de simple renseignement (article 931, alinéa 1er, du Code judiciaire). Néanmoins, dans toute procédure le concernant, le mineur capable de discernement peut, à sa demande ou sur décision du juge, sans préjudice des dispositions légales prévoyant son intervention volontaire et son consentement, être entendu par le juge ou la personne désignée par ce dernier (article 931, alinéa 3, du même Code). Ce régime de droit commun de l'audition des mineurs relève de la |
van deel IV « Burgerlijke rechtspleging », boek II « Geding », titel | quatrième partie « De la procédure civile », livre II « L'instance », |
III « Tussengeschillen en bewijs », hoofdstuk VIII « Bewijs », | titre III « Des incidents et de la preuve », chapitre VIII « Les |
afdeling V « Getuigenverhoor », onderafdeling 2 « Verschijning van getuigen », van het Gerechtelijk Wetboek. Het in het geding zijnde artikel 931, vierde lid, van dat Wetboek bepaalt : « Wanneer de minderjarige het verzoek om gehoord te worden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is of aan de procureur des Konings heeft gericht, kan het onderhoud slechts worden geweigerd bij een speciaal gemotiveerde beslissing, gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Tegen die beslissing kan geen hoger beroep worden ingesteld ». Wanneer de rechter beslist om de minderjarige te horen, kan die steeds weigeren om te worden gehoord (artikel 931, vijfde lid). De minderjarige wordt in beginsel alleen gehoord (artikel 931, zesde lid) en het horen van de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij wordt in het geding (artikel 931, zevende lid). | preuves », section V « L'enquête », sous-section 2 « De la comparution des témoins », du Code judiciaire. L'article 931, alinéa 4, en cause, de ce Code dispose : « Lorsque le mineur en fait la demande soit au juge saisi soit au procureur du Roi, l'audition ne peut être écartée que par une décision spécialement motivée fondée sur le manque de discernement du mineur. Cette décision n'est pas susceptible d'appel ». Lorsque le juge décide d'entendre le mineur, celui-ci peut toujours refuser d'être entendu (article 931, alinéa 5). Le mineur est en principe entendu seul (article 931, alinéa 6) et l'audition du mineur ne lui confère pas la qualité de partie à la procédure (article 931, alinéa 7). Les alinéas 3 à 7 de l'article 931 ont été introduits, dans le cadre de la réforme de la procédure de divorce, par la loi du 30 juin 1994 |
Het derde tot het zevende lid van artikel 931 werden ingevoegd, in het | modifiant l'article 931 du Code judiciaire et les dispositions |
kader van de hervorming van de echtscheidingsprocedure, door de wet | |
van 30 juni 1994 houdende wijziging van artikel 931 van het | relatives aux procédures du divorce. |
Gerechtelijk Wetboek en van de bepalingen betreffende de procedures | |
van echtscheiding. | |
Met de invoering van die bepalingen heeft de wetgever gevolg gegeven | En introduisant ces dispositions, le législateur a donné suite à |
aan artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat, | l'article 12 de la Convention relative aux droits de l'enfant, qui |
voor het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, voorziet in | garantit à l'enfant capable de discernement le droit d'être entendu |
het recht om te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke | dans toute procédure judiciaire ou administrative l'intéressant. |
procedure die het kind betreft. | |
B.2. De verwijzende rechter dient te oordelen over het hoger beroep | B.2. Le juge a quo doit se prononcer sur l'appel interjeté contre une |
tegen een beslissing van de rechter waarbij werd geweigerd de | décision du juge refusant d'entendre les enfants mineurs pour une |
minderjarige kinderen te horen om een andere reden dan het gegeven dat | autre raison que la circonstance qu'ils ne sont pas capables de |
zij niet over het vereiste onderscheidingsvermogen zouden beschikken. | |
Hij vraagt aan het Hof of artikel 931, vierde lid, van het | discernement. Il demande à la Cour si l'article 931, alinéa 4, du Code |
Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt | judiciaire viole les articles 10 et 11 de la Constitution en ce |
doordat geen hoger beroep tegen een dergelijke beslissing kan worden | qu'aucun appel ne peut être introduit contre une telle décision, par |
ingesteld, ten gevolge waarvan de minderjarige « nooit de mogelijkheid zal krijgen om te worden gehoord, terwijl de wet de rechter verplicht het verzoek van een minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt in te willigen zodat elke minderjarige met het vereiste onderscheidingsvermogen de kans krijgt te worden gehoord ». B.3. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk omdat zij niet aangeeft ten aanzien van welke andere categorie van personen de minderjarigen worden gediscrimineerd. Die discriminatie zou niet kunnen bestaan tussen minderjarigen onderling aangezien de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen wordt uitgesloten voor alle minderjarigen van wie het verzoek om te worden gehoord werd afgewezen. De prejudiciële vraag kan evenwel in die zin worden begrepen dat de minderjarigen, aan wie de wetgever te dezen de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een rechterlijke beslissing heeft ontzegd, moeten worden vergeleken met andere categorieën van rechtzoekenden aan wie de wetgever wel de mogelijkheid heeft verleend om tegen een rechterlijke beslissing hoger beroep in te stellen. B.4. Behalve in strafzaken bestaat er geen algemeen beginsel waarbij de dubbele aanleg wordt gewaarborgd. Wanneer de wetgever evenwel in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen voorziet, mag hij die mogelijkheid niet zonder redelijke verantwoording aan een bepaalde categorie van rechtzoekenden ontzeggen. Het recht op gelijke toegang tot de rechter in tweede aanleg geldt enkel in het kader van eenzelfde procedure. Een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt immers op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. | suite de quoi le mineur « n'aura jamais la possibilité d'être entendu, alors que la loi oblige le juge à accueillir la demande d'un mineur capable de discernement afin que tout mineur capable de discernement ait l'occasion d'être entendu ». B.3. Selon le Conseil des ministres, la question préjudicielle n'est pas recevable parce qu'elle n'indique pas en regard de quelle autre catégorie de personnes les mineurs seraient discriminés. Cette discrimination ne saurait exister entre des mineurs, dès lors que la faculté d'interjeter appel est exclue pour tous les mineurs dont la demande d'être entendus a été écartée. Néanmoins, la question préjudicielle peut être comprise en ce sens que les mineurs, qui sont privés en l'espèce, par le législateur, de la faculté d'interjeter appel d'une décision judiciaire, doivent être comparés à d'autres catégories de justiciables auxquels le législateur a accordé la faculté d'interjeter appel contre une décision judiciaire. B.4. Sauf en matière pénale, il n'existe aucun principe général garantissant le double degré de juridiction. Toutefois, lorsque le législateur prévoit une faculté d'appel, il ne peut priver une catégorie déterminée de justiciables de cette faculté sans justification raisonnable. Le droit à un accès égal à la justice en second degré de juridiction ne s'applique que dans le cadre d'une même procédure. En effet, une différence de traitement entre certaines catégories de personnes qui résulte de l'application de règles de procédures différentes dans des circonstances différentes n'est pas discriminatoire en soi. Il ne pourrait y avoir de discrimination que si la différence de traitement résultant de l'application de ces règles de procédure entraînait une limitation disproportionnée des droits des parties concernées. |
B.5. Het Hof dient derhalve te onderzoeken of het verschil in | B.5. La Cour doit par conséquent examiner si la différence de |
behandeling dat uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit op | traitement qui résulte de la disposition en cause porte atteinte de |
onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van minderjarigen van | manière disproportionnée aux droits des mineurs dont la demande d'être |
wie het verzoek om te worden gehoord werd afgewezen. | entendus a été rejetée. |
B.6. De bepaling voorziet in slechts één grond tot afwijzing van een | B.6. La disposition ne prévoit qu'un seul motif de rejet de la demande |
verzoek om te worden gehoord : het gegeven dat de minderjarige niet | d'être entendu : la circonstance que le mineur n'est pas capable de |
over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. | discernement. |
De ontstentenis van het vereiste onderscheidingsvermogen wordt door de | L'absence de discernement est appréciée par le juge, si nécessaire |
rechter beoordeeld, indien nodig na daarover deskundig advies te | après avoir recueilli l'avis d'un expert à ce sujet, et doit être « |
hebben ingewonnen, en dient « speciaal » te worden gemotiveerd. | spécialement » motivée. |
Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om de | Il relève du pouvoir d'appréciation du législateur de limiter |
vaststelling van het vereiste onderscheidingsvermogen tot een enkele aanleg te beperken dan wel daarvoor in een dubbele aanleg te voorzien. Hij vermag daarbij rekening te houden met de bekommernis om de procedure, met name de echtscheidingsprocedure, niet nodeloos te verzwaren en te vertragen. B.7. Indien evenwel de in het geding zijnde bepaling aldus zou worden uitgelegd dat, wanneer de rechter het verzoek van de minderjarige om te worden gehoord, om een andere reden weigert dan het gegeven dat die laatste niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, zijn beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, dan doet de in het geding zijnde bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan het recht van de minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt om in elk hem betreffend geding te worden gehoord, zoals gewaarborgd door het in B.1 aangehaalde Verdrag. B.8. Evenwel, in zoverre de in het geding zijnde bepaling de rechter enkel toelaat het horen van de minderjarige te weigeren bij een beslissing die is gegrond op het gegeven dat die laatste niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, en in zoverre zij toevoegt dat « die » beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, kan zij in die zin worden begrepen dat alleen de beslissing die is gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, niet vatbaar is voor hoger beroep. In die interpretatie behoudt de minderjarige de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van zijn verzoek op een andere grond en doet zij niet op discriminerende wijze afbreuk aan het recht van het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, om te worden gehoord in iedere hem betreffende procedure. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat, wanneer de rechter een verzoek om te worden gehoord afwijst op een andere grond dan het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, tegen die beslissing geen hoger beroep kan worden ingesteld, schendt artikel 931, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 | l'appréciation du discernement à un seul degré de juridiction ou de prévoir à cet effet un double degré de juridiction. A cet égard, il pouvait tenir compte de la préoccupation de ne pas alourdir et ralentir inutilement la procédure, notamment la procédure en divorce. B.7. Toutefois, si la disposition en cause est interprétée en ce sens que la décision par laquelle le juge écarte la demande d'audition du mineur pour un motif autre que le manque de discernement de celui-ci n'est pas susceptible d'appel, elle porte atteinte, de manière discriminatoire, au droit du mineur capable de discernement d'être entendu dans toute procédure le concernant, garanti par l'article 12 de la Convention citée en B.1. B.8. Cependant, en ce qu'elle ne permet au juge d'écarter l'audition du mineur que par une décision fondée sur le manque de discernement de celui-ci et en ce qu'elle ajoute que « cette » décision n'est pas susceptible d'appel, la disposition en cause peut s'interpréter en ce sens qu'est seule insusceptible d'appel la décision fondée sur le manque de discernement du mineur. Dans cette interprétation, le mineur conserve la possibilité d'interjeter appel contre le rejet de sa demande fondé sur un autre motif et la disposition en cause ne porte pas atteinte de manière discriminatoire au droit de l'enfant qui est capable de discernement d'être entendu dans toute procédure le concernant. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : - L'article 931, alinéa 4, du Code judiciaire, interprété en ce sens que la décision par laquelle le juge écarte la demande d'audition du mineur pour un motif autre que le manque de discernement de celui-ci n'est pas susceptible d'appel, viole les articles 10 et 11 de la |
en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het | Constitution, combinés avec l'article 12 de la Convention relative aux |
Verdrag inzake de rechten van het kind. | droits de l'enfant. |
- Aldus geïnterpreteerd dat, enkel wanneer de rechter een verzoek om | - L'article 931, alinéa 4, du Code judiciaire, interprété en ce sens |
te worden gehoord afwijst op grond van het gegeven dat de minderjarige | |
niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, tegen die | que ce n'est que lorsque le juge rejette une demande d'audition du |
beslissing geen hoger beroep kan worden ingesteld, schendt artikel | mineur pour le motif que le mineur manque de discernement que sa |
931, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10 en | décision n'est pas susceptible d'appel, ne viole pas les articles 10 |
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het | et 11 de la Constitution, combiné avec l'article 12 de la Convention |
Verdrag inzake de rechten van het kind. | relative aux droits de l'enfant. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare | conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989, à |
terechtzitting van 4 februari 2010. | l'audience publique du 4 février 2010. |
De griffier, | Le greffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |
De voorzitter, | Le président, |
M. Bossuyt. | M. Bossuyt. |