← Terug naar "Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest
van 8 maart 2011 in zake de stad Antwerpen tegen Edmond Den Hondt, waarvan de expeditie ter griffie van
het Hof is ingekomen op 16 maart 2011, heeft het H « Schendt artikel 65 van de tuchtwet (wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut
van de personee(...)"
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest van 8 maart 2011 in zake de stad Antwerpen tegen Edmond Den Hondt, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 maart 2011, heeft het H « Schendt artikel 65 van de tuchtwet (wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personee(...) | Avis prescrit par l'article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 Par arrêt du 8 mars 2011 en cause de la ville d'Anvers contre Edmond Den Hondt, dont l'expédition est parvenue au greffe de la Cour le 16 mars 2011, la Cour d'appel d'Anvers a « L'article 65 de la loi disciplinaire (la loi du 13 mai 1999 portant le statut disciplinaire des m(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | COUR CONSTITUTIONNELLE |
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 | Avis prescrit par l'article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 |
januari 1989 Bij arrest van 8 maart 2011 in zake de stad Antwerpen tegen Edmond Den | Par arrêt du 8 mars 2011 en cause de la ville d'Anvers contre Edmond |
Hondt, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 | Den Hondt, dont l'expédition est parvenue au greffe de la Cour le 16 |
maart 2011, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende | mars 2011, la Cour d'appel d'Anvers a posé la question préjudicielle |
prejudiciële vraag gesteld : | suivante : |
« Schendt artikel 65 van de tuchtwet (wet van 13 mei 1999 houdende het | « L'article 65 de la loi disciplinaire (la loi du 13 mai 1999 portant |
tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, gewijzigd | le statut disciplinaire des membres du personnel des services de |
bij het arrest van het Arbitragehof nr. 4/2001 van 25 januari 2001, | police, modifiée par l'arrêt de la Cour d'arbitrage n° 4/2001 du 25 |
door de wet van 30 maart 2001; door de wet van 31 mei 2001; door de | janvier 2001, par la loi du 30 mars 2001; par la loi du 31 mai 2001; |
wet van 30 december 2001; door de wet van 26 april 2002 en door de wet | par la loi du 30 décembre 2001; par la loi du 26 avril 2002 et par la |
van 2 augustus 2002. K.B. van 26 november 2001 tot uitvoering van de | loi du 2 août 2002. Arrêté royal du 26 novembre 2001 portant exécution |
wet van 18 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu er geen redelijke verantwoording bestaat waarom enerzijds een politieambtenaar, die zich schuldig heeft gemaakt aan zeer zware tuchtrechtelijke sanctioneerbare handelingen die tot het ontslag van ambtswege of de afzetting aanleiding zouden geven, aanspraak kan maken op de tijdens de voorlopige schorsing ingehouden wedde, omdat deze voor het einde van de strafrechtelijke vervolging gepensioneerd werd, waardoor de tuchtprocedure niet meer kan gevoerd worden en anderzijds de politieambtenaar die zich schuldig heeft gemaakt aan zware tuchtrechtelijk sanctioneerbare feiten die aanleiding kunnen geven tot het ontslag van ambtswege of de afzetting, geen aanspraak kan maken op de tijdens de voorlopige schorsing ingehouden wedde omdat hij zich niet kan beroepen op een wettelijk recht om gepensioneerd te worden om alzo niet langer als politieambtenaar te worden beschouwd ? ». Die zaak is ingeschreven onder nummer 5128 van de rol van het Hof. De griffier, | de la loi du 18 mai 1999 portant le statut disciplinaire des membres du personnel des services de police) viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution dès lors qu'il n'existe aucune justification raisonnable au fait que, d'une part, un fonctionnaire de police qui s'est rendu coupable de faits très graves, passibles de sanctions disciplinaires, qui entraîneraient la démission d'office ou la révocation, peut prétendre au traitement retenu au cours de la suspension provisoire parce qu'il a été pensionné avant la fin des poursuites pénales, ce qui implique que la procédure disciplinaire ne peut plus être menée, et que, d'autre part, le fonctionnaire de police qui s'est rendu coupable de faits graves, passibles de sanctions disciplinaires, pouvant entraîner la démission d'office ou la révocation, ne peut prétendre au traitement retenu au cours de la suspension provisoire parce qu'il ne peut invoquer un droit légal à la pension afin de ne plus être considéré comme fonctionnaire de police ? ». Cette affaire est inscrite sous le numéro 5128 du rôle de la Cour. Le greffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |