Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 02 februari 2001

Uittreksel uit arrest nr. 112/2000 van 8 november 2000 Rolnummer 1794 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengest wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 2(...)

bron
arbitragehof
numac
2001021045
pub.
02/02/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 112/2000 van 8 november 2000 Rolnummer 1794 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters G. De Baets en M. Melchior, en de rechters H. Boel, L. François, J. Delruelle, R. Henneuse en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter G. De Baets, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 26 oktober 1999 in zake J. A.L., M. A.L. en M.A. tegen de b.v.b.a. Pivoe, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 november 1999, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat het bepaalt dat het hoger beroep tegen vonnissen van de rechter in de jeugdrechtbank aan de kamers met één raadsheer wordt toegewezen en niet aan een kamer met drie raadsheren ? » (...) IV. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat deel uit maakt van de regeling van de toebedeling van zaken aan de kamers in hoven van beroep en dat luidt : «

Art. 109bis.§ 1. Aan de kamers met één raadsheer worden toegewezen : 1°. het hoger beroep tegen vonnissen van de rechter in de jeugdrechtbank; [ . ] ».

B.1.2. Het Hof van Cassatie vraagt of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat het hoger beroep tegen vonnissen van de rechter in de jeugdrechtbank aan de kamers met één raadsheer worden toegewezen en niet aan een kamer met drie raadsheren.

B.2. Krachtens artikel 109bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek worden de zaken voor het hof van beroep in beginsel toebedeeld aan een kamer met drie rechters. Daarop bestaan twee soorten uitzonderingen, die geen betrekking hebben op strafzaken.

Een reeks uitzonderingen, waarbij zaken worden toebedeeld aan een alleenrechtsprekend raadsheer, werd ingevoerd door de wet van 19 juli 1985, met het oog op het wegwerken van de gerechtelijke achterstand.

Een andere uitzondering, waarvan de doelstelling verschillend is, betreft de regeling van de toebedeling van zaken aan de jeugdkamers van de hoven van beroep; zij werd reeds ingevoerd door de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming en overgenomen in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en nog later opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek. Het van het gemeen recht afwijkende karakter van de rechtspleging voor de jeugdgerechten wordt, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 1912, verantwoord doordat de wetgever het repressief en intimiderend karakter van een kamer met drie rechters heeft willen verminderen en een minder afstandelijke relatie mogelijk heeft willen maken tussen de minderjarige en de rechter.

De toewijzing van zaken aan een alleenrechtsprekend rechter hangt aldus samen met het sui generis karakter van het jeugdbeschermingsrecht dat berust op een van het strafrecht verschillende aanpak en waarbij het accent ligt op het verlenen van hulp en bijstand aan de minderjarigen. De eigen organisatorische structuur van de jeugdgerechten berust derhalve op een objectief en pertinent criterium.

B.3.1. De prejudiciële vraag werd gesteld op verzoek van de eiser in cassatie, die als minderjarige door de jeugdkamer van het hof van beroep schuldig werd bevonden aan feiten waarvoor hij eerder was vrijgesproken en werd veroordeeld tot een schadevergoeding jegens de burgerlijke partij. In zijn memorie voert hij aan dat, wanneer ten aanzien van een meerderjarige een vrijsprekend vonnis wordt gewezen, artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering stelt dat het gerecht in hoger beroep geen veroordeling kan uitspreken dan met eenparigheid van stemmen, wat door het systeem van de alleenrechtsprekende rechter per definitie wordt uitgesloten.

B.3.2. Door de organisatie van een bijzonder jeugdbeschermingsrecht, met een daaraan eigen gerechtelijke procedure, heeft de wetgever de keuze gemaakt om de minderjarige als algemene regel te onttrekken aan het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering. Wanneer een minderjarige een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, kunnen de jeugdrechtbanken slechts « maatregelen » in de strikte zin opleggen.

B.3.3. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen, dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges in minstens gedeeltelijk verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Dit zou slechts het geval zijn indien het verschil in behandeling voortvloeiende uit de toepassing van die procedures gepaard gaat met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.

De afwezigheid van collegiale rechtspraak voor de jeugdgerechten wordt gecompenseerd door de waarborgen die de wetgever ten behoeve van de minderjarige heeft ingebouwd op het vlak van de samenstelling, van de rechtspleging en van de aangepaste maatregelen die door de betrokken rechtscolleges ten aanzien van de minderjarige kunnen worden genomen.

De wetgever vermocht niet terzelfder tijd aan de minderjarige, tussen de andere voormelde voordelen, dat van de alleenrechtsprekende rechter te verschaffen en hem een regel te laten genieten die slechts denkbaar is als er meerdere zijn.

B.4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 november 2000.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. G. De Baets.

^