Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 26 juni 1997

Arrest nr. 25/97 van 30 april 1997 Rolnummer 985 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integra Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters H. (...)

bron
arbitragehof
numac
1997021191
pub.
26/06/1997
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Arrest nr. 25/97 van 30 april 1997 Rolnummer 985 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters H. Boel, G. De Baets, E. Cerexhe, A. Arts en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter L. De Grève, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij vonnis van 24 september 1996 in zake F. Van Aelst tegen het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap, waarvan de expeditie op 30 september 1996 ter griffie van het Hof is ingekomen, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : " Schenden de artikelen 43 en 44 van het decreet van 27 juni 1990 van de Vlaamse Gemeenschap [houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap], door het oprichten van een beroepscommissie, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten ? " II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil 1. Op 3 september 1992 diende F.Van Aelst een aanvraag in om bijstand tot sociale integratie. De vraag strekte er onder meer toe een tegemoetkoming te verkrijgen voor de aankoop van een personal computer.

Op 26 november 1992 werd de aanvraag voorgelegd aan de provinciale evaluatiecommissie en werd een individueel integratieprotocol opgesteld. Er werd een ongunstige beslissing genomen, om reden dat de personal computer niet noodzakelijk is ter vervanging van de schrijffunctie en bijgevolg geen meeruitgave ten gevolge van de handicap vertegenwoordigt. Op grond hiervan besliste het Vlaams Fonds de tegemoetkoming te weigeren. 2. Tegen die beslissing, die hem ter kennis werd gebracht bij aangetekend schrijven van 5 januari 1993, stelde F.Van Aelst beroep in bij de beroepscommissie met een aangetekend schrijven van 1 februari 1993.

De beroepscommissie verklaarde het beroep op 8 september 1993 ongegrond. 3. Gebruik makend van het recht om een herziening van de beslissing van de beroepscommissie te vragen, diende F.Van Aelst een nieuw medisch attest in.

De beroepscommissie besliste op 17 mei 1995 dat het vermelde medische attest geen nieuw feit uitmaakte in de zin van artikel 54 van het inschrijvingsbesluit van 24 juli 1991. Zij besliste bijgevolg de vraag om herziening als onontvankelijk af te wijzen. 4. Tegen die beslissing stelde F.Van Aelst met een op 13 juli 1995 ter griffie neergelegd verzoekschrift beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. 5. In haar vonnis van 24 september 1996 oordeelde de Arbeidsrechtbank dat in de eerste plaats de bevoegdheid van de rechtbank moest worden onderzocht.De eisende partij meent dat de Arbeidsrechtbank bevoegd is op basis van artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de verwerende partij oordeelt dat het beroep onontvankelijk is, nu tegen beslissingen van de beroepscommissie, die een administratief rechtscollege is, enkel beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. De arbeidsauditeur is van oordeel dat de Arbeidsrechtbank bevoegd is en verwijst daarvoor naar het arrest nr. 49/93 van het Hof.

Op basis van dat arrest en de daaruit naar analogie vastgestelde schending van de Grondwet door de Vlaamse Gemeenschap, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in een vonnis van 23 november 1993 geoordeeld dat de Vlaamse Gemeenschap niet bevoegd is om artikel 26, eerste lid, van de wet van 17 april 1963 op te heffen, zodat de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank in deze materie onaangetast blijft.

De arbeidsrechtbanken blijven bevoegd om kennis te nemen van betwistingen betreffende de beslissingen van het Vlaams Fonds; zij blijven bevoegd voor de sociale integratie van de gehandicapten.

Wanneer een rechtzoekende kennis wordt gegeven van een beslissing van het Vlaams Fonds kan hij beroep instellen ofwel bij de beroepscommissie ofwel bij de Arbeidsrechtbank. De vraag of de Arbeidsrechtbank ook bevoegd is voor beroepen tegen beslissingen van de beroepscommissie hangt af van de vraag of die commissie een administratief rechtscollege is of niet. Er kan worden betwijfeld of de Vlaamse Gemeenschap de bevoegdheid heeft om een beroepscommissie als administratief rechtscollege op te richten, gelet op artikel 146 van de Grondwet en artikel 19, 1, van de bijzondere wet van 8 augus-tus 1980 tot hervorming der instellingen.

Om die redenen stelt de Arbeidsrechtbank voormelde prejudiciële vraag.

III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van 30 september 1996 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 15 okto-ber 1996 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 oktober 1996.

Memories zijn ingediend door : het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap, Sterrenkundelaan 30, 1030 Brussel, bij op 28 november 1996 ter post aangetekende brief; de Vlaamse Regering, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel, bij op 29 november 1996 ter post aangetekende brief; de Waalse Regering, rue Mazy 25-27, 5100 Namen, bij op 29 november 1996 ter post aangetekende brief; de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 2 december 1996 ter post aangetekende brief;

F. Van Aelst, Korte Klarenstraat 11, bus 3, 2000 Antwerpen, bij gewone brief.

Bij beschikking van 5 december 1996 heeft het Hof de door F. Van Aelst bij gewone brief ingediende memorie onontvankelijk verklaard, ze uit de debatten geweerd en gezegd dat de betrokkene derhalve geen partij is in onderhavige zaak voor het Hof.

Van die beschikking is kennisgegeven aan F. Van Aelst en zijn advocaat bij op 9 december 1996 ter post aangetekende brief.

Van de andere memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 9 januari 1997 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : de Ministerraad, bij op 6 februari 1997 ter post aangetekende brief; de Vlaamse Regering, bij op 10 februari 1997 ter post aangetekende brief; de Waalse Regering, bij op 10 februari 1997 ter post aangetekende brief.

Bij beschikking van 26 februari 1997 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 30 september 1997.

Bij beschikking van 5 maart 1997 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 25 maart 1997.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 6 maart 1997 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 25 maart 1997 : zijn verschenen : . Mr. D. D'Hooghe loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. V. Thiry, advocaat bij de balie te Luik, voor de Waalse Regering; . Mr. P. Lefranc, advocaat bij de balie te Gent, voor de Ministerraad; hebben de rechters-verslaggevers H. Boel en E. Cerexhe verslag uitgebracht; zijn de voornoemde advocaten gehoord; is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV. In rechte A Memorie van het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap A.1. In zijn aanvullende conclusie voor de Arbeidsrechtbank beperkte het Vlaams Fonds zich ertoe de verschillende standpunten te vermelden en mede te delen dat zijn administratieve praktijk de beroepscommissie steeds als een administratief rechtscollege heeft beschouwd en dit ook zal blijven doen tot de bevoegde rechtsinstanties hierover een einduitspraak hebben geveld. Het is overigens het Fonds dat de Arbeidsrechtbank heeft verzocht hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.

Het Vlaams Fonds wenst zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof.

Memorie van de Vlaamse Regering A.2.1. Het is juist dat de gemeenschappen en de gewesten in beginsel niet bevoegd zijn om de uitoefening van de rechterlijke functie te regelen en gewone of administratieve rechtscolleges op te richten.

Naar luid van de artikelen 13, 145, 146 en 161 van de Grondwet kan een, al dan niet administratief, rechtscollege immers slechts worden opgericht en kan de jurisdictionele procedure slechts worden geregeld bij of krachtens" de wet ". Uit artikel 19, 1, in fine, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals die bepaling luidde op het ogenblik van de uitvaardiging van de aan de orde zijnde decreetsbepalingen, heeft het Hof afgeleid dat dergelijke grondwettelijke" legaliteitsbeginselen " een voorbehouden bevoegdheid tot gevolg hebben, ook van de federale wetgever ten opzichte van de gemeenschaps- en gewestwetgevers, buiten de gevallen waarin daarop door de federale wetgever uitzondering wordt gemaakt.

In casu zou overigens de onbevoegdheid van de arbeidsrechtbank, af te leiden uit de omstandigheid dat de beroepscommissie een administratief rechtscollege is, zodat tegen haar beslissingen slechts cassatieberoep bij de Raad van State zou openstaan, ook nog tot gevolg hebben dat afbreuk zou worden gedaan aan de door artikel 157, derde lid, van de Grondwet aan de wet voorbehouden bevoegdheid tot regeling van de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.

A.2.2. Het beroep van het Vlaams Fonds bij de beroepscommissie is evenwel een georganiseerd administratief beroep en geen jurisdictioneel beroep, zodat de beroepscommissie geen rechterlijke instantie is en haar beslissingen geen jurisdictionele, maar administratieve rechtshandelingen zijn.

Mocht de beroepscommissie een administratief rechtscollege zijn, quod non, dan zou dit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om kennis te nemen van een geschil over een beslissing van de beroepscommissie. Artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek maakt de Arbeidsrechtbank nu eenmaal bevoegd voor" de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen ", wat er aan de instelling van een vordering bij de arbeidsrechtbank ook moge voorafgaan. De verwijzing naar de" wet betreffende de sociale reclassering van minder-validen " moet in die bepaling in materiële zin worden opgevat en betreft ook de gemeenschapswetgeving ter zake. De bevoegdheid van de arbeidsrechtbank sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit.

A.2.3. Om uit te maken of een instantie een rechterlijke instantie is, moet worden nagegaan of haar beslissingen beantwoorden aan de essentiële kenmerken van de jurisdictionele handeling, die in de rechtsleer uitvoerig zijn beschreven.

De natuurlijke taak van de rechter is het beslechten van juridische geschillen. Geschillen zijn tegenstrijdige aanspraken van rechtssubjecten. De rechter neemt daarvan niet ambtshalve kennis, doch zodra hij door een betrokken partij is geadieerd, is hij verplicht te beslissen, op straffe van rechtsweigering. Het aangebrachte geschil moet een rechtsgeschil zijn, dit is een betwisting over de toepassing van het recht of van subjectieve rechten. De rechter neemt dan ook geen kennis van beleids- of belangengeschillen. Hij spreekt recht en oefent geen doelmatigheids- of opportuniteitscontrole uit. Ten slotte beslecht de rechter het bij hem aanhangig gemaakte geschil, zodat zijn beslissing met gezag van gewijsde is bekleed.

A.2.4. De tekst van het decreet van 27 juni 1990 biedt niet onmiddellijk uitsluitsel over de al dan niet jurisdictionele aard van het beroep bij de beroepscommissie, die commissie zelf en haar beslissingen. Uit de tekst van het decreet kan niet worden afgeleid dat de beroepscommissie een rechterlijke instantie zou zijn, noch dat aan de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank afbreuk werd gedaan.

Door het decreet werden weliswaar de artikelen 26 en 27 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, waarbij de betwistingen over de beslissingen van het toenmalige Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen en over de overeenkomsten met betrekking tot de beroepsopleiding, omscholing en herscholing aan de arbeidsrechtbanken waren toevertrouwd, opgeheven. Die bepalingen zouden uiteraard stilaan hun voorwerp verliezen. De afdeling wetgeving van de Raad van State was van oordeel dat die bepalingen geen toepassing zouden vinden op betwistingen met betrekking tot beslissingen genomen door of overeenkomsten gesloten met het nieuw opgerichte Vlaamse Fonds.

Allicht daarom maakte zij geen opmerkingen over de opheffing ervan.

Die opheffing impliceert niet noodzakelijk dat het beroep bij de beroepscommissie in de plaats is gesteld van het bij de artikelen 26 en 27 van de wet van 1963 georganiseerde beroep bij de arbeidsrechtbank, en mocht zulks alsnog het geval zijn, dat het beroep bij de beroepscommissie van jurisdictionele aard is. Bovendien blijft die opheffing zonder uitwerking, gelet op wat het Hof in zijn arrest nr. 49/93 heeft gezegd over de opheffing van diezelfde bepalingen door de Franse Gemeenschap, precies omdat daarmee een door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid werd toegekend. Bij het decreet van 27 juni 1990 werd niet geraakt aan de meer algemene bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken die is terug te vinden in artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

A.2.5. Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 waarmee de benoemingsvoorwaarden van de leden van de beroepscommissie werden vastgesteld en de werking van de commissie geregeld, biedt evenmin houvast. Weliswaar werd daarbij de nadruk gelegd op de onafhankelijkheid van de beroepscommissie en in een sterk op jurisdictionele procedures gelijkende rechtspleging voorzien hoewel de aanvrager zich niet kan laten bijstaan door een advocaat en de zittingen en uitspraken niet openbaar zijn doch daaruit kan de jurisdictionele aard van het beroep, de beroepsinstantie en haar beslissingen evenmin worden afgeleid.

Over het rechtsprekend karakter van een beroep kan allereerst niet worden beslist door de uitvoerende macht. Er zijn, vervolgens, vele administratieve procedures die met toepassing van quasi jurisdictionele procedures worden afgehandeld. Ten slotte, en vooral, kunnen de organieke aspecten van een beroepsinstantie of de formele aspecten van de door haar toe te passen procedure bezwaarlijk als criterium, laat staan als beslissend criterium worden gehanteerd, aangezien zij gevolg en geen oorzaak zijn.

Uit het feit dat het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 bepaalt dat de uitgifte van de beslissing van de beroepscommissie vermeldt dat de beslissing vatbaar is voor hoger beroep bij de Raad van State, kan evenmin afgeleid worden dat de beslissingen van de commissie van jurisdictionele aard zijn. Die bepaling kent immers geen hoger beroep toe, zij stelt die vorm van rechtsbescherming slechts vast en legt de verplichting op daarvan mededeling te doen. De vaststelling van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State die bovendien op een vergissing berust, aangezien de arbeidsrechtbank bevoegd is impliceert overigens niet dat de beslissing waartegen het beroep wordt ingesteld van jurisdictionele aard is, aangezien het beroep bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de eerste plaats betrekking heeft op administratieve rechtshandelingen. Het nietigverklaringsberoep bij de Raad van State tegen jurisdictionele rechtshandelingen van zijn kant is geen hoger beroep, maar een voorziening in cassatie.

A.2.6. Het decreet van 27 juni 1990 bevat daarentegen belangrijke indicaties dat het beroep bij de beroepscommissie geen jurisdictioneel, maar een administratief beroep is. Het staat immers buiten kijf dat de beroepscommissie de oorspronkelijke beslissing van het Vlaams Fonds kan herzien en door een nieuwe beslissing kan vervangen, in al haar aspecten, zodat de beroepscommissie over dezelfde beoordelingsbevoegdheid beschikt. Die beoordeling is ruimschoots, zo niet uitsluitend, discretionair en heeft slechts op bijkomende wijze betrekking op de juridische gegrondheid van een aanvraag. De bij de beroepscommissie aanhangig gemaakte betwisting betreft slechts uitzonderlijk een rechtsgeschil en is doorgaans een louter belangen- of beleidsgeschil. De beroepscommissie onderwerpt de oorspronkelijke beslissing van het Vlaams Fonds voornamelijk aan een doelmatigheids- of opportuniteitscontrole; dit sluit een jurisdictionele bevoegdheid van de beroepscommissie uit. Zowel discretionaire bevoegdheid als opportuniteitscontrole zijn onverzoenbaar met de opdracht van een jurisdictionele instantie, die een beleidsoordeel slechts marginaal kan toetsen.

Dat de beroepscommissie het opportuniteitsoordeel van het Vlaams Fonds moet overdoen, wordt bevestigd in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de inschrijving bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap. De samenstelling van de beroepscommissie wijst erop dat zij allesbehalve rechtsgeschillen oplost, doch voornamelijk opportuniteitsvragen beantwoordt. Dit impliceert dat de beroepscommissie weliswaar een beroepsinstantie is, doch dat bij haar geen jurisdictioneel, maar een louter administratief beroep wordt ingesteld.

A.2.7. Ook de ontstaansgeschiedenis van het decreet wijst op het organiseren van een administratief beroep. Aanvankelijk zouden de betwistingen betreffende de beslissingen genomen door het Vlaams Fonds worden toevertrouwd aan de arbeidsrechtbanken, naar analogie met de voormalige nationale regeling. De afdeling wetgeving van de Raad van State was evenwel, met verwijzing naar het arrest nr. 66 van het Hof, van oordeel dat het een nationale bevoegdheid betrof en dat de betrokken bepalingen uit het ontwerp moesten worden weggelaten. Als gevolg hiervan werd voorzien in de procedure bij de beroepscommissie.

Uit de verantwoording daarvan kan onmogelijk worden afgeleid dat de beroepscommissie net als de arbeidsrechtbank een rechtscollege zou zijn of met een jurisdictionele taak zou zijn belast.

A.2.8. Het beroep bij de beroepscommissie van het Vlaams Fonds is niets anders dan een administratief en geen jurisdictioneel beroep. De beroepscommissie is een administratieve en geen rechterlijke instantie en haar beslissingen zijn administratieve en geen jurisdictionele rechtshandelingen.

Een jurisdictionele interpretatie van de beroepscommissie, haar bevoegdheid of haar beslissingen, is ten stelligste betwistbaar.

Aangezien die interpretatie een grondwettigheidsprobleem zou doen rijzen, terwijl ongetwijfeld ook een grondwettige interpretatie mogelijk is, moet voor de laatste worden gekozen.

Memorie van de Waalse Regering A.3.1. Om te bepalen of de in het decreet bedoelde beroepscommissie het karakter heeft van een administratieve overheid of integendeel van een administratief rechtscollege, dient te worden verwezen naar de criteria die gewoonlijk door de rechtsleer en de rechtspraak in aanmerking worden genomen.

De commissie is ingesteld door en op initiatief van een openbare overheid. De omstandigheid dat de commissie zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft is niet doorslaggevend om haar het karakter van administratieve overheid te ontnemen. Zij maakt deel uit van het Vlaams Fonds, waarvan zij in zekere zin een orgaan is.

De commissie die ermee belast is beslissingen te nemen in het kader van een georganiseerd beroep, neemt deel aan opdrachten van openbaar of algemeen belang die bij het decreet werden toegekend aan het Fonds waarbij ze is ingesteld.

De commissie staat noodzakelijkerwijze onder de controle van de overheid. Haar opdrachten en haar samenstelling zijn, zoals de voornaamste procedureregels overigens, vastgesteld bij decreet. De Vlaamse Regering is aangewezen om haar werkingsregels vast te stellen, alsmede om haar leden te benoemen en om ze aan te wijzen. De Vlaamse Gemeenschap kan te allen tijde die regels wijzigen. In de betwiste decreetsbepalingen vindt men niets dat erop wijst dat men de commissie een bijzonder statuut van onafhankelijkheid wenst te verlenen.

De multidisciplinaire samenstelling is eveneens een aanwijzing voor het karakter van een administratieve overheid; de omstandigheid dat zij door een magistraat wordt voorgezeten is niet bepalend op zich. De in artikel 43 van het decreet vastgestelde essentiële procedure-elementen bevestigen de idee dat de commissie niet het karakter van een administratief rechtscollege heeft. Er wordt helemaal geen debat op tegenspraak georganiseerd en er wordt niet in de tussenkomst van een advocaat voorzien. De betwiste bepalingen schrijven geen strakke onderzoeksprocedure voor. De openbaarheid van de terechtzittingen van de commissie en zelfs de openbaarheid van de uitspraak van de beslissing worden geenszins gegarandeerd.

De commissie beschikt klaarblijkelijk over een grote beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de opportuniteit wanneer zij, naar aanleiding van een beroep, een beslissing neemt in verband met de tenlasteneming van een maatregel van bijstand tot sociale integratie.

De beslissing van de commissie is een handeling die onder de administratieve functie valt en die zich fundamenteel van de jurisdictionele of de wetgevende functie onderscheidt. Er wordt met name niet gepreciseerd dat die beslissing het gezag van gewijsde heeft dat in regel aan iedere handeling van een administratief rechtscollege wordt verbonden.

Die verschillende elementen of kenmerken tonen voldoende aan dat de bij de artikelen 43 en 44 van het betwiste decreet ingestelde beroepscommissie een administratieve overheid is die beslissingen moet nemen in het raam van een georganiseerd administratief beroep.

A.3.2. Krachtens het adagium tempus regit actum kunnen de betwiste decreetsbepalingen slechts ten aanzien van de bevoegdheidsverdelende regels die van kracht waren op het ogenblik dat die bepalingen werden aangenomen, door het Hof worden onderzocht. De Vlaamse Gemeenschap was op grond van artikel 5, 1, II, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd om voormelde beroepscommissie in te stellen met eerdervermelde kenmerken.

In zoverre de beroepscommissie niet het karakter van een administratief rechtscollege heeft, heeft de Vlaamse Gemeenschap geenszins inbreuk gemaakt op de door de artikelen 145 en 146 van de Grondwet aan de wet toegekende bevoegdheden. Mocht echter twijfel blijven bestaan wat betreft het karakter van administratieve overheid van de beroepscommissie, zou haar toch dat karakter moeten worden toegekend, zodat aan de betwiste bepalingen een interpretatie wordt gegeven die verenigbaar is met de grondwettelijke voorschriften.

A.3.3. Sinds de staatshervorming van 1993 volgt uit artikel 161 van de Grondwet, gelezen in samenhang met het nieuwe artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat de gewesten en gemeenschappen, indien nodig via impliciete bevoegdheden, specifieke administratieve rechtscolleges die met hun bevoegdheden verband houden, kunnen instellen en organiseren.

Memorie van de Ministerraad A.4.1. Alvorens de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden dient te worden geantwoord op de vraag of het in de artikelen 43 en 44 van het decreet bedoelde beroep een jurisdictioneel beroep is, met andere woorden een beroep dat wordt ingesteld bij een administratief rechtscollege, een buitengerechtelijk rechtscollege of een orgaan van het actief bestuur dat rechtsprekende bevoegdheid uitoefent en dat leidt tot een beslissing met een specifieke draagwijdte welke, steunend op een rechtsregel en bekleed met het gezag van gewijsde, een einde maakt aan een geschil.

A.4.2. Het voorontwerp van decreet voorzag in een beroepsprocedure bij de arbeidsrechtbank, zoals daarin was voorzien in de wetgeving inzake sociale reclassering. De afdeling wetgeving van de Raad van State formuleerde fundamentele kritiek op die regeling, daarbij verwijzend naar de rechtspraak van het Hof. Ingaand op het bezwaar dat bij decreet de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank niet kan worden geregeld, heeft de Vlaamse decreetgever ervoor geopteerd een specifieke beroepsinstantie op te richten in de vorm van een beroepscommissie. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt reeds de bedoeling van de decreetgever. Hij wilde voorzien in een jurisdictionele beroepsprocedure tegen de beslissingen van het Vlaams Fonds. Omdat hij diende te aanvaarden dat hij niet bevoegd was om de arbeidsrechtbank daarvoor aan te wijzen, installeerde hij zelf een jurisdictioneel orgaan. Daarbij heeft hij het tweede bezwaar van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat het de gemeenschappen niet toekomt rechtbanken in te stellen, duidelijk naast zich neergelegd.

A.4.3. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991, dat vanwege de dringende noodzakelijkheid niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, werd uitvoering gegeven aan het decreet. Hoofdstuk IV betreft de inrichting en samenstelling van de beroepscommissie en de procedure. De jurisdictionele aard van de beslissing van de beroepscommissie en dus de kwalificatie van die beroepscommissie als administratief rechtscollege, kunnen worden afgeleid uit het organiek statuut van die commissie. Het feit dat het voorzitterschap wordt waargenomen door een magistraat en er onverenigbaarheid is tussen het lidmaatschap van de evaluatiecommissie of van de raad van bestuur en dat van de beroepscommissie, wijst op de bedoeling van de decreetgever dat de leden van de beroepscommissie onpartijdig en onafhankelijk moeten optreden. Zij genieten immers een statuut dat analoog is aan datgene dat wordt toegekend aan de leden van de hoven en rechtbanken van de gewone rechterlijke macht. Zij zijn noch verantwoording verschuldigd ten aanzien van hiërarchische oversten, noch staan zij onder enig administratief toezicht. Dat wordt bevestigd door het huishoudelijk reglement van 28 oktober 1992. Blijkens het criterium van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid is de beroepscommissie derhalve een administratief rechtscollege. Ook rekening houdend met het formeel criterium de procedurevoorschriften is de beroepscommissie te beschouwen als een administratief rechtscollege. De geschillen moeten aanhangig worden gemaakt bij de beroepscommissie. Zij kan niet uit eigen beweging van een geschil kennis nemen. De griffier mag de inschrijving van een zaak op de algemene rol niet weigeren. De procedure voor de beroepscommissie gebeurt bovendien tegensprekelijk en de beroepscommissie is gebonden door de procedureregelen van het contradictoir debat. De procedure verloopt openbaar. De commissie is verplicht om te beslissen en de beslissingen moeten op straffe van nietigheid gemotiveerd zijn. Alle opgeworpen middelen moeten worden behandeld en uit de redengeving van haar beslissing moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen zijn onderzocht.

De beroepscommissie beantwoordt ook aan het materieel criterium voor administratieve rechtscolleges, vermits het uitspraak doet over geschillen betreffende beslissingen die door het Fonds worden genomen met toepassing van het decreet van 27 juni 1990. De beroepscommissie strekt er essentieel toe een geschil, dit is een betwisting nopens een rechtsregel, een rechtstoestand of een rechtsfeit, te beslechten. Zij maakt een eind aan een bestaand, bij haar aanhangig gemaakt geschil, wat tot uiting komt door het gezag van gewijsde dat kleeft aan haar beslissing. De jurisdictionele beslissing van de beroepscommissie is een specifieke beslissing waarvan de gevolgen niet verder reiken dan het geschil waarover uitspraak is gedaan. De beroepscommissie spreekt recht op basis van toepasselijke rechtsregels. Zij gaat het bestaan van de feiten na en toetst die aan de van toepassing zijnde rechtsregels om er zich een oordeel over te vormen of ten gevolge van die feiten geen schending van de betrokken rechtsregels heeft plaatsgevonden. De beslissing van de beroepscommissie heeft uitsluitend betrekking op de wettigheid van de bestreden beslissing en strekt zich niet uit tot een toetsing van de bestreden beslissing aan het algemeen belang of aan het beleid dat door het Fonds wordt voorgestaan. De beroepscommissie mag zich met andere woorden niet in de plaats stellen van het Fonds. De wil van de decreetgever om de beroepscommissie als een administratief rechtscollege op te richten blijkt ook uit het gezag van gewijsde dat kleeft aan de beslissing van de beroepscommissie. De partijen de beroeper en het Fonds zijn immers door haar beslissing gebonden. Ook de beroepscommissie kan op een gedane uitspraak niet meer terugkomen door ze te wijzigen of te herroepen. De beslissing kan slechts met nakoming van streng bepaalde procedurevormen worden gewijzigd of vernietigd.

De beroepscommissie vertoont alle kenmerken van een administratief rechtscollege.

A.4.4. Getoetst aan de op het ogenblik van het oprichten van de beroepscommissie geldende bevoegdheidsregels moet worden besloten dat de artikelen 43 en 44 van het decreet de bevoegdheidsverdelende regels schenden. De artikelen 145 en 146 van de Grondwet brengen met zich mee dat alle administratieve rechtscolleges een wettelijke basis moeten hebben. Het oprichten van administratieve rechtscolleges is een door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid. De gemeenschappen en de gewesten zijn in principe (artikel 19, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980), behoudens bijzondere en uitdrukkelijke machtiging in de bijzondere of gewone wet tot hervorming der instellingen (arrest nr. 66 van het Hof), niet bevoegd om jurisdictionele organen op te richten of te wijzigen, zelfs voor de hun toegewezen aangelegenheden. Zelfs op basis van de impliciete bevoegdheden kunnen de gemeenschappen en de gewesten geen jurisdictionele organen oprichten.

A.4.5. Artikel 128 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur bevat geen bijzondere bepaling betreffende de inwerkingtreding van artikel 7 van die wet waarbij artikel 19, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 werd vervangen. De nieuwe bepaling is derhalve op 30 juli 1993 in werking getreden. Het is eerst vanaf die datum dat de gemeenschappen en de gewesten zich op de bevoegdheden van de bijzondere wet van 16 juli 1993 kunnen beroepen.

Het nieuwe artikel 19, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat behoudens toepassing van artikel 10, het decreet de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 tot 9 regelt, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden. Overigens werden op 29 juni 1993 de huidige artikelen 160 en 161 in de Grondwet ingevoegd, naar luid waarvan geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet.

De nieuwe grondwettelijke bepaling met betrekking tot de oprichting van administratieve rechtscolleges werd ingevoerd na de eerste staatshervormingen. Zij moet worden beschouwd als een grondwettelijke bevoegdheidsverdelende regel tussen de federale wetgever, enerzijds, en de gemeenschappen en de gewesten, anderzijds. Het betreft derhalve een door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid.

Indien de gemeenschappen en de gewesten krachtens het nieuwe artikel 19, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, met toepassing van artikel 10 van diezelfde bijzondere wet, federale bevoegdheden kunnen betreden, moet dat optreden beantwoorden aan de strenge eisen die het Hof daaromtrent stelt. De door de gemeenschappen en gewesten aangenomen bepalingen moeten noodzakelijk zijn voor een zinvolle uitoefening van een uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheid; er is dus een zeer nauwe band vereist tussen de uitdrukkelijke gemeenschaps- of gewestbevoegdheid en de op grond van artikel 10 betreden federale aangelegenheid, zodat deze laatste een noodzakelijk accessorium moet zijn. De federale aangelegenheid die aldus wordt betreden moet zich tot een gedifferentieerde regeling lenen en de weerslag op de federale aangelegenheid moet marginaal zijn.

De oprichting van de beroepscommissie door de Vlaamse decreetgever is geen noodzakelijk accessorium van het gehandicaptenbeleid van de gemeenschappen. De aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid tot oprichting van administratieve rechtscolleges leent zich niet tot een gedifferentieerde regeling. De weerslag van de oprichting van die beroepscommissie op die federale aangelegenheid is meer dan marginaal.

Memorie van antwoord van de Ministerraad A.5.1. De beroepscommissie is een administratief rechtscollege.

A.5.2. Het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap beschouwt de beroepscommissie als een administratief rechtscollege en heeft daar in zijn administratieve praktijk consequent naar gehandeld.

A.5.3. De Vlaamse Regering beroept zich op het materieel criterium om te stellen dat het beroep bij de beroepscommissie geen jurisdictioneel beroep is en de commissie geen administratief rechtscollege is. Het materieel criterium is evenwel geen decisief criterium.

In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering betoogt bevatten de decretale bepalingen duidelijke aanwijzingen over de bedoeling van de decreetgever, namelijk de oprichting van een administratief rechtscollege. Het voorzitterschap wordt waargenomen door een magistraat, er is onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van de beroepscommissie en dat van de evaluatiecommissie of van de raad van bestuur als waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en het geschil moet aanhangig worden gemaakt bij de beroepscommissie, die dus niet ambtshalve kan optreden.

Dit blijkt ook uit artikel 73 van het decreet, waarbij de artikelen 26 en 27 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen worden opgeheven. Die bepalingen bevestigden de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank voor sommige door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen genomen beslissingen.

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, oordeelde het Hof (arrest nr. 49/93) dat de opheffing van het voormelde artikel 26 door de Franse gemeenschapsdecreetgever de bevoegdheidsverdelende bepalingen schendt.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 geeft uitvoering aan het decreet; het beslist niet over het rechtsprekend karakter van het beroep.

De niet-openbaarheid van de zitting en de uitspraak van de beroepscommissie blijkt niet uitdrukkelijk uit het decreet en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991. Het al dan niet openbaar karakter van de zitting en de uitspraak is geen criterium om te besluiten dat het om een rechtscollege gaat (zie arrest nr. 65/96).

De mogelijkheid tot bijstand door een advocaat volgt uit artikel 439 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is evenmin een criterium om de aard van de beroepscommissie vast te stellen (zelfde arrest). De organieke aspecten van de beroepscommissie en de formele aspecten van de procedure vinden hun grondslag in het decreet waarvan het besluit van 24 juli 1991 de uitvoering is.

De mogelijkheid van cassatieberoep bij de Raad van State is een criterium om de commissie als rechtscollege te beschouwen (zelfde arrest). Hoewel de terminologie van artikel 49 van het besluit van 24 juli 1991 niet geheel accuraat is, beoogde de decreetgever daarmee het administratief cassatieberoep van artikel 14, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De mogelijkheid om een opportuniteitsbeoordeling te doen sluit niet uit dat het om een rechtscollege gaat. Hetzelfde geldt ten aanzien van de multidisciplinaire samenstelling.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever een rechtscollege bevoegdheid wilde geven om de geschillen betreffende de beslissingen van het Vlaams Fonds over de tenlasteneming te beslechten. Het feit dat artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek niet werd opgeheven, doet niets af aan de opheffing van de artikelen 26 en 27 van voormelde wet van 16 april 1963.

De Vlaamse Regering betwist niet dat de beslissingen van de beroepscommissie gezag van gewijsde hebben. Dit is nochtans een decisief criterium. De beroepscommissie kan haar uitspraak niet intrekken, wat een administratieve overheid wel kan.

A.5.4. Het standpunt van de Waalse Regering kan evenmin worden gevolgd. De oprichting van de beroepscommissie door de Vlaamse decreetgever kan uiteraard niet op zich het karakter van administratieve overheid aan die beroepscommissie verlenen. De deelname aan opdrachten van openbaar of algemeen belang geeft de beroepscommissie niet het karakter van administratieve overheid. Dat de benoemingsvoorwaarden, de benoemingen van de leden en de werkingsregels toekomt aan de Vlaamse Regering kan de beroepscommissie niet het karakter van rechtscollege ontnemen. Er is wel degelijk in een debat op tegenspraak voorzien en de tussenkomst van een advocaat volgt uit artikel 439 van het Gerechtelijk Wetboek.

A.5.5. Het Hof heeft in het arrest nr. 65/96 de jurisdictionele aard van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen afgeleid uit de volgende criteria : a) de samenstelling en de wijze waarop haar leden worden aangewezen; b) de wijze waarop hun onafhankelijkheid ten opzichte van de administratie wordt gewaarborgd; c) de haar toegewezen bevoegdheden inzake opsporing en onderzoek; d) het debat op tegenspraak dat wordt georganiseerd; e) de bijzondere verplichting tot motivering; f) het administratief cassatieberoep dat tegen haar beslissingen kan worden uitgeoefend en g) de parlementaire voorbereiding. Toetsing aan die criteria leidt onvermijdelijk tot het besluit dat het ook hier om een rechtscollege gaat.

A.5.6. De Vlaamse en de Waalse Regering bevestigen dat de Vlaamse decreetgever niet bevoegd is om de uitoefening van de rechterlijke functie te regelen en gewone of administratieve rechtscolleges op te richten. In tegenstelling met wat de Waalse Regering betoogt, blijven de gemeenschappen en gewesten thans ook onbevoegd om administratieve rechtscolleges op te richten.

Memorie van antwoord van de Vlaamse Regering A.6. De argumenten die de Ministerraad aanvoert in zijn memorie werden door de Vlaamse Regering in haar memorie reeds weerlegd.

Op grond van een onderzoek van het wezen van de beroepscommissie en haar bevoegdheden, dat wil zeggen met toepassing van de materiële criteria van de jurisdictionele functie, zonder zich te laten misleiden door een aantal organieke en formele, hoe dan ook niet-essentiële bijkomstigheden, waarbij overigens oorzaak en gevolg zouden worden verward, kan niets anders dan worden vastgesteld dat het beroep bij de beroepscommissie een administratief en geen jurisdictioneel beroep is, zodat de beroepscommissie een administratieve en geen rechterlijke instantie is en haar beslissingen administratieve en geen jurisdictionele rechtshandelingen zijn.

Hoe kan overigens, zoals de Ministerraad beweert, van een decreetgever die uitdrukkelijk wil ingaan op de opmerking van de Raad van State dat hij onbevoegd is om rechtspraak te organiseren, worden aangenomen dat hij precies vanwege die onbevoegdheid alsnog rechtspraak heeft georganiseerd ? In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt kan uit de omstandigheid dat de beroepscommissie de bestreden beslissing van het Vlaams Fonds kan wijzigen of vervangen slechts worden afgeleid dat zij een administratieve en geen jurisdictionele beslissing treft. Typisch voor de rechter is immers dat hij, gelet op de scheiding der machten, zijn appreciatie niet in de plaats mag stellen van die van een overheid die een administratieve functie vervult.

Hoe dan ook is een jurisdictionele kwalificatie van de beroepscommissie, haar bevoegdheid of haar beslissingen ten stelligste betwistbaar. Aangezien die interpretatie een grondwettigheidsprobleem doet rijzen, terwijl ongetwijfeld een grondwettige interpretatie mogelijk is, moet voor de laatste worden gekozen. De Vlaamse Regering kan slechts vaststellen dat de Ministerraad geen bevoegdheidsrechtelijke bezwaren maakt tegen de beroepscommissie mocht zij een administratieve instantie zijn.

Memorie van antwoord van de Waalse Regering A.7.1. Om te antwoorden op de prejudiciële vraag moet worden verwezen naar de bevoegdheidsrechtelijke regels die van toepassing waren op het ogenblik dat de artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 werden aangenomen. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt moet niet worden verwezen naar artikel 161 van de Grondwet gelezen in samenhang met het door de bijzondere wet van 16 juli 1993 gewijzigde artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 161 van de Grondwet dat de gemeenschappen en de gewesten wel degelijk bijzondere administratieve rechtscolleges kunnen creëren indien dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun bevoegdheden.

A.7.2. De Ministerraad verwijst in zijn memorie hoofdzakelijk naar de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 en naar het huishoudelijk reglement van de beroepscommissie om te besluiten dat zij alle kenmerken van een administratief rechtscollege heeft. Die argumentatie kan niet in aanmerking worden genomen, omdat het Hof niet door die bepalingen is geadieerd en ook niet geadieerd zou kunnen worden. Rekening houdend met artikel 94 (thans 146) van de Grondwet is de uitvoerende macht uiteraard niet bevoegd om een rechtscollege op te richten of om de uitoefening van een jurisdictionele bevoegdheid te regelen zonder machtiging van de wetgevende macht. A fortiori heeft de beroepscommissie geen bevoegdheid om zich als een rechtsprekend orgaan aan te dienen in een huishoudelijk reglement.

De Vlaamse Raad heeft zich geschikt naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. De parlementaire voorbereiding van het decreet laat niet toe te beweren dat dit niet het geval is.

Overigens, wat ook de aard van de beroepscommissie is die door de betrokken bepalingen is ingesteld, zij wijken niet af van de bevoegdheid die aan de arbeidsrechtbanken is toegekend bij artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

B B.1. De artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap luiden : " Art. 43. Binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing van het Fonds kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger per aangetekende brief beroep aantekenen tegen de beslissing bij een beroepscommissie.

Art. 44.De beroepscommissie bestaat uit vijf leden, wordt multidisciplinair samengesteld en wordt voorgezeten door een magistraat. De Regering stelt de benoemingsvoorwaarden van de leden van de beroepscommissie vast, benoemt de leden van de beroepscommissie en regelt haar werking.

Er is onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van de evaluatiecommissie of van de Raad van Bestuur en dat van de beroepscommissie. " B.2. Die bepalingen moeten worden getoetst aan de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, zoals die van toepassing waren op het tijdstip waarop voormeld decreet werd aangenomen.

B.3. De artikelen 3ter (thans artikel 38), 59bis (thans de artikelen 127 tot 129) en 107quater (thans artikel 39) van de Grondwet en de artikelen 4 tot 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen hebben de decreetgever de bevoegdheid verleend een aantal aangelegenheden bij decreet te regelen. Aldus wijst artikel 5, 1, II, 4°, van dezelfde bijzondere wet, " het beleid inzake minder-validen, met inbegrip van de beroepsopleiding, de omscholing en de herscholing van minder-validen, [...] ", onder voorbehoud van twee uitzonderingen, aan de gemeenschappen toe.

Artikel 19, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalde evenwel, vóór de wijziging ervan door de bijzondere wet van 16 juli 1993 :" Het decreet regelt de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 tot 11, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden ".

Hieruit vloeide voort dat de decreetgever, behoudens het geval waarin een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging was verleend bij de wetten tot hervorming der instellingen, de materies die hem waren toegewezen slechts vermocht te regelen op voorwaarde dat hij geenszins inbreuk zou maken op de bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt.

Vóór de wijziging, bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, van artikel 19, 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kon de mogelijkheid die de Raden bij artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, is geboden en die erin bestaat dat hun decreten rechtsbepalingen kunnen bevatten in aangelegenheden waarvoor zij niet bevoegd zijn, geen toepassing vinden op bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt.

B.4. Artikel 94 (thans artikel 146) van de Grondwet bepaalt : " Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. [...] " Die bepaling behoudt de federale wetgever de zorg voor om rechtscolleges in te stellen. Bij gebreke aan een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging verleend bij de wetten tot hervorming der instellingen waren de gemeenschappen luidens het eerdervermelde artikel 19, 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 onbevoegd gewone of administratieve rechtscolleges in te stellen.

B.5. De vraag rijst derhalve of het in de in het geding zijnde bepalingen bedoelde beroep al dan niet een jurisdictioneel beroep is en of de daarin bedoelde beroepscommissie al dan niet een administratief rechtscollege is.

B.6. De instelling van een specifieke beroepsprocedure en de oprichting van een beroepscommissie vinden blijkens de parlementaire voorbereiding van het decreet hun verklaring in de omstandigheid dat in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State erop was gewezen dat de decreetgever niet bevoegd was te bepalen dat betwistingen met betrekking tot door het Vlaams Fonds getroffen beslissingen en met betrekking tot leerovereenkomsten tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken behoren (Gedr.St., Vlaamse Raad, 1989-1990, nr. 318/1, pp. 44 en 59). De decreetgever oordeelde daarop dat het nodig was in een" specifieke beroepsinstantie " te voorzien (ibid., p. 13;Gedr.St., Vlaamse Raad, 1989-1990, nr. 318/2, p. 15).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het in artikel 43 van het decreet bedoelde beroep in de plaats komt van het jurisdictioneel beroep waarin door de artikelen 26 en 27 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen de aan het decreet voorafgaande regeling was voorzien bij de arbeidsrechtbank.

Die bepalingen werden overigens opgeheven door artikel 73, 1°, van het decreet.

Dat de decreetgever klaarblijkelijk een jurisdictioneel beroep beoogde in te stellen, volgt ook uit de bepalingen welke hij vaststelde met betrekking tot de samenstelling van de beroepscommissie en die ertoe strekken de onafhankelijkheid van die commissie te waarborgen. De beroepscommissie wordt voorgezeten door een magistraat en er is onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van de evaluatiecommissie en van de raad van bestuur van het Vlaams Fonds en dat van de beroepscommissie. Overigens zijn de beslissingen van de commissie kennelijk met gezag van gewijsde bekleed.

B.7. Het jurisdictioneel karakter van het bij het decreet ingestelde beroep wordt overigens bevestigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de inschrijving bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap. Benevens in een voorzitter, wordt voorzien in twee plaatsvervangende voorzitters die allen magistraat moeten zijn met ten minste vijf jaar ervaring in een arbeidsrechtbank of arbeidshof (artikel 31, 1°). De beroepscommissie is uitsluitend bevoegd om uitspraak te doen op schriftelijke en gemotiveerde beroepen (artikel 37). De aanvrager kan zich laten bijstaan (artikel 38). De partijen kunnen vóór de zitting een memorie indienen, die bij het dossier wordt gevoegd en de beroepscommissie moet met de hierin aangebrachte elementen rekening houden (artikel 42). De beslissing van de beroepscommissie moet op straffe van nietigheid worden gemotiveerd (artikel 48). Het Vlaams Fonds is partij in het geschil zodat de procedure tegensprekelijk is (artikel 48, 3°).

B.8. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het in artikel 43 beoogde beroep een jurisdictioneel beroep is en dat de beroepscommissie bijgevolg een administratief rechtscollege is.

B.9. Aangezien de beroepscommissie een administratief rechtscollege is dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen, schenden de artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap de regels voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, zoals zij gelding hadden op dat ogenblik.

De prejudiciële vraag moet bevestigend worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 43 en 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap schenden de regels voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 april 1997, door voormelde zetel waarin voorzitter M. Melchior, wettig verhinderd de uitspraak van onderhavig arrest bij te wonen, is vervangen door rechter L. François.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms.L. De Grève.

^