← Terug naar "Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest nr.
241.596 van 24 mei 2018 in zake de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » tegen
het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het M « Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999, en inzonderheid artikel
42 ervan, zo geïnterpreteerd da(...)"
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest nr. 241.596 van 24 mei 2018 in zake de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het M « Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999, en inzonderheid artikel 42 ervan, zo geïnterpreteerd da(...) | Avis prescrit par l'article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 Par arrêt n° 241.596 du 24 mai 2018 en cause de la société de droit singapourien « Singapore Airlines Cargo » contre la Région de Bruxelles-Capitale et le Collège d'Environnemen « L'ordonnance du 25 mars 1999, et plus particulièrement son article 42, interprété comme ne soumet(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | COUR CONSTITUTIONNELLE |
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 | Avis prescrit par l'article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 |
januari 1989 Bij arrest nr. 241.596 van 24 mei 2018 in zake de vennootschap naar | Par arrêt n° 241.596 du 24 mai 2018 en cause de la société de droit |
Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » tegen het Brusselse | singapourien « Singapore Airlines Cargo » contre la Région de |
Hoofdstedelijke Gewest en het Milieucollege van het Brusselse | Bruxelles-Capitale et le Collège d'Environnement de la Région de |
Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof | Bruxelles-Capitale, dont l'expédition est parvenue au greffe de la |
is ingekomen op 5 juni 2018, heeft de Raad van State de volgende | Cour le 5 juin 2018, le Conseil d'Etat a posé la question |
prejudiciële vraag gesteld : | préjudicielle suivante : |
« Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999, en inzonderheid artikel 42 | « L'ordonnance du 25 mars 1999, et plus particulièrement son article |
ervan, zo geïnterpreteerd dat het de toepassing ervan niet onderwerpt | 42, interprété comme ne soumettant pas son application à l'existence |
aan het bestaan van een definitieve voorafgaande veroordeling, met | d'une condamnation préalable définitive, c'est-à-dire qui ne fait plus |
andere woorden die niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of | l'objet ou n'est plus susceptible d'un recours, viole-t-elle les |
daarvoor niet meer vatbaar is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoert tussen : - de vermoedelijke daders van de in de artikelen 32 en 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 beoogde misdrijven, die het voorwerp uitmaken van strafrechtelijke vervolgingen, wier straf wegens de staat van herhaling alleen kan worden verzwaard in geval van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vóór de in het geding zijnde misdrijven; en - de vermoedelijke daders van de in de artikelen 32 en 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 beoogde misdrijven, die het voorwerp uitmaken van de bij de ordonnantie van 25 maart 1999 geregelde administratieve procedure, wier straf wegens de staat van herhaling kan worden verzwaard zelfs bij ontstentenis van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vóór de in het geding zijnde misdrijven ? ». Die zaak is ingeschreven onder nummer 6943 van de rol van het Hof. De griffier, | articles 10 et 11 de la Constitution en tant qu'elle instaure une différence de traitement entre : - les auteurs présumés des infractions visées par les articles 32 et 33 de l'ordonnance du 25 mars 1999, qui font l'objet de poursuites pénales, qui ne sont susceptibles de voir leur peine aggravée pour état de récidive qu'en cas de condamnation coulée en force de chose jugée antérieure aux infractions en cause; et - les auteurs présumés des infractions visées par les articles 32 et 33 de l'ordonnance du 25 mars 1999, qui font l'objet de la procédure administrative organisée par l'ordonnance du 25 mars 1999, qui sont susceptibles de voir leur peine aggravée pour état de récidive, même en l'absence de condamnation coulée en force de chose jugée antérieure aux infractions en cause ? ». Cette affaire est inscrite sous le numéro 6943 du rôle de la Cour. Le greffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |