Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 06 maart 2023

Uittreksel uit arrest nr. 89/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7634 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 109bis van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 197bis en 199 tot 215 van het Wetboe Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2022206553
pub.
06/03/2023
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 89/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7634 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 109bis van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 197bis en 199 tot 215 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 3 september 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 september 2021, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 109bis van het Gerechtelijk Wetboek, 43bis Strafwetboek, 197bis Wetboek van Strafvordering, 199 - 215 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre deze niet de oproeping en mogelijkheid tot tegenspraak regelen van die (publieke) rechtspersonen of instanties (openbaar ministerie, ontvanger Domeinen, Staat) die gegriefd kunnen worden door een wijzigende toewijzingsbeslissing (toewijzing aan een burgerlijke partij) van ingevolge artikel 43bis Strafwetboek verbeurdverklaarde gelden door een appelrechter, oordelend in correctionele zaken, op het enkele hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een vonnis dat enkel de verbeurdverklaring en impliciete toewijzing van de verbeurdverklaarde gelden aan de Staat uitsprak, en daarbij niet aanduiden of dit hetzij voor een alleenzetelende dan wel collegiale kamer van het appelgerecht dient te geschieden ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 109bis van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 197bis en 199 tot 215 van het Wetboek van strafvordering.

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich dient uit te spreken over een door de burgerlijke partij ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank waarbij de beklaagden onder meer werden veroordeeld tot de straf van de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent en waarbij de verbeurdverklaarde geldsommen niet werden toegewezen aan de burgerlijke partij. De niet-toewijzing van de verbeurdverklaarde geldsommen aan de burgerlijke partij brengt met zich mee dat die geldsommen toekomen aan de Belgische Staat. Het hoger beroep betreft de niet-toewijzing van de verbeurdverklaarde geldsommen aan de burgerlijke partij.

B.3.1. Het hoger beroep tegen correctionele vonnissen wordt geregeld in de artikelen 199 tot 215 van het Wetboek van strafvordering.

Volgens artikel 202, 2°, van dat Wetboek heeft de burgerlijke partij het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken, zij het « alleen wat haar burgerlijke belangen betreft ».

B.3.2. Volgens artikel 109bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken in beginsel toegewezen aan een kamer met drie raadsheren « tenzij het uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekking heeft of enkel nog op dergelijke vorderingen betrekking heeft ». Volgens artikel 109bis, § 3, van dat Wetboek worden de zaken die uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekkingen hebben of enkel nog op dergelijke vorderingen betrekking hebben « toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof ». Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter evenwel, volgens diezelfde bepaling, zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen.

B.4.1. Artikel 43bis van het Strafwetboek heeft betrekking op de bijzondere verbeurdverklaring en bepaalt : « Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Indien de zaken bedoeld in het eerste lid en de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

Ingeval de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij aan haar worden teruggegeven. De verbeurdverklaarde zaken zullen haar eveneens worden toegewezen ingeval de rechter de verbeurdverklaring uitgesproken heeft omwille van het feit dat zij goederen en waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats gesteld zijn van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of omdat zij het equivalent vormen van zulke zaken in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, zal dit recht kunnen laten gelden binnen een termijn en volgens modaliteiten bepaald door de Koning. [...] De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen ».

B.4.2. Artikel 197bis van het Wetboek van strafvordering regelt de invordering van verbeurdverklaarde goederen en bepaalt : « § 1. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, de geldboetes en de gerechtskosten worden namens het openbaar ministerie uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën en volgens de aanwijzingen van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.

Deze ambtenaar verricht de handelingen en stelt de vorderingen in, die vereist zijn ter inning of ter vrijwaring van de rechten die het vonnis of het arrest aan de Schatkist toekent. [...] ».

B.5. Het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « in zoverre deze niet de oproeping en mogelijkheid tot tegenspraak regelen van die (publieke) rechtspersonen of instanties (openbaar ministerie, ontvanger Domeinen, Staat) die gegriefd kunnen worden door een wijzigende toewijzingsbeslissing (toewijzing aan een burgerlijke partij) van ingevolge artikel 43bis Strafwetboek verbeurdverklaarde gelden door een appelrechter, oordelend in correctionele zaken, op het enkele hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een vonnis dat enkel de verbeurdverklaring en impliciete toewijzing van de verbeurdverklaarde gelden aan de Staat uitsprak, en daarbij niet aanduiden of dit hetzij voor een alleenzetelende dan wel collegiale kamer van het appelgerecht dient te geschieden ».

B.6. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat ze berust op een kennelijk verkeerd uitgangspunt.

Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 20 maart 2019, P.17.0730.F), doet hij gelden dat de beslissing betreffende het al dan niet toewijzen van verbeurdverklaarde vermogensvoordelen aan de burgerlijke partij geen burgerrechtelijke beslissing is, maar een modaliteit van het opleggen van de straf van verbeurdverklaring vormt. Daar de burgerlijke partij volgens artikel 202, 2°, van het Wetboek van strafvordering alleen wat haar burgerlijke belangen betreft een recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de correctionele rechtbanken, kan die partij volgens de Ministerraad geen hoger beroep instellen tegen de beslissing betreffende de verbeurdverklaring van een geldsom en evenmin tegen de beslissing betreffende de niet-toewijzing aan haar van die geldsom.

De Ministerraad is van oordeel dat het hoger beroep dat bij de verwijzende rechter werd ingesteld om die reden niet ontvankelijk is en dat het antwoord op de prejudiciële vraag aldus kennelijk niet nuttig is voor de beslechting van het bodemgeschil.

B.7. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Het staat eveneens in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen.

B.8.1. Bij zijn arrest nr. 190/2004 van 24 november 2004 heeft het Hof geoordeeld : « B.3.1. De bijzondere verbeurdverklaring bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek moet worden beschouwd als een bijkomende straf waarvan de vordering, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen, behoort tot de exclusieve beoordelingsbevoegdheid van het openbaar ministerie.

In uitzonderlijke gevallen wordt de verbeurdverklaring tevens voorgeschreven tot herstel van de schade die de benadeelde heeft ondergaan ten gevolge van het misdrijf. De verbeurdverklaring als herstelmaatregel ten voordele van de burgerlijke partij vindt onder meer toepassing in artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek. In dergelijke gevallen heeft de verbeurdverklaring een gemengd karakter.

B.3.2. De vermogensvoordelen waarvan sprake is in artikel 42, 3°, van het Strafwetboek hoeven niet aan de beklaagde toe te behoren. De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, de zogenaamde vervangingsgoederen. De verbeurdverklaring van een gelijkwaardig bedrag kan worden uitgesproken indien blijkt dat een bepaalde persoon een misdrijf heeft gepleegd waaruit hij vermogensvoordelen heeft verkregen, zonder dat kan worden bepaald wat er van die voordelen is geworden.

B.3.3. De verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen kan de belangen van de benadeelden doorkruisen. De wetgever heeft in 1990 willen voorkomen dat schade zou worden berokkend aan het recht van het slachtoffer om de teruggave te verkrijgen van het goed dat hem door middel van het misdrijf was ontnomen. Met dat oogmerk werd bovendien beslist de verbeurdverklaarde zaken te bestemmen voor de schadeloosstelling van het slachtoffer wanneer die zaken het vervangmiddel of het equivalent vormden van de goederen die hem door het misdrijf waren ontnomen.

Een dergelijke wetswijziging was noodzakelijk, gelet op de restrictieve interpretatie van artikel 42, 2°, van het Strafwetboek door het Hof van Cassatie. Het Hof van Cassatie oordeelde immers dat artikel 42, 2°, van het Strafwetboek enkel betrekking heeft op de zaken die materieel door het misdrijf zijn voortgebracht ».

B.8.2. Het Hof heeft bij dat arrest aldus geoordeeld dat de bijzondere verbeurdverklaring, op zich, een strafrechtelijk karakter heeft, dat de wetgever met de in artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek vervatte regels heeft willen voorkomen dat schade zou worden berokkend aan het recht van het slachtoffer om de teruggave te verkrijgen van het goed dat hem door middel van het misdrijf was ontnomen en dat de wetgever de verbeurdverklaarde zaken heeft willen bestemmen voor schadeloosstelling van het slachtoffer wanneer die zaken het vervangmiddel of het equivalent vormden van de goederen die hem door het misdrijf waren ontnomen. Om die reden heeft het Hof geoordeeld dat de bijzondere verbeurdverklaring gecombineerd met de in artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek omschreven maatregelen een « gemengd karakter » vertonen (deels strafrechtelijk, deels burgerrechtelijk).

B.8.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter het door de burgerlijke partij ingestelde hoger beroep ontvankelijk heeft verklaard en heeft geoordeeld dat hij bevoegd is om kennis ervan te nemen.

Rekening houdend met artikel 202, 2°, van het Wetboek van strafvordering, blijkt de verwijzende rechter aldus ervan uit te gaan dat een beslissing betreffende de niet-toewijzing aan de burgerlijke partij van een verbeurdverklaarde geldsom een burgerrechtelijk karakter heeft. Dat uitgangspunt berust op een interpretatie van artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek, die, gelet op het voorgaande, niet kan worden beschouwd als kennelijk verkeerd.

B.8.4. De exceptie wordt verworpen.

B.9. De Ministerraad voert eveneens aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, omdat ze niet duidelijk is. Hij doet gelden dat noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid in welke zin de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden en evenmin welke categorieën van personen met elkaar zouden moeten worden vergeleken.

Hij doet eveneens gelden dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op een vraag naar de juiste interpretatie van wetskrachtige normen.

B.10. Opdat een toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan worden uitgeoefend, moet een prejudiciële vraag verduidelijken in welke zin de in het geding zijnde bepalingen die grondwetsartikelen zouden schenden en welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. Minstens moeten die elementen blijken uit de motivering van de verwijzingsbeslissing. Als dat niet het geval is, kan het Hof niet oordelen of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden.

B.11.1. In zoverre het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, doordat zij « niet aanduiden » of « het enkele hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een vonnis dat enkel de verbeurdverklaring en impliciete toewijzing van de verbeurdverklaarde gelden aan de Staat uitsprak », dient te worden behandeld door « een alleenzetelende dan wel collegiale kamer van het appelgerecht », voldoet de prejudiciële vraag niet aan de voormelde vereisten. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers in welke zin de in het geding zijnde bepalingen, wat dat punt betreft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden en welke categorieën van personen met elkaar zouden moeten worden vergeleken. Het staat bovendien aan de verwijzende rechter, en niet aan het Hof, om op basis van de toepasselijke wetsbepalingen te beoordelen of de bij hem aanhangig gemaakte zaak dient te worden behandeld door een alleenrechtsprekende raadsheer, dan wel door een collegiale kamer van het Hof van Beroep.

De prejudiciële vraag is op dat punt niet ontvankelijk.

B.11.2. Met betrekking tot de vraag of de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, doordat zij « niet de oproeping en mogelijkheid tot tegenspraak regelen van die (publieke) rechtspersonen of instanties (openbaar ministerie, ontvanger Domeinen, Staat) die gegriefd kunnen worden door een wijzigende toewijzingsbeslissing (toewijzing aan een burgerlijke partij) van ingevolge artikel 43bis Strafwetboek verbeurdverklaarde gelden door een appelrechter, oordelend in correctionele zaken, op het enkele hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een vonnis dat enkel de verbeurdverklaring en impliciete toewijzing van de verbeurdverklaarde gelden aan de Staat uitsprak », kan zowel uit de prejudiciële vraag zelf als uit de motivering van de verwijzingsbeslissing op afdoende wijze worden afgeleid welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken.

Het Hof wordt meer bepaald verzocht de situatie te vergelijken van, enerzijds, de partijen die naar aanleiding van een dergelijke bij een rechtscollege aanhangig gemaakte zaak beschikken over de mogelijkheid om hun standpunten uiteen te zetten en, anderzijds, de in prejudiciële vraag vermelde rechtspersonen en instanties - de Belgische Staat, het openbaar ministerie en de bevoegde ambtenaar van de FOD Financiën - die naar aanleiding van een dergelijke zaak niet worden opgeroepen en niet zouden beschikken over de mogelijkheid om hun standpunten uiteen te zetten. Uit de door de Ministerraad bij het Hof ingediende memories blijkt dat hij op dat punt een dienstig verweer heeft kunnen voeren.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt op dat punt verworpen.

B.12.1. Volgens de nv « PostNL Pakketten België » kan de prejudiciële vraag niet alleen worden geïnterpreteerd in die zin dat het Hof wordt gevraagd of er al dan niet sprake is van een discriminatie ten nadele van de Belgische Staat, doordat hij of zijn vertegenwoordigers niet worden opgeroepen in het geschil, maar ook in die zin dat het Hof wordt gevraagd of er al dan niet sprake is van een discriminatie ten nadele van de burgerlijke partij, doordat de alleenrechtsprekende raadsheer die uitspraak doet over het door de burgerlijke partij ingestelde hoger beroep niet bevoegd zou zijn om de vordering van de burgerlijke partij tot toewijzing van de verbeurdverklaarde geldsom te beoordelen.

B.12.2. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen.

B.12.3. Zoals de Ministerraad aanvoert, is de tweede door de nv « PostNL Pakketten België » in aanmerking genomen interpretatie van de prejudiciële vraag niet verenigbaar met de bewoordingen van die vraag en vindt zij geen steun in de verwijzingsbeslissing.

In zoverre de nv « PostNL Pakketten België » het Hof verzoekt de prejudiciële vraag in die interpretatie te onderzoeken, wordt dat verzoek verworpen.

B.13. Zoals is vermeld in B.2, betreft de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter een door de burgerlijke partij ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank waarbij de beklaagden onder meer werden veroordeeld tot de straf van de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent en waarbij de verbeurdverklaarde geldsom niet werd toegewezen aan de burgerlijke partij, waardoor ze toekomt aan de Belgische Staat.

Zoals is vermeld in B.3.1, heeft de burgerlijke partij, volgens artikel 202, 2°, van het Wetboek van strafvordering, het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken, zij het « alleen wat haar burgerlijke belangen betreft ».

B.14.1. Artikel 4, laatste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat wanneer alleen de burgerlijke belangen bij de rechter aanhangig worden gemaakt, de aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzitting niet verplicht is.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever van oordeel is geweest dat wanneer de strafrechter uitspraak doet over de burgerlijke belangen van een dossier, de aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzitting « niet echt nuttig " is en dat de magistraten van het openbaar ministerie, door de voorheen geldende verplichte aanwezigheid, « zeer veel tijd [verloren], die zij voortaan aan prioritaire taken zullen kunnen besteden » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1273/002, p. 3; DOC 51-1273/008, p. 26).

B.14.2. In zoverre de beslissing betreffende de niet-toewijzing van de verbeurdverklaarde geldsom aan de burgerlijke partij een burgerlijk karakter heeft, kan de burgerlijke partij, overeenkomstig artikel 202, 2°, van het Wetboek van strafvordering, hoger beroep instellen tegen die beslissing en is de aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de behandeling van dat hoger beroep, overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, niet vereist.

B.15. De prejudiciële vraag gaat ervan uit dat de Belgische Staat, aan wie de verbeurdverklaarde geldsom toekomt in geval van niet-toewijzing van die geldsom aan de burgerlijke partij, « gegriefd » zou kunnen worden door een uitspraak van het rechtscollege dat dient te oordelen over het door de burgerlijke partij ingestelde hoger beroep tegen de niet-toewijzing van de verbeurdverklaarde geldsom. Om die reden wordt de vraag gesteld of het bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat de Belgische Staat zelf, dan wel een andere instantie die de belangen van de Staat verdedigt - het openbaar ministerie of de in artikel 197bis van het Wetboek van strafvordering bedoelde ambtenaar van de FOD Financiën -, niet worden opgeroepen in de zaak die hangende is voor het rechtscollege dat dient te oordelen over het hoger beroep van de burgerlijke partij.

B.16.1. De bijzondere verbeurdverklaring bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek is een bijkomende straf. De vordering van die straf maakt deel uit van de toepassing van de strafwet en raakt aldus aan de belangen van de Staat.

Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn - in B.8.1 aangehaalde - arrest nr. 190/2004, kan de verbeurdverklaring van vermogensbestanddelen echter de belangen van de benadeelden doorkruisen. Indien de verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen toekomen aan de Staat, kan de benadeelde zich immers geconfronteerd zien met de insolvabiliteit van de dader.

Daarvan uitgaande heeft de wetgever willen voorkomen dat schade zou worden berokkend aan het recht van het slachtoffer om de teruggave te verkrijgen van het goed dat hem door middel van het misdrijf was ontnomen en heeft hij beslist de verbeurdverklaarde zaken te bestemmen voor de schadeloosstelling van het slachtoffer wanneer die zaken het vervangmiddel of het equivalent vormden van de goederen die hem door het misdrijf waren ontnomen.

B.16.2. Daaruit volgt dat de wetgever van oordeel is geweest dat de belangen van de Staat in het kader van het vorderen en het uitspreken van de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de strafwet en niet patrimoniaal van aard zijn. Het door het openbaar ministerie in een strafproces behartigde belang van de Staat is overigens in beginsel evenmin van patrimoniale aard.

B.16.3. Wanneer een burgerlijke partij hoger beroep instelt tegen een beslissing betreffende de niet-toewijzing van een verbeurdverklaarde geldsom, oordeelt het rechtscollege waarbij dat hoger beroep aanhangig is gemaakt, in de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die aan het Hof is voorgelegd, uitsluitend over burgerlijke belangen en aldus niet over de strafvordering. Dat rechtscollege is in die situatie immers uitsluitend geadieerd om te oordelen over de vraag aan wie de verbeurdverklaarde geldsom toekomt en aldus niet om te oordelen over de opgelegde straf van de bijzondere verbeurdverklaring.

B.17. Daar de belangen van de Staat in het kader van het vorderen en het uitspreken van de bijkomende straf van de verbeurdverklaring niet patrimoniaal van aard zijn, kan de Staat in beginsel niet rechtstreeks worden gegriefd door een beslissing van een rechtscollege dat dient te oordelen over het door de burgerlijke partij ingestelde hoger beroep tegen de rechterlijke beslissing betreffende de niet-toewijzing van een verbeurdverklaarde geldsom. Om die reden is het niet zonder redelijke verantwoording dat de in het geding zijnde bepalingen niet voorzien in een oproeping van de Belgische Staat in zulk een voor een rechtscollege hangende zaak. Daar de belangen die het openbaar ministerie en de in artikel 197bis van het Wetboek van strafvordering bedoelde ambtenaar van de FOD Financiën behartigen ter zake niet verschillen van die van de Staat, is het evenmin zonder redelijke verantwoording dat de in het geding zijnde bepalingen niet voorzien in een oproeping van die instanties.

B.18. De omstandigheid dat niet is voorzien in een oproeping brengt overigens niet met zich mee dat het openbaar ministerie in de onmogelijkheid verkeert zijn standpunten met betrekking tot de juiste toepassing van de wet uiteen te zetten.

Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt immers dat artikel 4, laatste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering niet belet « dat het openbaar ministerie aanwezig is op de rechtszitting waarop de strafrechter de burgerlijke rechtsvordering behandelt en zijn advies over de beoordeling van die vordering kenbaar maakt », waarbij « de partijen over dat advies tegenspraak kunnen voeren » (Cass. 29 september 2020, P.20.0527.N).

B.19. Rekening houdend met het voorgaande, zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 197bis en 199 tot 215 van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 30 juni 2022.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, L. Lavrysen

^