Etaamb.openjustice.be
Vue multilingue de Arrêt du --
← Retour vers "Extrait de l'arrêt n° 24/2019 du 14 février 2019 Numéro du rôle : 6776 En cause : la question préjudicielle relative à l'article 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, posée par le Tribunal de première instance de Liège, divisio La Cour constitutionnelle, composée des présidents F. Daoût et A. Alen, et des juges L. Lavrysen(...)"
Extrait de l'arrêt n° 24/2019 du 14 février 2019 Numéro du rôle : 6776 En cause : la question préjudicielle relative à l'article 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, posée par le Tribunal de première instance de Liège, divisio La Cour constitutionnelle, composée des présidents F. Daoût et A. Alen, et des juges L. Lavrysen(...) Uittreksel uit arrest nr. 24/2019 van 14 februari 2019 Rolnummer 6776 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeli Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. L(...)
COUR CONSTITUTIONNELLE GRONDWETTELIJK HOF
Extrait de l'arrêt n° 24/2019 du 14 février 2019 Uittreksel uit arrest nr. 24/2019 van 14 februari 2019
Numéro du rôle : 6776 Rolnummer 6776
En cause : la question préjudicielle relative à l'article 4 du titre In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4 van de
préliminaire du Code de procédure pénale, posée par le Tribunal de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de
première instance de Liège, division Huy. Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Hoei.
La Cour constitutionnelle, Het Grondwettelijk Hof,
composée des présidents F. Daoût et A. Alen, et des juges L. Lavrysen, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L.
J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Lavrysen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R.
Moerman et M. Pâques, assistée du greffier F. Meersschaut, présidée Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F.
par le président F. Daoût, Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,
après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Objet de la question préjudicielle et procédure I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Par jugement du 15 novembre 2017 en cause du Fonds commun de garantie Bij vonnis van 15 november 2017 in zake het Belgisch Gemeenschappelijk
belge contre la ville de Huy et autres, dont l'expédition est parvenue Waarborgfonds tegen de stad Hoei en anderen, waarvan de expeditie ter
au greffe de la Cour le 20 novembre 2017, le Tribunal de première griffie van het Hof is ingekomen op 20 november 2017, heeft de
instance de Liège, division Huy, a posé la question préjudicielle Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Hoei, de volgende
suivante : prejudiciële vraag gesteld :
« L'article 4 du titre préliminaire du code de procédure pénale, en « Schendt artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van
strafvordering, in zoverre het algemene rechtsbeginsel van het gezag
tant qu'il consacre le principe général du droit de l'autorité de van gewijsde in strafzaken over burgerlijke zaken erin is vastgelegd,
chose jugée du pénal sur le civil, viole-t-il les articles 10 et 11 de de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
la Constitution, combinés avec l'article 6 de la Convention de artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales et avec en de fundamentele vrijheden en met het beginsel van de
le principe de l'égalité des armes, en ce qu'il a pour conséquence que wapengelijkheid, doordat het tot gevolg heeft dat de partij die
la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen
devant le juge civil ne peut bénéficier de la preuve d'absence voor de burgerlijke rechter, niet het bewijs van de ontstentenis van
d'infraction apportée dans cette même cause civile par un tiers au een misdrijf kan genieten dat in diezelfde burgerlijke zaak door een
procès pénal ? ». derde bij het strafproces is geleverd ? ».
(...) (...)
III. En droit III. In rechte
(...) (...)
B.1. Le juge a quo pose une question préjudicielle au sujet de B.1. De verwijzende rechter stelt een prejudiciële vraag over artikel
l'article 4 de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het
du Code de procédure pénale. Il ressort du contexte de l'affaire Wetboek van strafvordering. Uit de context van de zaak die voor de
portée devant le juge a quo que la question concerne plus verwijzende rechter is gebracht, blijkt dat de vraag meer in het
particulièrement l'alinéa 1er de cet article, tel qu'il a été remplacé bijzonder betrekking heeft op het eerste lid van dat artikel, zoals
par la loi du 13 avril 2005 et tel qu'il a été complété par la loi du het is vervangen bij de wet van 13 april 2005 en zoals het is
8 juin 2017, qui dispose : aangevuld bij de wet van 8 juni 2017, dat bepaalt :
« L'action civile peut être poursuivie en même temps et devant les « De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde
rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook
mêmes juges que l'action publique. Elle peut aussi l'être séparément; afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang
dans ce cas l'exercice en est suspendu tant qu'il n'a pas été prononcé niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of
définitivement sur l'action publique, intentée avant ou pendant la gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld, in zoverre er
poursuite de l'action civile, pour autant qu'il existe un risque de gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de
contradiction entre les décisions du juge pénal et du juge civil et strafrechter en die van de burgerlijke rechter en onverminderd de
sans préjudice des exceptions expressément prévues par la loi ». uitzonderingen uitdrukkelijk bepaald door de wet ».
La Cour limite son examen à cet alinéa 1er. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat eerste lid.
B.2.1. La Cour est interrogée sur la compatibilité de la disposition B.2.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van
en cause avec les articles 10 et 11 de la Constitution, lus isolément de in het geding zijnde bepaling, met de artikelen 10 en 11 van de
ou en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het
droits de l'homme, en tant que cette disposition consacre le principe Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre in die
général du droit de l'autorité de chose jugée du pénal sur le civil, bepaling het algemene rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in
qui a « pour conséquence que la partie condamnée lors d'un procès strafzaken over burgerlijke zaken erin is vastgelegd, dat « tot gevolg
pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil ne peut heeft dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die
bénéficier de la preuve d'absence d'infraction apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal ». B.2.2. Il ressort de la formulation de la question préjudicielle et de la décision de renvoi que la Cour est interrogée sur la disposition en cause dans l'interprétation selon laquelle la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil ne peut bénéficier de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les éléments déduits du procès pénal. B.3. Le litige porté devant le juge a quo concerne la situation d'un prévenu condamné au pénal pour avoir conduit sans être couvert par un contrat d'assurance. Devant le juge civil, le Fonds commun de garantie belge, qui est un tiers au procès pénal, a démontré que le véhicule était bien assuré; néanmoins, l'assureur du véhicule a introduit une action en garantie contre le prévenu, conducteur fautif non assuré, en alléguant que le prévenu, lié par le jugement pénal, ne peut se prévaloir du fait qu'il était bien assuré. B.4. L'adage « le criminel tient le civil en état », concrétisé dans l'article 4, alinéa 1er, du titre préliminaire du Code de procédure pénale, est fondé sur l'autorité de la chose jugée attachée à la décision définitive du juge pénal à l'égard du juge civil, quant aux vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, niet het bewijs van de ontstentenis van een misdrijf kan genieten dat in diezelfde burgerlijke zaak door een derde bij het strafproces is geleverd ». B.2.2. Uit de formulering van de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie volgens welke de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, niet het bewijs kan genieten dat in die burgerlijke zaak door een derde bij het strafgeding is geleverd en waarbij de uit het strafgeding afgeleide elementen worden weerlegd. B.3. Het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil heeft betrekking op de situatie van een beklaagde die strafrechtelijk is veroordeeld omdat hij heeft gereden zonder gedekt te zijn door een verzekeringsovereenkomst. Voor de burgerlijke rechter heeft het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds, dat een derde is bij het strafproces, aangetoond dat het voertuig wel degelijk verzekerd was; toch heeft de verzekeraar van het voertuig tegen de beklaagde, niet-verzekerde schuldige bestuurder, een vordering tot vrijwaring ingesteld door aan te voeren dat de beklaagde, die gebonden is door het strafrechtelijk vonnis, zich niet kan beroepen op het feit dat hij wel degelijk verzekerd was. B.4. Het in artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering geconcretiseerde adagium « le criminel tient le civil en état » berust op het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter wat betreft de punten die gemeenschappelijk zijn
points qui sont communs tant à l'action civile qu'à l'action publique. aan zowel de burgerlijke vordering als de strafvordering. De
La suspension obligatoire de l'action civile dans l'attente de verplichte schorsing van de burgerlijke vordering in afwachting van de
l'action publique est notamment dictée par le souci d'éviter des strafvordering is mede ingegeven door de zorg om tegenstrijdige
décisions contradictoires. beslissingen te vermijden.
L'autorité de la chose jugée attachée au pénal à l'égard du juge civil Het gezag van gewijsde dat is verbonden aan strafzaken ten aanzien van
constitue un principe général du droit (Cass., 15 février 1991, Pas., de burgerlijke rechter, vormt een algemeen rechtsbeginsel (Cass., 15
1991, n° 322). februari 1991, Arr. Cass., 1990-1991, nr. 322).
B.5.1. L'autorité de la chose jugée attachée à la décision définitive du juge pénal à l'égard du juge civil, qui participe à ce souci d'éviter des décisions contradictoires, doit toutefois être interprétée compte tenu des garanties du droit à un procès équitable. B.5.2. Par égard au droit de la défense et au droit qu'a toute personne à ce que sa cause soit entendue équitablement, la Cour de cassation a jugé que « l'autorité de la chose jugée au pénal ne fait pas obstacle à ce que, lors d'un procès civil ultérieur, une partie ait la possibilité de contester les éléments déduits du procès pénal, dans la mesure où elle n'était pas partie à l'instance pénale ou dans la mesure où elle n'a pu librement y faire valoir ses intérêts » B.5.1. Het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter, dat bijdraagt tot die zorg om tegenstrijdige beslissingen te vermijden, moet evenwel worden geïnterpreteerd rekening houdend met de waarborgen van het recht op een eerlijk proces. B.5.2. Gelet op het recht van verdediging en het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat « het gezag van het strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet
(Cass., 2 octobre 1997, Pas., 1997, n° 381; dans le même sens, Cass., vrij haar belangen kon laten gelden » (Cass., 2 oktober 1997, Arr.
Cass., 1997, nr. 381; in dezelfde zin, Cass., 24 april 2006,
24 avril 2006, S.05.0075.N; Cass., 7 mars 2008, C.06.0253.F). S.05.0075.N; Cass., 7 maart 2008, C.06.0253.F).
B.6. La Cour doit examiner en l'espèce si le fait que l'autorité de la B.6. Het Hof dient te dezen te onderzoeken of het feit dat het gezag
chose jugée attachée à la décision définitive du juge pénal à l'égard van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten
du juge civil soit absolue à l'égard du condamné, avec pour aanzien van de burgerlijke rechter absoluut is ten aanzien van de
conséquence que celui-ci ne pourrait bénéficier de la preuve apportée veroordeelde, met als gevolg dat die niet het bewijs kan genieten dat
dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les in die burgerlijke zaak door een derde bij het strafgeding is geleverd
éléments déduits du procès pénal, ne crée pas une différence de en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd,
traitement injustifiée en ce qui concerne le droit à un procès geen onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan wat betreft
équitable dans le cadre du nouveau débat porté devant le juge civil. het recht op een eerlijk proces in het kader van het nieuwe debat voor
B.7.1. Il ressort de la jurisprudence citée en B.5.2 que l'importance de burgerlijke rechter.
de l'autorité de la chose jugée au pénal et le souci d'éviter que juge B.7.1. Uit de in B.5.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie
pénal et juge civil prennent des décisions contradictoires doivent blijkt dat het belang van het gezag van gewijsde in strafzaken en de
être mis en balance avec le droit fondamental de toutes les parties à zorg om te vermijden dat de strafrechter en de burgerlijke rechter
bénéficier d'un procès équitable et du droit de se défendre dans le tegenstrijdige beslissingen nemen, moeten worden afgewogen tegen het
procès porté devant le juge civil. fundamentele recht van alle partijen op een eerlijk proces en op het
B.7.2. Dans un système où l'autorité de la chose jugée au pénal à l'égard du juge civil est relativisée par égard aux vertus du contradictoire, il est cohérent de considérer que cette relativisation doit valoir à l'égard de toutes les parties impliquées dans le nouveau débat porté devant le juge civil. Lorsque, comme en l'espèce, les éléments déduits du procès pénal sont réfutés devant le juge civil par un tiers au procès pénal, cette question doit être considérée comme tranchée par le juge civil à l'égard de toutes les parties au procès civil, fussent-elles aussi parties au procès pénal. En pareille hypothèse, des décisions contradictoires ne pourront certes être évitées, mais il serait contraire au droit à un procès équitable que des parties impliquées dans un même procès civil ne puissent bénéficier, dans la même mesure, de l'autorité de chose jugée inter partes attachée à la preuve, apportée par un tiers au procès pénal, admise dans la décision du juge civil qui tranche leur litige. B.8. La disposition en cause, interprétée comme empêchant le prévenu de bénéficier, devant le juge civil, de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les éléments déduits du procès pénal, crée, entre les parties au procès porté devant le juge civil, une différence de traitement qui n'est pas raisonnablement justifiée. recht van verdediging in het proces voor de burgerlijke rechter. B.7.2. Binnen een systeem waarin het gezag van gewijsde in strafzaken ten aanzien de burgerlijke rechter wordt gerelativeerd uit respect voor het beginsel van de tegenspraak, is het coherent ervan uit te gaan dat die relativering moet gelden ten aanzien van alle partijen die betrokken zijn bij het nieuwe debat voor de burgerlijke rechter. Wanneer, zoals te dezen, de gegevens afgeleid uit het strafproces worden weerlegd voor de burgerlijke rechter door een derde bij het strafproces, moet die kwestie worden geacht te zijn beslecht door de burgerlijke rechter ten aanzien van alle partijen in het burgerlijk proces, ook al zijn zij eveneens partijen in het strafproces. In een dergelijk geval zullen tegenstrijdige beslissingen weliswaar niet kunnen worden vermeden, maar het zou strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces dat partijen die bij een zelfde burgerlijk proces zijn betrokken, niet, in dezelfde mate, het gezag van gewijsde inter partes kunnen genieten dat is verbonden aan het door een derde bij het strafproces geleverde bewijs dat wordt aangenomen in de beslissing van de burgerlijke rechter waarbij hun geschil wordt beslecht. B.8. De in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de beklaagde verhindert om, voor de burgerlijke rechter, het bewijs te genieten dat in die burgerlijke zaak door een derde bij het strafgeding is geleverd en waarbij de elementen van het strafgeding worden weerlegd, doet, tussen de partijen in het voor de burgerlijke rechter gebrachte proces, een verschil in behandeling ontstaan, dat niet redelijk verantwoord is.
B.9. Pour le surplus, la possibilité de révision des décisions B.9. Voor het overige volstaat de mogelijkheid tot herziening van de
pénales, aux conditions prévues par l'article 443 du Code d'instruction criminelle auquel se réfère le Conseil des ministres, ne suffit pas pour remédier à l'inconstitutionnalité constatée, dès lors qu'il ne s'agit pas, en l'espèce, d'obtenir la révision de la décision pénale, mais de permettre que le juge civil ne soit pas lié par celle-ci, y compris à l'égard du condamné, lorsque la preuve de l'absence d'infraction a été apportée par un tiers au procès pénal. B.10. La disposition en cause, en tant qu'elle consacre le principe général du droit de l'autorité de chose jugée du pénal sur le civil, interprétée en ce sens que la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil ne peut bénéficier, dans ce procès civil, de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les éléments déduits du procès pénal, n'est pas compatible avec les articles 10 et 11 de la strafrechtelijke beslissingen, onder de in artikel 443 van het Wetboek van strafvordering bedoelde voorwaarden, waarnaar de Ministerraad verwijst, niet om de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen, aangezien het te dezen niet de bedoeling is om de herziening van de strafrechtelijke beslissing te bekomen, maar om het mogelijk te maken dat de burgerlijke rechter niet door die beslissing is gebonden, ook ten aanzien van de veroordeelde, wanneer het bewijs van de ontstentenis van een misdrijf door een derde bij het strafproces is geleverd. B.10. De in het geding zijnde bepaling, in zoverre het algemene rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter erin is vastgelegd, in die zin geïnterpreteerd dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces niet het bewijs kan genieten dat in die burgerlijke zaak door een derde bij het strafgeding is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd, is niet bestaanbaar met de
Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme. B.11. La Cour constate cependant que la disposition en cause, en tant qu'elle consacre le principe général du droit de l'autorité de chose jugée du pénal sur le civil, peut être interprétée en ce sens que la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil peut bénéficier, dans ce procès civil, de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les éléments déduits du procès pénal. Dans cette interprétation, la disposition en cause est compatible avec artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11. Het Hof stelt evenwel vast dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre het algemene rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter erin is vastgelegd, in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces het bewijs kan genieten dat in diezelfde burgerlijke zaak door een derde bij het strafproces is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar
les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme. artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Par ces motifs, Om die redenen,
la Cour het Hof
dit pour droit : zegt voor recht :
- L'article 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, en - Artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van
tant qu'il consacre le principe général du droit de l'autorité de chose jugée du pénal sur le civil, interprété en ce sens que la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil ne peut pas bénéficier, dans ce procès civil, de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les éléments déduits du procès pénal, viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme. - La même disposition, interprétée en ce sens que la partie condamnée lors d'un procès pénal qui a été attraite ensuite devant le juge civil peut bénéficier, dans ce procès civil, de la preuve apportée dans cette même cause civile par un tiers au procès pénal réfutant les strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het algemene rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter erin is vastgelegd, in die zin geïnterpreteerd dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces niet het bewijs kan genieten dat in die burgerlijke zaak door een derde bij het strafgeding is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd.
éléments déduits du procès pénal, ne viole pas les articles 10 et 11 - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de
de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag
Convention européenne des droits de l'homme. voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat de partij
Ainsi rendu en langue française et en langue néerlandaise, die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is
opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces het
bewijs kan genieten dat in die burgerlijke zaak door een derde bij het
strafgeding is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het
strafgeding worden weerlegd.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel
conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
la Cour constitutionnelle, le 14 février 2019. op 14 februari 2019.
Le greffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
Le président, De voorzitter,
F. Daoût F. Daoût
^